
Abstracte, hedendaagse dans als een bezwerende, bijna hallucinatorische trip, waar je je ogen bij uitwrijft? Het kan. Zo’n ervaring bood deze zomer de installatie Viewmaster op Theater Aan Zee. Het Brusselse trio Heike Langsdorf, Ula Sickle en Laurent Liefooghe bouwde een simpele triplex box met twee kamers die in een rechte hoek op elkaar aansluiten. Een schuin spiegelglas scheidt beide kamers, volgens de principes van de negentiende-eeuwse machine ‘Pepper’s ghost illusion’. Met wisselende belichtingen kun je het publiek, dat via een centraal raam de box inkijkt, de illusie geven dat er twee dansers, elk in hun eigen kamertje, op dezelfde plek dooreenvloeien als geesten, als in een live videoclip. Het zorgde voor een van de hoogst denkbare artistieke ervaringen. Je ogen bij de neus genomen.
‘(…) cet art qui épouse les mouvements d’un monde bousculé à une cadence de plus en plus forcée.’
François Pinault
‘Perhaps art can be one way out of a world ruled by leveling impulses and dull sameness. Can each artwork be a principle of hope and an intriguing plan for escape?’
Daniel Birnbaum
Wat heeft kunst te vertellen over de wereld waarin we willen leven, en wat maakt haar in die zin politiek? De hedendaagse kunst die momenteel op de Biënnale in Venetië te zien is, suggereert verschillende antwoorden.
Al een aantal jaren maakt het sociaal-artistieke gezelschap de Unie der Zorgelozen twee verschillende soorten voorstellingen. Enerzijds zijn er de 'wijkprojecten' waarbij het grootste deel van de ploeg het podium deelt. Een bezetting van een veertigtal acteurs en muzikanten is daarbij eerder regel dan uitzondering. Natuurlijk is het een door en door politieke keuze om niemand uit te sluiten, zelfs de valse zangers niet, of de acteurs met plankenkoorts. Voor de zogeheten 'doorstroomprojecten', zoals Actuaris, de laatste voorstelling van de Unie, wordt wel een selectie gemaakt, op basis van acteerkwaliteit en artistieke identiteit.
Nieuwsflash. Er lijkt iets tot bloei gekomen in het sociaal-artistieke werk. U weet wel, al die projecten met mensen die geen echte acteurs zijn maar wel echte problemen hebben, en dus door de ware kunsten minder serieus genomen worden. Dat werk bestaat precies vijftien jaar. Een knappe tussentijdse balans over verworvenheden en nieuwe uitdagingen biedt de beweeglijke theatervoorstelling Vidi Vici van Victoria Deluxe.
Wat hebben de bedenkers van Merlina toch een kans gemist. Een nachtlampje in de vorm van Napoleons parafix, Polycarpus Tack als sprekende knuffel (‘Waterman roept Merlina’), een Stratego-versie met An – de schrandere – als maarschalk. En, natuurlijk, een Evarist de spelcomputer om spelenderwijs de eerste woordjes Frans te leren. Dat en veel meer behoorde tot de mogelijkheden. Merlina verdween in 1988 van het scherm, de eerste Samson & Gert-televisieshows dateren van 1989. Tussen het einde van Merlina en het begin van Samson & Gert ligt dus niet meer dan een jaar. Dat ene jaar zorgde wel voor een breuklijn, een aardverschuiving die nog altijd in de leefwereld van bijna elk kind in Vlaanderen voelbaar is. Plots was alles daar wel: Samson als donsovertrek, Samson als knuffel, Samson als worst. Samson, die rockt.
In zijn relatief jonge artistieke leven van ongeveer veertig jaar, dat bovendien alweer naar een voortijdig einde lijkt te hollen, is de dia in de kunst op verschillende manieren gebruikt. Still/Moving/Still, de hoofdtentoonstelling van het Fotofestival 2009, bracht de meeste ervan in kaart. De geselecteerde werken verrasten door hun diversiteit. Tegelijk maakte die diversiteit ook duidelijk dat het gebruik van een beeld soms een verraad aan het medium impliceert: niet alle werken lieten de dia immers tot zijn recht komen als dia.
In het vorige nummer beweerde Renzo Martens dat zijn film Enjoy Poverty (Episode III) handelt over de machtsrelaties in ons kijken. En dus niet zozeer over wat hij daarnaast ook nog te kijken zet: Congo en de Congolezen. Volgens Matthias de Groof verzandt de kijker daardoor echter in de (niet onaangename) impasse van de kijk-act zelf. Is dat dan echt het enige wat ons rest?
In een recent interview verbaasde Brian Eno zich over de inhoud van de iPods van de hedendaagse jongere. Doowop, hiphop, indierock en klassieke muziek staan daarop broederlijk naast elkaar en worden eindeloos door elkaar geshuffeld. De traditionele grenzen tussen de geijkte genres komen daarmee meer en meer op losse schroeven te staan. Om als muzikant aan die gigantische poel nog werkelijk nieuwe geluiden of structuren toe te voegen, is vrijwel onmogelijk. Echte vernieuwing schuilt vandaag in het creatieve hergebruik van dit grenzeloze, diverse aanbod. Dit eclecticisme is inmiddels gemeengoed in hiphop, elektronische muziek en indierock, maar de wereld van de klassieke muziek bleef nog altijd hermetisch. De deuren ernaartoe waren potdicht. Totdat drie jaar geleden de jonge, New Yorkse componist Nico Muhly die deuren op een kier zette, en met enkele speelse, avontuurlijke werken het zelfgenoegzame sérieux van de klassieke muziek in twijfel trok.
Het werd een zonnige Pasen, dit jaar. Terwijl Tom Boonen voor de derde keer Paris-Roubaix won, hoorde ik de klokken luiden in een Limburg vol bloesems – een streek die graag op het beeld wil gelijken dat tv-series als Katarakt of De Smaak van De Keyser ervan hebben gemaakt. Vlaanderen vakantieland, de hervonden idylle, met de televisie als producent en de kijker als consument. Terug van nooit weg geweest, ook. In wezen ziet Vlaanderen zichzelf nog altijd het liefst als een schilderij van Emile Claus, zondagsschilder par excellence en nu in al zijn lichtheid te zien in het Museum voor Schone Kunsten in Gent: een land in de ochtend, met bedauwde velden, wanneer alles herbegint. Of liever nog bij valavond, wanneer de hitte bekoeld is en in de verte alleen nog een klokje klepelt dat vertelt hoe alles na een dag vol zindering en gewemel zijn plaats terug gevonden heeft, en rust.
De Congolezen hebben het nog steeds niet begrepen. Op uitgestrekte palmolieplantage blijven ze machteloos zwoegen voor een hongerloon van twintig dollarcent per dag, terwijl hun westerse landeigenaar tientallen keren dat bedrag neertelt voor artistieke plaatjes van hun labeur. Zonder morren trekken ze in vluchtelingenkampen onder witte tentzeilen waarvan vooral het logo van Unicef in beeld moet komen. Voor een schamele dollar per maand houden ze zich onledig met eigen feestjes fotograferen, terwijl internationale fotografen tot vijftig dollar binnenrijven per foto van hun uitgemergelde kinderen, hun verkrachte vrouwen en hun vermoorde broeders. In al die jaren is er voor de Congolezen niks veranderd, terwijl ze met hun gat in de boter gevallen zijn door de meest winstgevende grondstof van hun land te bezitten: hun eigen armoede. Goed voor 1,8 miljard euro buitenlandse hulp per jaar, meer dan alle winsten uit goud, kobalt en koper samen. Dan kan de slotsom toch enkel zijn: maak van je armtierigheid je eerste bron van inkomsten. Er is een markt voor!
Frustratie. Dat is de sfeer die steeds nadrukkelijker de zaal vult, naarmate de voorstelling Finally I am no one van de jonge choreograaf Tarek Halaby vordert. Kan een publiek moedwillig duperen zo ook zijn nut hebben?
‘Dude, look around. We are living in a heavy metal world.’ Dat is het evidente maar onthutsende antwoord van een van de bandleden van Acrassicauda, op dat moment de enige actieve metal band in Bagdad, wanneer documentairemakers Eddy Moretti en Suroosh Alvi hen vragen waarom ze doen wat ze doen. Verscheidene jaren volgden beide heren, op gevaar van eigen leven, het wel en wee van de band. Het eindresultaat, de documentaire Heavy Metal in Baghdad, ging in 2007 in première, maar is nu ook in onze contreien op dvd beschikbaar, voorzien van een hele reeks extra’s.
De relatie tussen beeldende kunst en architectuur is sinds de eerste realisaties van Robbrecht Daem Architecten hét thematische veld waarbinnen hun werk wordt gesitueerd. Die relatie mag in de eerste plaats letterlijk en ruimtelijk beschouwd worden: Paul Robbrecht en Hilde Daem hebben architectuur gemaakt die ten dienste staat van de kunst.
Beeldend kunstenaar Koenraad Tinel groeide op in een ‘zwarte’ familie. Toen de geallieerden in juni 1944 in Normandië landden, haalden zijn ouders geen Belgische vlag boven, maar vluchtten ze naar Duitsland. Ruim zestig jaar later getuigt Tinel over die bepalende episode in een boek én een theatervoorstelling: Scheisseimer.
Waaraan denk jij als je Mick Jagger weer het podium ziet oprennen in een knalroze legging waarin je zelfs niet paste toen je als twaalfjarige een talentvolle afstandsloper bleek? Misschien vind je Jagger een ware trendsetter en ben je ervan overtuigd dat PJ Harvey de mosterd voor haar roze turnpak (1995-1996) bij hem haalde. Mij doet het alvast denken aan Morrissey’s ontzetting daaromtrent, zo’n twintig geleden, toen Jagger ongeveer de leeftijd had bereikt van Morrissey vandaag.
auteurs Wouter Hillaert en Tom Van Imschoot
Kiezen is de kunst. Met het oog op de verkiezingen vroeg rekto:verso alle Vlaamse politieke partijen welke specifieke cultuurpolitiek zij in de komende legislatuur willen hanteren om de samenleving waar ze naar streven een stapje dichterbij te brengen. Een vraag naar ideologie en concreet beleid ineen, dus. We zetten de antwoorden voor u op een rijtje, en zwijgen. Zodat u straks beter weet wat u te doen staat.
Deze winter liep in De Bond in Brugge de tentoonstelling Ben jij dat op die berg van rijst? van Virginie Bailly (°1976, Ukkel). Bij deze tentoonstelling kreeg de bezoeker een korte geschreven toelichting waarin werd benadrukt dat Bailly ‘in de eerste plaats schilder’ is maar ook media als video en fotografie gebruikt om ‘een beweging of subtiele verandering te tonen, iets wat niet lukt met schilderkunst’. Met deze laatste opmerking bewijst de (anonieme) auteur Bailly alvast geen dienst. Enkel slechte schilders zijn immers niet in staat om een subtiele verandering te schilderen. En Bailly is geen slecht schilder. Integendeel: de doeken en video’s die ze in Brugge toonde, waren net doordrongen van subtiele veranderingen en bewegingen.
Bijna 1,9 miljoen mensen hebben vorig jaar een Vlaamse film in de bioscoop meegepikt. Dat is een absoluut record. In vergelijking met 2007 betekent dit een stijging van 63,3%. Dat is opmerkelijk, daar algemeen wordt aangenomen dat het bioscoopbezoek in België vorig jaar met 6 à 8% daalde. Dit alles maakt dat het nationale marktaandeel voor de Vlaamse film dit jaar in de buurt van 10% zal liggen... en in Vlaanderen zelfs ergens tussen de 15 en 20%.
Boeken om naar te kijken. De naam van het project dat onder meer ook leidde tot een tentoonstelling in het Gentse Museum voor Schone Kunsten, wekt verbazing. Boeken die niet bedoeld zijn om naar te kijken, zijn immers tot nader order onbestaande. De organisatoren van het project, onder wie Gerda Dendooven en Gert Dooreman (curatoren van de overkoepelende expositie in het MSK), impliceren uiteraard dat ze van bezoekers niet verwachten dat ze boeken komen lezen. In plaats daarvan selecteerden ze een resem grafisch bijzondere boeken en tijdschriften om ons aan te vergapen, en die dus nadrukkelijk de aandacht vestigen op het boek als object. Daar is niets mis mee, maar ‘eigenzinnig’ – zoals de tentoonstelling wordt genoemd – is iets anders.
Stevige, klassieke schilderijen met forse lijsten, in een museum dat zijn muren in frisse lentekleurtjes heeft geschilderd. Brave kunst van meer dan honderd jaar geleden. Landschappen waar het impressionisme ooit een patent op heeft genomen: tegenlicht, hooi en hoogzomer. Boeren, ook. Lijven die plooiden naar de hooivork en stonken naar het zweet – in de verleden tijd. Consensuskunst voor bourgeois en kleinburger. Emile Claus (1849-1924) is back in town, en dat is goed.
U kent ze wel. Die schattige deurmatjes met ‘welcome’ erop. Een korte close-up van zo’n matje in de nieuwe film van de Franse cineast Philippe Lioret levert meteen de titel van de prent. Ironie, natuurlijk. Welcome zoomt in op de hekken rond Europa, tegen al te veel aankloppende vluchtelingen. U kent ze wel. Die mensen waaraan we onze voeten vegen. Ze leveren in Welcome het soort sociale film dat we in Vlaanderen nooit zien.
In de meest charmante musea voor natuurhistorie lijkt de tijd te hebben stilgestaan. De parkets kraken er en de plafonds zijn er hoog. Je vindt er statige galerijen met miljoenen vastgeprikte insecten en Latijnse soortnamen op vergeelde etiketten. Dergelijke musea zijn pompeus en eindeloos. En meestal ben je er alleen. Je ruikt er negentiende-eeuws kolonialisme en de vervlogen ambitie om de natuur in haar totaliteit te verzamelen, te ordenen en te classificeren. Dergelijke musea bieden een inkijk in een wetenschap die niet meer wordt bedreven. De geur van de boenwas alleen al bezorgt je er een historische sensatie.
‘Elkaar maar laten begaan, generaties hebben elkaar laten begaan... En het resultaat is dit. Waar we nu zijn. De Heining, dat is het resultaat.’ De heining van Jan Van Loy, een eigentijdse fabel die een nominatie voor de Gouden Uil in de wacht sleepte, toont waar een angstige samenleving op uitdraait: een nachtmerrie, zwart, bikkelhard. Of een spiegel van de bittere realiteit? In elk geval: een mokerslag.
Geen Vlaming of Nederlander die de grens oversteekt, of hij komt terug met de indruk dat het theater aan weerskanten uiteendrijft. Over het aantal Vlaamse voorstellingen in Nederland bestaan er cijfers, over de verschillen in cultuurbeleid is er gedegen onderzoek. Maar over de artistieke kant van dat aangevoelde verschil leven alleen clichés. Reden genoeg voor Simon van den Berg, recensent voor Het Parool, en zijn Vlaamse collega Wouter Hillaert van De Standaard om eens dieper op die kwestie door te gaan. Elke maand sturen ze elkaar naar een nieuwe Vlaamse of Nederlandse voorstelling, en kruisen ze daarover de pennen. Niet alleen in rekto:verso, maar ook in het Nederlandse theatervakblad Theatermaker. Allemaal ter eer en glorie van beide naties en vorstenhuizen.
Omdat ze waarschijnlijk al eerdere columns van mijn hand hebben gelezen in andere gespecialiseerde bladen als Doorweekt, het maandblad voor de verfijnde urinedrinker met recepten voor lekkere cocktails en prachtige fotoreportages over hun nationale pisproefdagen en het weekblad Zeker?, een tijdschrift voor de meer twijfelende negationist met een weekoverzicht van wat er misschien gebeurd is, hebben de lieve gefrustreerde recensenten, werkloze ex-culturele studies en ander gespuis van dit blad mij een column geschonken, om u de lezer, alle vijftien theatermakers en videoartiesten wanhopig op zoek ergens vernoemd te worden en niet meer blij met de vijf regels en de drie sterren in De Morgen, te plezieren. Tussen al deze langgerekte beschouwingen van obscure Balkanfilms en zogezegd relevante performances uit Zwitserland omdat iedere danser een camera vastheeft, je weet wel een beetje gelijk de oorlog in Irak.
auteurs Tom Van Imschoot en Bert Van Raemdonck
Verschrikkelijk luid en ontzettend dichtbij: zo klonk het schot dat David Nolens onlangs afvuurde, in antwoord op de vraag aan ‘sterke, stille schrijvers’ om ‘wat meer lawaai te maken’ die recensent
Nu zijn ze in Rotterdam wel wat gewoon, maar de ochtend dat bewoners van wijk Middelland een Turks vlaggetje op hun auto geprikt vonden, keken ze toch vreemd op. Net als die keer dat op twee plekken in de stad een autobomwrak opdook, of toen ineens allerlei rouwfotootjes van Geert Wilders rondhingen, met bloemen en teddybeertjes, als voor een moordslachtoffer. Dader van dienst was geen moslimactivist, maar telkens Jonas Staal. Zijn werk als hedendaags kunstenaar toont de kracht van ‘nieuw engagement’, hét alternatief voor klassiek activisme.
In de theatermonoloog Missie verkondigt een Vlaamse missionaris, terugkijkend op zijn leven en werk, zijn koloniale visie op Congo. In een tijd waarin houdingen tegenover de voormalige kolonie en etnische minderheden nog steeds gevoed worden door neokoloniaal paternalisme en racisme, stemmen het stuk en zijn succes tot nadenken.
In zijn nieuwe boek, Het heilig vuur, kijkt Peter Sloterdijk met een kritische blik naar de drie grote monotheïstische godsdiensten die de westerse cultuur hebben bepaald: jodendom, christendom en islam. Hij heeft het over hun strijdbaarheid, als middel om hun moeizame plaats vandaag te begrijpen, en over de noodzaak van een nieuwe dialoog, hoe pijnlijk ook. Dat zijn kritische benadering nodig is, zal niemand ontkennen, maar de bekende Duitse filosoof was wel beter met meer historische kennis van zaken te werk gegaan, en niet met de filosofische pretentie die de man blijkbaar eigen is.
Interculturele dans betekent vandaag niet langer dat choreografen inspiratie halen uit verre culturen. Sidi Larbi Cherkaoui en Akram Khan, in Europa geboren ‘vreemde’ stemmen, vertrekken veeleer van de eigen omgeving en streven zo naar een fusie tussen verschillende culturen, tussen traditionele en hedendaagse dans. Ook hun keuze voor interactie tussen dansers, meer dan tussen vormen, is een verrijking. Alleen komt het erop aan hoe je die diverse invloeden verwerkt. En daar knelt soms nog het schoentje, tonen hun laatste creaties Sutra en Bahok.
Instant Light. Tarkovski Polaroids is een warm eerbetoon aan de meesterlijke Russische regisseur Andrei Arsenyevich Tarkovski. Het polaroidboek documenteert de periode 1979- 1984. Gedurende die vijf jaren trok Tarkovski regelmatig naar Italië om er in 1982 zijn voorlaatste film Nostalgia te verfilmen. Twee jaar later, in 1984, besloot Tarkovski niet meer terug te keren naar de Sovjet-Unie en zich met zijn vrouw Larissa voorgoed in Italië te vestigen. Oorzaken waren zijn langdurige en bijna legendarische strijd met de censuurcommissie, en vooral de afwijzing van zijn onbeperkte verblijf in Italië door de Sovjetautoriteiten. Tarkovski stierf op 29 december 1986 op vierenvijftigjarige leeftijd aan longkanker in Parijs en liet een klein maar indrukwekkend oeuvre van zeven langspeelfilms na waarin zijn poëtische visie op het leven wordt uitgedrukt. Instant Light. Tarkovski Polaroids nodigt nadrukkelijk uit om die te herontdekken.
Het grote repertoiredebat dat de theaterwereld momenteel opjaagt, dreigt een politieke schijndiscussie te worden rond cijfers en definities. Laten we liever een artistiek meer fundamentele vraag stellen. Wat is nog de status van (nieuwgeschreven) tekst in het hedendaagse podiumlandschap? Wij kondigen graag even de noodtoestand af, maar Arne Sierens, Michael De Cock en Piet Arfeuille helpen meteen nuanceren. Én komen met een concreet voorstel om de theaterauteur terug in de armen te sluiten.
Nooit eerder was een expositie, zoals nu in het Van Gogh Museum in Amsterdam, helemaal gewijd aan de ‘nachtwerken’ van de gekwelde Vincent van Gogh. Nochtans ging zijn voorliefde vooral uit naar landschappen in schemerlicht, sterrenhemels of avondlijke caféterrassen. Kennelijk heeft zijn zomerse, stroperige zonnebloemgeel ons al die tijd blind gemaakt, terwijl – volgens de schilder in een van zijn vele brieven – de sprankelende kleuren van de nachtzijde ‘levendiger en kleurrijker zijn dan die van de dag’. Van Gogh en de kleuren van de nacht toont diens belangstelling voor ‘nocturnes’, voor de poëzie van de nacht. Hij was een heel normaal mens. Een keer heeft Van Gogh zijn hand verbrand en verder alleen maar zijn linkeroor afgesneden.
Ik heb nooit echt van countrymuziek gehouden. Potsierlijke hoofddeksels, jankende violen (fiddle) en jodelende rednecks: country was niet meer dan een ergerlijke soundtrack voor een rit door Bush’s Texas, een amalgaam van kitscherige en politiek bedenkelijke symbolen, met als enige lichtpunt in de duisternis de omvangrijke boezem van Dolly Parton, goed voor een verzekering ter waarde van 600.000 dollar. En toen kwam The
I’ve been chasing ghosts and I don’t like it
I wish someone would show me where to draw the line
John Cale, Dying on the vine
Geen Vlaming of Nederlander die de grens oversteekt, of hij komt terug met de indruk dat het theater aan weerskanten uiteendrijft. Over het aantal Vlaamse voorstellingen in Nederland bestaan er cijfers, over de verschillen in cultuurbeleid is er gedegen onderzoek. Maar over de artistieke kant van dat aangevoelde verschil leven alleen clichés. Reden genoeg voor Simon van den Berg, recensent voor Het Parool, en zijn Vlaamse collega Wouter Hillaert van De Morgen om eens dieper op die kwestie door te gaan. Elke maand sturen ze elkaar naar een nieuwe Vlaamse of Nederlandse voorstelling, en kruisen ze daarover de pennen. Niet alleen in rekto:verso, maar ook in het Nederlandse theatervakblad Theatermaker. Allemaal ter eer en glorie van beide naties en vorstenhuizen... Lees ook delen 1 en 2 uit rekto:verso 32 en 33.
Laurent Cantet zal met Entre les murs geboekstaafd staan als winnaar van de Gouden Palm op het filmfestival van Cannes, maar de film die het meeste ophef maakte, komt uit een heel andere hoek. Met de geanimeerde documentaire Waltz with Bashir geeft de Israëlische regisseur Ari Folman zijn persoonlijke blauwdruk van de genocide in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila.
Ergens in de jaren 1990 is voor de kunsten voorzichtig de 21e eeuw begonnen. Nu zitten we er middenin, met een rijkdom aan culturen die middels een paar ‘clicks’ binnen handbereik zijn, en continu aangesloten op een netwerk van interactieve media waarin iedereen zijn eigen maaksels kan publiceren en delen. Interactie wint zo niet alleen dagelijks aan belang, er is ook steeds meer interactieve kunst. De Nederlandse mediatheoreticus Arjen Mulder heeft de afgelopen vijftien jaar verscheidene vaak zeer originele essays geschreven over interactie en interactieve kunst, waarin opmerkelijk genoeg vaak een grote rol is weggelegd voor de biologie – Mulder is bioloog van opleiding.
Een krakend geluid. Je hoort het krassen van een naald op een versleten grammofoonplaat. Je denkt eerst aan knappend vuur, dan aan golven, aan het zachte klotsen van het water boven je hoofd als je voor even kopje-onder gaat. Het gekraak vermengt zich met een diepe, donkere toon. Dreinend en dreigend. Vanuit de verte klinken violen. De melodie die ze spelen komt almaar dichterbij. Sommige geluiden naderen, andere worden zwakker. Je weet niet zeker of wat je hoort er daadwerkelijk is. De ongrijpbaarheid van de klanken wekt een luciditeit op die te vergelijken is met een koortsdroom. Met het moment vlak voor je in slaap valt, waarop je je realiseert dat je bijna slaapt en dus nog wakker moet zijn.
Op 4 november concerteerde de 67-jarige pianist Chick Corea samen met John McLaughlin in de Elisabethzaal in Antwerpen. Geruggensteund door een uitgelezen band brachten ze fusion, impressionistische klavierstukken en stevige jazz. Corea’s muziek en sprankelende geest zijn blijkbaar nog altijd springlevend, en nu en dan wekte zijn concert herinneringen aan twee memorabele opnames uit de jaren 1970. Ook toen al werd de speelse lichtvoetigheid van deze muzikant door sommigen geroemd en door anderen niet altijd naar waarde geschat. Maar is er iets mis met toegankelijke jazz?
Misschien is het een bewijs van integratie, maar een literatuur van allochtonen of ‘nieuwe Belgen’ komt in Vlaanderen maar moeilijk van de grond. De reden daarvoor is voor een deel ongetwijfeld een individueel gebrek aan talent, maar er schort ook wat aan hoe die literatuur door ons allemaal (de overheid, het leespubliek, de literaire kritiek en de schrijvers zelf) gebruikelijk wordt benaderd.
Waarom kunst over kunst? Voor wie het Vlaamse theater een beetje volgt, dringt zich tegenwoordig geen fundamentelere vraag op. Eén op drie voorstellingen gaat over kunstenaars, over creëren of acteren en de twijfel die daar blijkbaar bij komt kijken. Theater in tijden van subsidiedossiers? De verplichte beleidsmatige zelfbevraging die ook het podium besmet? Er is meer aan de hand, toont de spijtige mislukking die Kunstminnende heeren bij het Toneelhuis is geworden.
In het kasteel van Gaasbeek was een vergeten markiezin de kapstok waaraan een tentoonstelling van hedendaagse kitschkunst werd opgehangen. Of was het omgekeerd? Hoe dan ook: kitsch is helemaal terug, van Jeff Koons in Versailles tot een trits kleinere goden in de Brusselse rand.
Beste Patrick Riguelle,
Aan u valt werkelijk niet te ontkomen. Al minstens honderd jaar bent u de frontman van een combo dat De Laatste Show van deuntjes, tunes en ander geriedel voorziet. In een vlaag van magnifieke genialiteit heeft dat combo zichzelf De Laatste Show Band gedoopt. Voorwaar een visionaire naam is dat, let op mijn woorden.
auteurs Omar Jabary Salamanca, Barbara Van Dyck, Pascal Debruyne
In november en december was in Brussel de tentoonstelling Decolonizing Architecture te zien, het resultaat van een samenwerkingsverband van de in Bethlehem en Londen gebaseerde architecten Sandi Hilal, Alessandro Petti en Eyal Weizman. De tentoonstelling experimenteert met het ontwerpen van mogelijke architecturale interventies om de Israëlische bezettingsarchitectuur in de Palestijnse gebieden te beëindigen. Dit leidt tot verfrissende inzichten, maar roept ook vragen op.
Het hoofd van Theodor Herzl in zwarte graffiti. Op de muren van de hele stad, op elektriciteitskabines, kiosken en straatstenen. Onder zijn lange baard de belangrijkste woorden uit Alt-Neuland, zijn Joods-utopische roman uit 1902: ‘als je het echt wil, is het geen sprookje meer’. Tel Aviv, waar witte Bauhaus-villa’s het waargemaakte sprookje belichamen, is de realisatie van die Joods-Europese utopie, de enige plek waar ‘Zion’ in haar oorspronkelijke betekenis zichtbaar is, als de nieuwe, moderne aanvang van het Bijbelse Land van Israël. Voor cynici is Bauhaus ondertussen een herinnering aan de blinde naïviteit van de Joodse pioniers. Maar de stijl overleefde, net als de droom.
Honderd jaar geleden, op 20 februari 1909, publiceerde Filippo Tommaso Marinetti in de Franse krant Le Figaro zijn virulente futuristische manifest dat een haast onstuitbare stroom van gelijkaardige geschriften heeft geïnspireerd. Het manifest was, volgens sommigen, de geboorteakte van de ‘moderne kunst’. Toch bleven die ferm geformuleerde revolutionaire intenties na de Tweede Wereldoorlog lange tijd onderkend. Marinetti was verdacht, omdat hij dweepte met het gedachtegoed van Mussolini; de futuristen lieten zich leiden door een fascino del fascismo, ‘een bekoring van het fascisme’. Die fascinatie blijkt evenwel aanzienlijk gecompliceerder dan algemeen wordt aangenomen. In het Parijse Centre Pompidou krijgt de beweging nu een mild eerherstel, op de expositie Le futurisme à Paris, une avant-garde explosive. Zonder exuberantie, maar ook zonder het chauvinisme dat lange tijd een meer afgewogen inschatting van haar historische rol belette.
In dit nieuwe format wordt ingezoomd op een actueel artistiek kleinood: één song, één foto, één dialoog … Wie het kleine niet eert, ziet het grote verkeerd.
In april 2008 maakte de reisvergelijkingssite Tripadvisor de resultaten bekend van een enquête die peilde naar de toeristische appreciatie van de belangrijkste Europese steden. Onze hoofdstad kwam toen uit de bus als de saaiste stad van het oude continent, wat heel wat verontwaardiging uitlokte onder Brusselaars.
Dat de States de voorbije acht jaar een hoogst controversiële rol in de internationale politiek hebben gespeeld, is bekend. Maar wat hadden de Amerikaanse podiumkunsten daar intussen van terug? In Portland, Oregon peilden we de temperatuur van het politieke theater van over de plas. Is het mogelijk om tegelijk poppy én subversief te zijn?
auteurs Wouter Hillaert en Simon Van Den Berg
Geen Vlaming of Nederlander die de grens oversteekt, of hij komt terug met de indruk dat het theater aan weerskanten uiteendrijft. Over het aantal Vlaamse voorstellingen in Nederland bestaan er cijfers, over de verschillen in cultuurbeleid is er gedegen onderzoek. Maar over de artistieke kant van dat aangevoelde verschil leven alleen clichés. Reden genoeg voor Simon van den Berg, recensent voor Het Parool, en zijn Vlaamse collega Wouter Hillaert van De Morgen om eens dieper op die kwestie door te gaan. Elke maand sturen ze elkaar naar een nieuwe Vlaamse of Nederlandse voorstelling, en kruisen ze daarover de pennen. Niet alleen in rekto:verso, maar ook in het Nederlandse theatervakblad Theatermaker. Allemaal ter eer en glorie van beide naties en vorstenhuizen... Lees deel 1 uit rekto:verso 32 hier.
Het schijnt dat Michael Stipe (REM) de States gaat verlaten als John McCain de verkiezingen wint (bij het ter perse gaan van deze rekto:verso is er nog niet gestemd). Een verdienstelijke poging om de Democraten een duwtje in de rug te geven en de Obama-mania een artistieke portie EPO toe te dienen. Het doet denken aan de verenigde krachten van de Franse hiphopscene (maar ook andere muzikanten) om Le Pen tegen te houden in de tweede ronde van de ‘Présidentielles’ van 2002.
In memoriam: Ritsaert ten Cate (1938-2008), ontwerper van publieke ruimtes
Hoe kan kunst nog politiek zijn? Terwijl het theater van de jaren 1970 expliciet de politieke discussie aanwakkerde, lijkt de kunstpraktijk vandaag moeilijker en moeilijker in staat te zijn een rol in de publieke ruimte in te nemen. Dissensus wordt daarbij angstvallig gemeden. Toch vormt die de essentie van de publieke ruimte, zo betoogt de Belgische politicologe Chantal Mouffe in haar recent vertaalde boek Over het politieke. En ook al doet ze in dat boek geen uitspraken over kunst, toch levert Mouffe een aantal mogelijke denkpistes, voor kunstenaars, beleidsmakers en al wie met de rol van kunst in de samenleving begaan is.
Over de prachtige scenografie en de indrukwekkende acteerprestaties van Ivo Van Hoves Romeinse Tragedies bij Toneelgroep Amsterdam is al veel inkt gevloeid. Minstens zo interessant aan deze zes uur durende marathonvoorstelling is het parallelle verhaal van de toeschouwers, vrij maar steeds gestuurd. Dat wij de kans kregen om te gaan en te staan waar we wilden, binnen net drie tragedies rond verschuivende politieke structuren en de rol van democratie daarin, kan geen toeval zijn. Of toch?
Via een kunstgreep herinnert beeldend kunstenaar Hans Op de Beeck de mens aan zijn oorspronkelijke omgeving. Op uitnodiging van het Holland Festival bouwde hij een gelaagde interpretatie van het festivalthema ‘Cielo e Terra’. Wat is de plaats van de menselijke soort?
Sinds het begin van het nieuwe millennium, met de opkomst van Jörg Haider en de FPÖ in Oostenrijk, worden de West-Europese democratieën op een verhevigde manier geteisterd door een ‘populisme’ dat in zijn slogans (of ‘oplossingen’) niet zelden de vloer aanveegt met de principes van de democratie zelf. Met figuren als Filip Dewinter, Jean-Marie Dedecker, Pim Fortuyn, Rita Verdonck en Geert Wilders is dat ‘duistere populisme’ bij ons vooral van extreem of toch radicaal rechtse signatuur, maar exclusief rechts is het niet.
Dagelijks pendel ik over en weer tussen de hoogopgeleide omgeving waarin ik werk en de laagopgeleide omgeving waarin ik woon en waarin ik op sociaal en politiek vlak erg actief ben. Checkpoint Charlie tussen beide werelden bevindt zich in mijn partij, de SP.a. Die telt immers nog steeds zeer veel laaggeschoolde leden, maar wordt bijna exclusief geleid door hooggeschoolden. Nochtans is een diploma een nodige, maar zeker geen voldoende voorwaarde om Checkpoint Charlie te passeren en in de hogere regionen van de partij te vertoeven.
Ik geloof niet in een verlicht populisme. Het populisme verdraagt geen daglicht. Het teert op donkere onderbuikgevoelens – niet op het erkennen daarvan, maar op het bewust cultiveren ervan, op duistere beloften die de schaduw in vluchten zodra ze met de realiteit geconfronteerd worden, op verdonkeremaande gevoelens van collectieve zelfzekerheid, die alleen vol te houden zijn op de kap van een ander: dé politiek, dé vreemdeling, dé rijken of dé armen.
Eerlijk gezegd ben ik nogal geschrokken van het pleidooi van David Van Reybrouck om het populisme te neutraliseren door meer ‘laagopgeleiden’ in het parlement binnen te loodsen. Alsof het bij uitstek laagopgeleiden zijn die gevoelig zijn voor populistische propaganda en alsof je aan die propaganda en de desastreuze gevolgen ervan een eind kan maken door de meest achterlijken onder ons tot volksvertegenwoordiger te bombarderen.
Langzamerhand beseffen we dat populisme geen incident of tijdelijke aberratie is: een reinigingsritueel dat het politieke bedrijf kortstondig heeft opgeschud voordat het zijn normale gangetje weer kon hernemen. Populisme is here to stay, het gaat in elk geval niet vanzelf weg, en het kan dus beter worden benaderd als een uitdaging dan als een bedreiging voor het bestaande politieke bestel. Ook omdat het niet simpelweg in de rechterhoek kan worden gedrukt: populisme manifesteert zich evengoed aan de linkerkant van het politieke spectrum, zoals de avonturen van Peter R. de Vries, Jan Marijnissen en Wouter Bos hebben laten zien. Bovendien hebben populistische politici eerder én effectiever dan hun traditionele tegenvoeters weten in te haken op de personalistische tendensen van de huidige mediademocratie.
‘In het politieke veld vervallen de meesten in primitieve redeneringen en vooroordelen die zij in het dagelijkse leven als infantiel zouden beschouwen’, wist politiek econoom Joseph Schumpeter. Het populisme van links en rechts speelt daar gretig op in. Nochtans liggen de randvoorwaarden voor het doorbreken van het populisme vervat in de democratie zelf.
Een meisje, een zes, zeven jaar oud, ligt in haar bloemenjurk op een bed. Ze kijkt naar een jongen van ongeveer dezelfde leeftijd die op de rand van dat bed zit. Haar blik is licht melancholisch en sluit mooi aan bij de sepiatinten van het beeld. Hij kijkt weg van haar, starend in een groot onnoemelijk gat. Zijn blik is dromerig, het lijkt wel of hij op huilen staat, zo diepbedroefd kijken zijn ogen van de wereld en het meisje weg. Er moet iets gebeurd zijn tussen die twee, hij heeft haar pijn gedaan of zij hem, zo vertelt ons de zinderende leegte tussen beide, een leegte die onze volwassen blik maar al te goed te herkent. De jongen lijkt jaren schuldgevoel en seksuele wroeging met zich mee te torsen, het meisje lijkt te weten dat nu de jaren van onschuld definitief voorbij zijn. Alleen: het zijn kinderen.
Dit jaar verscheen totaal onverwacht, en zonder de heisa die men wel zou verwachten, Ik Jan Cremer Derde Boek, waarvan de titel als zelfverklarend mag worden beschouwd. Critici hebben nooit goed raad geweten met Jan Cremer (°20 april 1940). Met zijn eersteling, de schelmenroman Ik Jan Cremer (1964), maakte hij zoveel controverse los dat literaire respectabiliteit hem sindsdien lijkt te ontsnappen. In die hele heisa gaat echter het gevoel verloren voor de complexiteit van Cremers bedrieglijk vanzelfsprekende proza.
Toeval bestaat niet, zegt het cliché, maar in de nieuwe roman van de Duitse schrijfster Juli Zeh (1974) speelt het wel een erg cruciale rol. Dat stelde ook Zehs Vlaamse collega Jeroen Theunissen vast. Sterker nog: toen hij Vrije val las, ontdekte hij dat het toeval uit het boek van Zeh zich als het ware tot in zijn eigen net voltooide (en ondertussen ook gepubliceerde) roman heeft doorgezet. De beide boeken vertonen immers enkele opmerkelijke parallellen. In deze tekst maakt Theunissen zelf de analyse van een wel erg toevallige verwantschap.
Batman mag een nominatie in ontvangst nemen voor comeback kid van de eenentwintigste eeuw. In de jaren 1990, en zeker na het desastreuze Batman and Robin (Joel Schumacher, 1997) leek het tijdperk van de actieheld in zijn vleermuispak totaal voorbij. Maar Batman Begins (2005) bleek een geslaagde en hoog gewaardeerde herstart. Christopher Nolan, begonnen als regisseur van kleine maar verrassende arthousefilms als Following (1998) en Memento (2000), mocht daarna ook voor het vervolg tekenen. Met The Dark Knight maakte hij niet alleen de zomerkaskraker van het jaar die allerlei bezoekerrecords deed sneuvelen.
auteurs Wouter Hillaert en Simon Van Den Berg
Geen Vlaming of Nederlander die de grens oversteekt, of hij komt terug met de indruk dat het theater aan weerskanten uiteendrijft. Over het aantal Vlaamse voorstellingen in Nederland bestaan er cijfers, over de verschillen in cultuurbeleid is er gedegen onderzoek. Maar over de artistieke kant van dat aangevoelde verschil leven alleen clichés. Reden genoeg voor Simon van den Berg, recensent voor Het Parool, en zijn Vlaamse collega Wouter Hillaert van De Morgen om eens dieper op die kwestie door te gaan. Elke maand sturen ze elkaar naar een nieuwe Vlaamse of Nederlandse voorstelling, en kruisen ze daarover de pennen. Niet alleen in rekto:verso, maar ook in het Nederlandse theatervakblad Theatermaker. Allemaal ter eer en glorie van beide naties en vorstenhuizen...
Vorig jaar verscheen de langverwachte bloemlezing van Liliane Wouters en Yves Namur Poètes aujourd’hui. Un panorama de la poésie francophone de Belgique. Het boek bundelt gedichten van alle nog levende Franstalige dichters uit België (inclusief Vlaanderen, want er is nog steeds een niet onbelangrijk aantal Vlamingen dat in het Frans actief is, gaande van Frans De Haes tot Elke De Rycke), ongeacht de strekking die ze vertegenwoordigen of hun leeftijd. De presentatie van het volume is chronologisch. De bloemlezing begint met Henri Bauchau (1913), allicht beter bekend als romancier dan als dichter, en eindigt met Pascal Leclercq (1975), wat lijkt te suggereren dat er in de huidige generatie geen wonderkinderen rondlopen zoals Eugène Satizkaya, die in 1972 op 17-jarige leeftijd een opgemerkt internationaal debuut maakte met Mongolie plaine sale. Ook hij zal echter later vooral als romanschrijver bij het grote publiek bekend worden.
De nieuwe biografie van Anna Nicole Smith, Une chic fille, leek een doos van Pandora: een vreemd fenomeen op zich, schijnbaar onschuldig, maar eenmaal open een doos vol vuile ontdekkingen. Maar laten we niet vooruitlopen – u bent waarschijnlijk al blijven steken bij de Anna Nicole Wiedattum-ook-alweer? En het begon ook bij mij allemaal met naïeve verwondering: als een deus ex machina belandde het boek op mijn bureau.
De films van de Oostenrijkse cineast Ulrich Seidl zijn geen publiekstrekkers. Daarvoor liggen ze iets te zwaar op de maag. In Brugge mocht zijn nieuwste film Import/Export (2007) zeven vertoningen genieten, waarvan de meeste waren weggestopt in de laatavondprogrammatie. Ik was aanwezig bij vertoning nummer drie. Er zaten nog vier andere mensen in de zaal, waarvan één medewerker van de bioscoop. De afwezigen hadden niet zozeer ongelijk. Ze hadden een slecht geweten.
Interessanter nog dan de vraag of het recent uitgebrachte The Fall (Tarsem Singh, 2006) een goede film is, is de vraag waarom critici er zo moeilijk raad mee weten. Jan Pieter Ekker was in de Volkskrant tamelijk positief over de bombastische film vanwege zijn overdonderende beeldenstroom, maar eindigde zijn recensie met twijfel. Tarsems film is ‘misschien ook wel een tikkeltje leeg. Maar dat besef komt pas lang nadat de film is afgelopen en je je verwonderd afvraagt waar je nu precies naar hebt zitten kijken.’1 In De Filmkrant vergelijkt Ronald Rovers The Fall met pover ontvangen films als Southland Tales (Richard Kelly, 2006) en The Fountain (Darren Aronofsky, 2006). Zijn deze films te beschouwen als junkfood of, zo oppert Rovers, zijn ze stiekem iets nieuws aan het doen?2
Het gordijn schuift opzij. Je brengt een hand naar je ogen. Licht verblindt. Stemmen. Er zijn mensen. Je hoort stemmen. Je doet een stap naar voren. Je ziet niemand, nog niet, maar je hoort mensen. Harder nu dan net. Nog een stap. Je ogen raken gewend. De gezichten op de eerste rij worden herkenbaar. Je test de microfoon met twee droge tikken. De fluittoon van de feedback. Weer twee tikken. Je begint een gedicht: ‘You there! Thou bird of the golden wing: how happily would you fit into my nest. You there! … You there! … You people of the planet earth forget yesterday and sorrow fly away with me to my ever living world of tomorrow.’
Madonna en Prince vierden deze zomer hun vijftigste verjaardag. Tom Van de Voorde surfte naar de States op zoek naar het mysterieuze ‘het’ dat de popmuziek sinds jaar en dag haar aura verleent. Hij schudde de kraaienpootjes van zijn vroegere pophelden, telde hun rimpels en keek diep in de ogen van de popgeschiedenis.
Beste Sven Ornelis,
Al een hele tijd presenteert u samen met uw maatje Erwin Deckers een programma op de radio. Het foute uur heet dat programma. Omdat ook u recht hebt op juiste informatie, laat ik u bij deze even weten dat Het foute uur een verfoeilijk kutprogramma is.
Ten zuiden van de rivier is een roman van Blake Morrison over het Groot-Brittanië van Tony Blair, het Londen van schrijvers, reclamejongens en journalisten, en over de vos in u en mij. Het boek zat in de selectie van de Literaire Lente, een initiatief van Boek.be, dat deze roman misschien beter als herfstpromotie had aangeboden, want fleurig kun je Morrisons schets van de Britse samenleving en het politieke systeem van dat land bepaald niet noemen. In plaats daarvan is Ten zuiden van de rivier wel een uiterst genietbare en zeer relevante roman, omdat Morrison er gelijktijdig in slaagt om een geloofwaardige microkosmos voor zijn personages neer te zetten én een panoramisch beeld te schetsen van een almaar kleiner wordend Groot-Brittannië, dat vergeven is van beesten.
Drie toneelteksten liet de Brit Dennis Kelly dit seizoen los op onze podia. En dan hadden we de komische tv-serie Pulling nog niet gezien. Als u het ons vraagt, is Kelly een dramatisch polsstokspringer: neemt een verre aanloop bij genoegzaam bekende schrijftechnieken, om vervolgens over het boosaardige in-yer-face theatre te wippen. Blind geweld, uptempo scènetjes en rauwe kreten hoeven bij hem niet meer zonodig. Maar als het niet meer op uw smoel is, waar dan wel?
Hoe komt een avant-gardeband met een verleden in de postpunk, de krakersbeweging en de industrial weg met een toegankelijke popplaat? Het is een vraag die zich opdringt na beluistering van Alles wieder offen, de jongste cd van Einstürzende Neubauten.
Het moet zowat het mooiste zijn dat je te zien kunt krijgen als het gaat om Amerikaanse muziek uit de twintigste eeuw: Johnny Cash en Louis Armstrong die in 1970 samen ‘Blue Yodel #9’ spelen, een nummer van Jimmie Rodgers, ‘the father of country music’. Armstrong is op dat moment al zeventig jaar oud en zal tien maanden later sterven. Zijn dokters hadden hem geadviseerd geen trompet meer te spelen, maar zoiets vraag je uiteraard niet van een muzikant. Het allermooiste zijn echter de momenten waarop Armstrong de trompet even stilhoudt en Cash volgt wanneer die Rodgers’ karakteristieke jodel inzet. Wat hij dan doet kun je misschien bezwaarlijk zingen noemen, maar het is wel van de meest zuivere en ontroerende muzikaliteit.
Paul Thomas Andersons There Will Be Blood (2007) is een macht die over je heen gaat. Met adembenemende vaart raast de film door het levensverhaal van Daniel Plainview (Daniel Day-Lewis), een oliebaron die zijn ziel verkoopt voor olie. Op zijn weg naar de verdoemenis kruist hij echter het pad van Eli Sunday (Paul Dano), een prairieprediker die even intens van God houdt als Plainview van zijn dollars. Zo stelt Anderson de twee Amerikaanse grootmachten van vandaag tegenover elkaar: God en Kapitaal. De tweestrijd die zich vervolgens ontwikkelt, is een Great American Novel waardig (is met name gebaseerd op een roman van Upton Sinclair) en loopt over van Bijbelse thema’s. Amerika mag zich dan al graag een ‘Natie Onder God’ wanen, Anderson haalt dit zelfbeeld genadeloos onderuit en slaat het ‘with great vengeance and furious anger’ aan diggelen.
In maart stond het Gentse kunstencentrum Vooruit te koop gedurende hun festival The Game Is Up! Art for Sale. Qua marktwaarde klonk dat in elk geval veelbelovend want het kunstencentrum had nog maar net de Vlaamse cultuurprijs 2007 gewonnen. De anekdote doet overigens de ronde dat er op een rustig moment tijdens deze drukke tiendaagse twee Pakistani het café binnenwandelden om als ernstige kandidaat-kopers over de vraagprijs te onderhandelen. Welke intenties zij met deze kunsttempel hadden (moskee, mega nachtwinkel of Oosterse lusttuin?) is niet bekend. Wat we intussen wel weten is dat de werkelijkheid met dit absurde voorval de verbeelding eens niet overtrof. Met Art for Sale had Vooruit namelijk een grandioos gamma aan kunstenaars in aanbieding – veelal gratis of met korting – die de vrije markt en onze consumptiezucht als onderwerp namen voor een artistiek experiment.
‘t Arsenaal bracht De collega’’s terug op de planken en maakte daarmee de cirkel rond. De collega’s was ooit een toneelstuk van het Mechels Miniatuur Theater, de voorvader van ‘t Arsenaal. Het is lang geleden, in 1976 met name, het jaar met die fameuze hete zomer, en op een van die zomerdagen speelt het stuk zich af – de hitte die iedereen teistert staat symbool voor de verhitte gemoederen op het bureau.
De scenarist Jan Matterne had met het idee voor een kantoorserie bij de BRT aangeklopt, maar de omroep kreeg pas interesse toen de toneelversie liep als een trein. De televisiereeks kwam er alsnog, liep vanaf 1978 drie seizoenen lang en werd een fameus succes. De BRT zat toen nog stevig in het zadel als monopolist en uitzendingen van De collega’s haalden tot twee miljoen kijkers.
Over niets bestond het voorbije literaire voorjaar zoveel consensus als over de nieuwe roman van Charlotte Mutsaers, het ‘vuistdikke meesterwerk’ Koetsier Herfst. Het boek werd een ‘explosie van stijl en creativiteit’ genoemd, ‘bijzonder geslaagd’, ‘verrassend, eigenzinnig en volstrekt origineel’. Bart Vervaeck loofde in De leeswolf Mutsaers’ ‘indrukwekkende stijl’ en ‘de laconieke verteltoon, scherpe ironie en beeldende, zintuiglijke beschrijving’ van het ‘prachtige boek’, terwijl Sofie Gielis in De Standaard der Letteren haast van een magnum opus of orgelpunt gewaagde – ware het niet dat daarin de ongewenste connotatie van ‘sluitstuk’ meeklonk. Het was allemaal perfect voorspelbaar. En ik kon er mij volkomen in vinden.
Toen in maart plots meerdere theatergroepen met hetzelfde soort deurenkomedies uit de garderobe vielen, hadden ze ook allen hetzelfde wegwuivende antwoord klaar op de vraag waarom ze juist met meer waren. Gewoon, toeval! Toeval? Hangt de klucht in de lucht, dan is dat niet om te lachen. Of toch? Best verwarrend voor de zure criticus in mij: ineens moest hij eens serieus gaan klappen met zijn zoete collega. Over hoog en laag en de breuktijd die op til lijkt. Wat is wenselijk, wat verdacht?
Jan Cox (1919-1980) is één van de belangrijkste Vlaamse schilders van na de Tweede Wereldoorlog. Tijdens zijn leven was hij echter een buitenbeentje: hij schilderde figuratief en niet abstract zoals de tijdsgeest het voorschreef. En hij was een intellectueel die zijn inspiratie zocht in de Griekse mythologie, in een tijd dat de individuele expressie voorop stond en intellectualisme taboe was in de kunstwereld. Bovendien bracht Cox haast een kwarteeuw door in de Verenigde Staten, in New York en Boston. In het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen loopt nu een thematisch georganiseerde overzichtstentoonstelling van zijn werk.
‘Succes is ongezond voor mij. Als té veel mensen van mijn songs gaan houden, krijg ik het gevoel dat ze niet meer van mij zijn.’ Die angst weerhoudt artistieke duizendpoot Rudy Trouvé er niet van om met een inmiddels ontelbaar aantal bands elk podium, hoe klein ook, te beklimmen en muziek te produceren aan een tempo waar wijlen Frank Zappa een puntje aan kan zuigen. Voor Trouvé klopt die paradox niet alleen als een bus, ze vormt ook de kern van zijn recente werk. Songs and Stuff Recorded Between 2003 and 2007 heet het (voorlopig) laatste deel van een trilogie, en wijdbeense stadionrock en sing-alongs moet je daarop niet verwachten. Met deze plaat blijkt Trouvé een soort rust gevonden te hebben, een evenwicht dat, ondanks de tijdsspanne waarin het album is opgenomen, op de twee eerdere delen, 1999-2002 en 2002-2003, wel eens ontbrak.
Wie ook maar een beetje cinemagevoel bezit, kan niet anders dan kijkplezier beleven aan al die zelfverklaarde B-films die de laatste jaren enigszins contradictoir met fikse A-budgetten worden ingeblikt. Zowel het mainstream- als het arthousepubliek lusten er kennelijk pap van, en waarom ook niet? Ze zijn vaak gemaakt door rasfilmers, met visuele flair, vormelijke verbeelding, knapbezette casts en veel, veel humor. En ze hebben het oeuvre van een paar vergeten broodfilmers weer onder de aandacht gebracht, type Jack Hill. Maar bekijk een paar films van diezelfde Jack Hill, en je weet wat deze recentere films missen: inhoud, betrokkenheid en een kritische blik.
Door Christophe van Gerrewey en Kevin Absillis
De dood van Hugo Claus zorgde in de Vlaamse pers voor een zelden geziene lawine van reacties en in memoriams. Er nog eens een tekst aan toevoegen leek ons overbodig, tenzij we een stem aan het woord konden laten die een ander licht zou werpen op de ontvangst van Claus’ oeuvre of die iets fundamenteels zou toevoegen aan de monumentalisering die zich de laatste weken heeft voorgedaan. Waarom treuren we eigenlijk bij de dood van een auteur als Claus, vraagt Christophe Van Gerrewey zich af. En hoe kan het dat die ondanks dat leger van exegeten met een imago door het leven ging, dat eigenlijk niet met de werkelijkheid strookte? Kevin Absillis reconstrueert de feiten, achter de ideologische mist. Kritiek als eresaluut.
In een bekend gedicht van Rutger Kopland stapt een moeder langzaam op haar kind toe om het niet te laten schrikken, neemt het voorzichtig op om het niet te beschadigen en slaat dan keihard. Iets gelijkaardigs gebeurt in de films van de Koreaanse regisseur Kim Ki-Duk (Seoul, °1960). Zijn films zijn doorgaans een streling voor het oog en lijken op het eerste gezicht enigszins bizarre liefdesverhalen die nu en dan door brutale schokeffecten worden doorboord. Maar dat is slechts schijn.
door Karel Vanhaesebrouck en Jeroen Rombaut
Vroeger was de wereld eenvoudig en overzichtelijk. Net zoals de jeugdcultuur. Johnny’s en Marina’s stonden er lijnrecht tegenover new wavers, Chevignon tegenover zwarte slobbertruien, gel tegenover eyeliner, La Rocca tegenover den Twieoo in Gent, camino’s tegenover, euh, de bus. Je stond aan een van beide zijden, tussenin was er enkel saaiheid en kleurloosheid.
Van alle bedreigingen waar we vandaag mee te kampen hebben, is een van de meest onderschatte zeker het Grote Betekenismonster. Werkelijk alles wil de mens duiden, betekenis geven, kwalificeren. Het monster eist scherpe keuzes: zwart of wit, voor of tegen. Zonder heldere standpunten ben je in deze onzekere tijden niks, want je mening is je identiteit. Gelukkig zijn er nog mensen die niet in zijn klauwen gevallen zijn. Theatermaker Lotte van den Berg is er één van. Met haar nieuwste productie Winterverblijf toont ze dat de kracht van het zoeken groter is dan die van het duiden.
Het Mexicaanse Stellet licht (Carlos Reygadas, 2007) biedt een mooie kijk op twee cruciale tendensen binnen de hedendaagse cinema. De ï¬ÂÂlm belicht een speciï¬ÂÂeke regionale cultuur, terwijl zijn stijl en beeldtaal onmiskenbaar gericht zijn op een internationaal publiek. Daarnaast toont hij dat de typische esthetische criteria van de Europese art cinema nu geëxporteerd zijn naar allerlei buitenwestelijke gebieden. De nazaten van regisseurs als Michelangelo Antonioni, Robert Bresson en Andrei Tarkovski vinden we vandaag vooral buiten Europa.
Toen Takashi Miikes verï¬Âlming van Ryu Murakami’s boek Audition enkele jaren terug in het reguliere Belgische cinemacircuit werd uitgebracht, bleek dat niet alleen Miikes beste werk tot nog toe te zijn, het was ook één van die extreem verontrustende ï¬Âlmervaringen waar minstens de helft van het publiek tijdens de sadistische ontknoping de zaal verliet. Eerder tekende Murakami zelf al voor de regie van een andere titel uit zijn eigen oeuvre, de al even ophefmakende schandaalï¬Âlm Tokyo Decadence. Die prent dateert van 1992, maar werd recentelijk in België opnieuw op dvd uitgebracht. Hoe raakt dit schrijnende relaas van een timide SM-hoertje ons vandaag de dag: als een sensatiebelust vehikel voor een belegen maatschappijkritische boodschap? Of herontdekken we een gestileerd pareltje uit de Japanse cultcatalogus?
In theater lijkt religie waarlijk heropgestaan. Bijbelteksten en katholieke oersymbolen mogen weer, en de Vader daalt in allerlei varianten op de podia neer. Kamp Jezus vormt daar geen uitzondering op, wel integendeel. De acteurs van Wunderbaum zingen uit volle borst en lijken moeiteloos tot en over God te praten. Maar hoe zeg je iets zinnigs over zingeving, zonder aan den lijve te ervaren wat geloof is? Hoe prikkelend kan theater zijn als het wil spelen met een onderwerp als — godbetert — religie?
Maandag 28 december 1992. Ik stapte het Stedelijk Museum van Amsterdam binnen voor de tentoonstelling Jeff Koons. Michael Jackson was er ook, in gezelschap van zijn lievelingschimpansee Bubbles. Buster Keaton zat schrijlings op een ezel. De Pink Panther werd stevig omhelsd door een blonde stoot. Zo ging het maar door. Teddyberen, bloemtuilen, een metalen konijn. Telkens uitgevoerd in drie dimensies en in grote maten.
Op 2 december 2004 overleed Kevin Coyne in het Duitse Nürnberg na een lange, slepende ziekte, zoals dat heet. Coyne was een musician’s musician, op handen gedragen door onder anderen Police-gitarist Andy Summers, rockgoeroe John Peel en, dichter bij huis, Arno Hintjens en Patrick Riguelle. Tijdens de jaren 1970 trok hij volle zalen en de Brit hoort thuis in het rijtje van groten als Captain Beefheart en Syd Barrett. Zijn originele invulling van de blues en invloed op de Britse folkrockbeweging zijn allerminst gering te noemen. Zappend door radioland wordt duidelijk dat dergelijke excentriekelingen geen plaats meer vinden in de ether, dat tot een verzamelplaats verworden is van platte eenheidsworst waar veelal ziel en intensiteit vakkundig is uitgeknepen.
Voor het gemak zou je het genre dat Ken Loach beoefent ‘sociale cinema’ kunnen noemen. Films die naast een goed verhaal, de kijker een geweten proberen te schoppen. In The Wind That Shakes the Barley (2006), over de Ierse onafhankelijkheidsstrijd, en Land and Freedom (1995), over de Spaanse burgeroorlog, ging Loach het over de grenzen zoeken, maar op zijn best is hij als hij verhalen vertelt die dichter bij huis spelen. Zo is Riff Raff (1990), met Robert Carlyle, een film die diepe indruk op mij maakte. Vaak vertelt Loach het verhaal van een individu tegen het licht van de grote geschiedenis. Het verhaal van een kleine man in de grote wereld. Of hoe la petite histoire ons meer inzicht kan geven in la grande histoire, en zelfs relevanter kan zijn. Want als het goed gebracht wordt, kan een fictief of half fictief verhaal ons meer vertellen over de werkelijkheid dan een documentaire of een geschiedenisboek.
In Wat is de wat schrijft Dave Eggers de ‘fictionele autobiografie’ van Valentino Achak Deng. Die overleefde de gruwelijke burgeroorlog die Soedan tussen 1983 en 2005 teisterde. Zijn jeugd was een langgerekte vluchtpoging: eerst naar veiliger oorden in zijn eigen land, dan naar de vluchtelingenkampen in Ethiopië en Kenia en uiteindelijk naar de Verenigde Staten, waar zijn leven wel comfortabeler maar niet vanzelfsprekender werd. De manier waarop het verhaal van Valentino verteld wordt, levert een document op dat elk vleugje cynisme in de kiem smoort: Eggers zet ons immers met de rug tegen de muur, en dat doet pijn.
Jan Blommaert is een intellectueel en dat mag iedereen weten. In zijn nieuwste boek De crisis van de democratie actualiseert hij een aantal inzichten die hij eerder al met verve uitwerkte. Hij richt zijn pijlen meer dan ooit op de media. Die hebben van feiten, duiding en kritiek louter koopwaar gemaakt. ‘De nood is hoog, de redding niet meteen nabij’, verzucht hij. Karl van den Broeck, hoofdredacteur van Knack, las het boek en doet een constructief voorstel.
Hoe boeiend kan een serie over een aantal ‘wanhopige huiswijven’ uit de Amerikaanse suburbia zijn? Zéér, als we mogen afgaan op de gigantische kijkcijfers van Desperate Housewives. De meer dan 120 miljoen kijkers én de critici spraken grote waardering voor deze serie uit, omdat ze de hypocrisie van de hedendaagse Amerikaanse samenleving genadeloos zou blootleggen. Maar doet de serie dat eigenlijk wel?
Soms stoot je op van die voorstellingen die al de rest in theaterland in een ander daglicht zetten. Glanzen van Lampe en De Koe werd er zo een, een paar speelbeurten na de mislukte première. Tegenover economische wetmatigheden verdedigen Claudia Schiffer en David Copperfield met veel plezier terug meer metafysica in theater. En werkelijk: een plus een maakt hier drie.
In het kader van zijn comeback volgde netwerkman Pat Donnez geruime tijd onder cover. Het leverde een intrigante reportage op over het nachtelijke bestaan van deze frisse poëet. ‘Al sla ik jou dood, jij zult niet onthouden/hoe mijn winden klonken.’ Terecht verwoord.
De eerste Amerikaanse langspeelfilm, The Great Train Robbery uit 1903, was een western. In de daaropvolgende eeuw is het Amerikaanse oergenre verschillende keren dood en begraven verklaard, maar het herrees telkens uit zijn as. Zo werd het steeds meer gelaagd en slopen er rijkere karaktertekeningen en complexere moraalfilosofische vragen in. The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford is het meest recente voorbeeld, en meteen een meer dan geslaagde illustratie van de mogelijkheden die de western nog te bieden heeft.
Een jaar na de aanslagen op de WTC-torens in New York verscheen in Frankrijk het boek La maladie de l’islam (2002), dat zopas vertaald werd als De ziekte van de islam (2007). Wie op de titel afgaat, en de (oorspronkelijke) context van de publicatie in rekening brengt, vermoedt een islamofoob en racistisch boek, maar niets is minder waar. De ziekte van de islam werd geschreven door de Frans-Tunesische Abdelwahab Meddeb, docent vergelijkende literatuurwetenschap aan de universiteit van Parijs en vooral bekend van het wekelijkse programma Cultures d'islam op France Culture. Zijn boek is juist een onmisbare bijdrage aan het islamdebat dat vandaag overal gevoerd wordt, vooral dan omdat het ook het interne debat bevordert.
Met veel poeha kondigde het Centre Pompidou een tentoonstelling over/van/met Jean-Luc Godard aan, die uiteindelijk plaatsvond in de zomer van 2006 maar uitliep op een anticlimax nadat de meester zelve zich uit het project had terug getrokken en zich van het resultaat distantieerde met behulp van een geschreven statement. De dvd-versie van zijn monumentaal videowerk, Histoire(s) du cinéma (1988-98), liet intussen op zich wachten. Er circuleerden allerhande geruchten over onvermijdelijke conflicten tussen de cineast en de producenten van de dvd. Maar uiteindelijk is hij er nu toch.
Zeven november tweeduizend en zeven, twaalf uur ‘s middags. Terwijl formateur Yves Leterme de communautaire eindjes aan elkaar probeert te knopen – op die dag zullen de Vlaamse partijen met hun eenzijdige stemming over de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde een nieuwe scheur in het fragiele communautaire weefsel van België veroorzaken – schuif ik in de KVS aan tafel voor een gesprek met dramaturg Ivo Kuyl en acteur Guy Dermul over toneel maken in Brussel, en meer bepaald over de rol die het Vlaamse verleden daarin speelt.
Happy New Ears is een festival voor nieuwe muziek in Kortrijk en Rijsel, al gaat het niet alleen om muziek. De organisatoren gaan op zoek naar de raaklijnen tussen muziek en andere kunstvormen. Tussen muziek en beeld, bijvoorbeeld. Cubing, een audiovisuele performance, past in die optiek. Het opzet van Cubing klinkt veelbelovend: het collectief Artificiel (met twee mannen als performers) speelt onder het oog van een kleine camera met een Rubik- kubus. Die beelden worden omgezet in klank. ‘Via diverse algoritmische processen wordt een scala aan geluiden, van loops tot noise, in werking gezet. De liveprojectie van de verschillende kleurarrangementen van de kubus maakt de interactie tussen kleur, beweging en geluid duidelijk waarneembaar’, aldus de programmabrochure. Alleen jammer dat het resultaat niet om aan te horen is.
Documentair theater kent een hoogconjunctuur. Steeds vaker baseren makers zich op feiten en formats die niets met fictie van doen hebben. Om de sensatie van hun realitykarakter? Vanuit een politiek engagement dat wantoestanden wil blootleggen? Hoe dan ook sprong ‘De Internationale Keuze’, een unieke selectie van buitenlandse producties waarmee de Rotterdamse Schouwburg elk seizoen haar deuren opent, mee op de kar. Met History Tilt en Make Me Stop Smoking werden twee voorstellingen getoond op basis van opgedolven archiefmateriaal. Wat vermag dit theater meer dan een avondje Panorama of History Channel?
In Rescue Dawn (2006) dat in de nazomer in de filmhuizen rouleerde, portretteert Werner Herzog de van oorsprong Duitse Dieter Dengler. Deze sluit zich als luitenant bij het Amerikaanse leger aan, maar wordt tijdens zijn eerste vlucht in de Vietnamoorlog direct neergeschoten. De film belicht hoe hij moet zien te overleven in de jungle van Cambodja onder de meest erbarmelijke omstandigheden. En daarmee wordt Rescue Dawn een typische Herzog-film: een kleine man wordt zwaar beproefd te midden van een duistere natuur en etaleert zijn moedige overlevingsdrang. Herzog zoekt ook met deze film weer zijn plek binnen de Duitse filmgeschiedenis en toont zich opvallend onverschillig over vragen omtrent goed en kwaad.
‘Als ik over adolescenten schrijf, schrijf ik eigenlijk gewoon over mezelf.’ Woorden van Aidan Chambers, Britse auteur van bekende jeugdboeken als Dansen op mijn graf en De Tolbrug. De man is intussen de zeventig voorbij, maar bericht nog altijd met vuur en verve over mensen van zeventien. Van zijn laatste roman, Dit is alles. Het hoofdkussenboek van Cordelia Kenn, is pas de Nederlandse vertaling uit: een turf van achthonderd pagina’s waarmee Chambers zijn zesdelige reeks over adolescenten afsluit. Maar is zijn meest ambitieuze boek ook zijn beste?
Onlangs nam ik samen met nog vier (!) andere gegadigden plaats in het grootste bioscoopcomplex van Gent voor de première van Control. Deze biopic is het alom geprezen debuut van de bekende Nederlandse rockfotograaf Anton Corbijn, een man wiens grofkorrelige beelden van legendes als Johnny Cash, Bono en Marianne Faithfull op menig netvlies gebrand staan.
In 1983 verscheen een ‘kleine’ film van een oudgediende van de Nouvelle Vague: Pauline à la plage van Eric Rohmer, deel 3 uit de cyclus Comédies et proverbes. De film was toen reeds een soort anachronisme, omdat Rohmer (°1920) al drie decennia lang min of meer dezelfde soort cinema aan het maken was, los van elke mode maar daarom nog niet navelstaarderig. Het verhaal is simpel: een meisje wordt voor de eerste keer verliefd, maar haar gevoelens botsen met de kleinzieligheid, het egoïsme en het fundamentele gebrek aan eerlijkheid van de andere personages, inclusief dat van de jongen waar ze het voor heeft. Dit maakt dat ze minder gelouterd dan geschonden uit het avontuur komt.
Wie vandaag de dag iets meer wil weten over film en hiervoor zijn soelaas zoekt in de filmtheoretische analyses, moet al erg hard zijn best doen om niet met het Sloveense fenomeen Slavoj Ziek te worden geconfronteerd. Dit vrolijke enfant terrible van de filosofie, ook wel de ‘Iggy Pop van de filmkritiek’ genoemd, is berucht voor zijn opmerkelijke psychoanalytische duidingen van vooral westerse cultuurproducten.
In september lanceert de Ancienne Belgique REWIND. In deze concertreeks voeren Belgische groepen hun belangrijkste album integraal uit. Royalty in Exile (1990) bijt de spits af en brengt de The Scabs na ruim tien jaar even weer samen. Dan volgt Gorky (1992). Deze klassieker wordt echter niet door de originele bezetting vertolkt. Diepe waters scheiden zanger-gitarist Luc De Vos van drummer Geert Bonne en bassist Wouter De Schutter. ‘Vosje’ komt dus met de band die hij na het ontbinden van Gorky oprichtte. Maar kan Gorki Gorky ook tot leven brengen? En vooral: heeft De Vos daar echt zin in?
Ik weet wel waar ik naartoe ga, denk ik, maar niet waar ik vandaan kom. Uit Brussel? Uit Vlaanderen? Uit België? Hoe maak je zoiets duidelijk aan een buitenlander? Maakt het die buitenlander wat uit? Zoveel is zeker: ik ga naar Kopenhagen. Dat is de hoofdstad van de Denen, toch? Ik bezoek er Nina, een theatermaakster die ik een goede maand eerder in Mülheim (an der Ruhr) heb ontmoet. We maakten er samen deel uit van een groepje theatermensen dat door het Goethe Institut was uitgenodigd om een aantal voorstellingen te zien. Parallel waren er gesprekken, informatiesessies, informele ontmoetingen,… met mensen die je vaak nooit meer terugziet. Een moment uit het leven van wie in de internationale podiumkunsten werkt, kortom.
Vooral in het jeugdtheater duiken er elk seizoen weer een paar op: voorstellingen over ‘oudjes’ die weer kind lijken geworden. We gaan daar zo makkelijk over. Bomma van HETPALEIS en Hoe oma plots verdween van Larf! en Sermoen Theatermakers pakten het onlangs een stuk subtieler aan, maar dat maakt de vraag alleen boeiender. Hoe gaan kunstenaars in tijden van ‘vergrijzing’ om met de verbeelding van hoge ouderdom, en met de maatschappelijke clichés erover?
Er zijn nog zekerheden in het leven. Na een windstille periode van enkele weken vangt rond deze tijd het academiejaar weer aan. Tweede zittijd, deliberaties en toegangsproeven zijn nog bezig of net achter de rug. In het hoger kunstonderwijs maakt men zich op om de komende maanden weer te onderwijzen en ... te ‘onderzoeken’. Het eerste is al eeuwen een evidentie, het tweede niet. De decretale verplichting voor hogescholen om, in het kader van hun academisering, aan wetenschappelijk onderzoek te doen, is al enkele jaren oud maar is in het kunstonderwijs niet zonder slag of stoot aanvaard, laat staan geïmplementeerd.
Het Leuvense muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding gaat intussen al tien jaar zijn eigenzinnige weg. Ingrediënten? Een subtiel samenspel van woorden en noten, in een uitgekiende dialoog tussen muziek en theater. Producties als koortsthermometers tussen de niet altijd even rozige billen van de tijd. En microfoons – veel microfoons. Hoe maakt Braakland van muziektheater méér dan een simpel sommetje?
Door het laatste KunstenFestivaldesArts waarde er een spook. Dat spook heette het communisme. Met Das Kapital. Erster Band zadelde het Duitse regisseurscollectief Rimini Protokoll zichzelf op met de onvervulbare taak om een van de meest invloedrijke economische traktaten uit de geschiedenis op scène te brengen. Dat roept uiteraard vragen op. Om na te gaan wat de theaterpraktijk zoal zou kunnen tonen aan de politieke praktijk trok ik op uitnodiging van rekto:verso met de politieke secretaris van de KP naar de voorstelling.
Twee Japanse voorstellingen zorgden tijdens het laatste KunstenFestivaldesArts (KFDA) voor de oosterse noot in de bezinning rond het centrale thema: de grootstad als nucleus van de kosmopolitische samenleving. Kijken Hiroaki Umeda en Toshiki Okada daar anders tegenaan dan hun collega’s hier in het Westen? En hoe kijken wij terug? Maken de verschillen nog een globaal verschil?
De problemen met Pascale Ferrans Lady Chatterley (2006) kondigen zich onvermoed reeds tijdens de openingstitels aan. We lezen dat de film gebaseerd is op de tweede versie van D.H. Lawrence’ roman, en wel de Franse vertaling daarvan onder de titel Lady Chatterley et l’homme des bois. Het vergt een Frans soort cerebraliteit om de mythisch klinkende titel van Lawrence’ roman met zo’n letterlijkheid te vertalen.
De Franse literatuur krijgt het dezer dagen internationaal hard te verduren. Telkens weer hoor je dezelfde klaagzangen: overvleugeld door de Angelsaksische dominantie, gebrek aan vernieuwingsdrang of vitalisme en een te grote zelfgenoegzaamheid. Nederlandstalige uitgevers worden intussen steeds zuiniger met vertalingen van aankomende Franse schrijvers. Liggen de Franse letteren op apegapen? Toch niet. Er staat een klad veelbelovende Franse schrijvers te dringen om het estafettestokje van de oudere garde over te nemen. En ook de genereuze openheid naar de buitenwereld is intussen allang een feit. Een tour d’horizon, met een blik op de nieuwlichters en een aantal opvallende trends.
Het lijkt haast het obligate nieuwe schouwspel in de stad: flashy bouwsels, niet alleen door hun vormen, maar ook door hun verlichting. Het atomium schittert en knippert als nooit tevoren, glazen kantoortorens worden ’s nachts omgetoverd tot kleurrijke games en verlichte monumenten geven iedere stad een beetje het gevoel Parijs achterna te kunnen gaan. Een Guggenheim neerpoten is niet altijd nodig, ook licht kan wonderen doen om de aandacht te trekken, naar het gebouw, én naar de stad. Niet alleen architectuur maar ook haar verlichting staat zo in voor de regeneratie van wijken en popularisering van ons patrimonium. Maar wat wordt er eigenlijk verlicht? En wat hebben die gebouwen daar dan bij te winnen?
De relatie tussen wat we voor het gemak van spreken ‘kunst’ noemen en de populaire massacultuur zit in het slop. Om een of andere reden heeft de kunstwereld zichzelf met een aanzienlijk minderwaardigheidscomplex opgezadeld, en dat manifesteert zich vaak in compensatiedrang. Ironisch genoeg is het juist daardoor dat de kunst zich vaak van haar lelijkste kant laat zien, en haar eigen waarde verdoezelt. Toch hoeft kunst zich niet noodzakelijk krampachtig tot massacultuur te verhouden. Dat bewijzen alvast de schilderijen van de Belgische kunstenaar Marc Palmer (°1974), die met de massacultuur een ontspannen verhouding aangaan en daardoor veel beter zijn dan al die halfslachtige kunstwerken die gemaakt zijn om een soort afgunst te compenseren.
Zo’n theaterervaring als die in Théâtre National tijdens BRXLBRAVO maak je maar één keer om de vijf jaar mee: je komt eruit buiten als na een topconcert, ondersteboven en in de wolken. Want Meine Schneekönigin van Frank Castorf is heel ander theater dan wat wij kennen. Met exuberant spel en carnavaleske foutigheden schopt hij amok tegen elke gangbare norm, op alle fronten.
Het kwam ter sprake in elk interview dat Paul Mennes over Kamermuziek, zijn nieuwe roman, gaf. In juni 2004 stapt hij opgewekt naar zijn uitgeverij om te zeggen dat zijn boek zo goed als klaar is zodat hij datzelfde jaar nog zal kunnen verschijnen, exact tien jaar na zijn bekroonde debuut, Tox. Op de terugweg naar huis gebeurt er echter iets waardoor het hele boekproject bij zijn thuiskomst alle glans verloren blijkt. Of beter: er gebeurt eigenlijk niets, maar precies dat niets dringt zich aan hem op als iets dat de zin van zijn schrijven totaal in vraag stelt. ‘Alles wat ik nog kon denken was: heeft wat ik doe eigenlijk wel zin? Misschien moet ik, om het met Brusselmans te zeggen, rekken gaan vullen in de Delhaize …’ Het meest opmerkelijke aan de anekdote is echter wat dan volgt. In tegenstelling tot wat de traditionele mythe van de schrijver wil, leidt Mennes’ vertwijfeling niet tot een writer’s block, maar tot een van de meest drieste verzetsdaden tegen het (eigen) schrijverschap waarvan ik recent heb gehoord: twee jaar lang vertikt hij het systematisch om zijn werk te bewaren. ‘Ik schreef nog wel, maar nam niet langer de moeite om wat ik had geschreven, ook op te slaan.’
Een paar jaar geleden woonde ik een concert van John Cale bij naar aanleiding van zijn album Hobo Sapiens (2003). Bij de eerste noot ging het licht uit en viel de muziek stil. Kortsluiting. Cale liet zich echter niet van zijn stuk brengen en toen het concert even later vooralsnog begon, grapte hij: ‘Now you can all go home and say John Cale gave you a blackout’. Voor de man die ooit een kip slachtte op het podium, was een kortsluiting vermoedelijk niet meteen iets waar hij van onder de indruk was. Integendeel, kortsluiting is het principe waarop Cale zijn carrière heeft gebouwd. En onvoorspelbaarheid is het sleutelbegrip van zijn concerten. Dat wordt nog maar eens bewezen met Circus Live (2007), de dubbele live-set en bijhorende dvd waarmee Cale de balans lijkt op te maken van zijn carrière. De keuze van het materiaal is niet evident: Cale heeft een voorkeur voor minder bekende nummers uit zijn albums of radicaal omgebouwde en afgestroopte versies van oude en nieuwe composities. Maar bovenal keert hij terug naar de experimenten uit het prille begin van zijn carrière, toen hij zich als avant-gardecomponist toelegde op het verleggen van de grenzen van de hypnosemuziek.
Dagen zonder lief typeert een nieuwe generatie bijna-dertigers als pragmatisch ingestelde levensgenieters. Huisje, jeepje, kindje. Ze slagen erin hun twijfels te verbergen en hun verdriet dood te zwijgen. Alles voor de schone schijn, voor de waan van het geluk. Met ons gaat het toch goed? Tot de liefdesengel komt en hen wakker kust.
Wanneer de vogelvrije kapitein Ralton met zijn kornuiten van het geconfedereerde leger arriveert bij de ranch van zijn broer, de godsvruchtige Blake, gaat het er ruw aan toe. Blakes hond wordt de keel overgesneden, zijn indiaanse vrouw wordt van haar scalp ontdaan en de man zelf wordt onthoofd. Het bloed van het gezin stroomt door de spleten van de houten vloer op hun sidderende zoontje, die zich daaronder verbergt. Homo hominis lupus, het aloude gezegde krijgt een schijnbaar weinig subtiele invulling wanneer we het universum van Alejandro Jodorowsky betreden. Achter de uitzinnige façade die Jodorowsky’s oeuvre kenmerkt, gaat echter een weldoordachte visie schuil. Voor Bouncer, een rasechte westernstrip waarvan zopas het vijfde en laatste deel verscheen, bundelt de productieve scenarist de krachten met tekenaar François Boucq.
Met Intra-Muros [I.M. Pasolini] brengen Eric Sleichim en BL!INDMAN een theaterhommage aan Pier Paolo Pasolini, op basis van diens laatste, controversiële werk Salò o le 120 giornate di Sodoma. Wie de film uit 1975 zag, kent ook zijn shockeffect. Daarvoor moet je echter niet naar Intra-Muros. Sleichim levert geen podiumversie van Salò, maar een kwetsbare, broze tegenpool: een voorstelling rond Pasolini zelf. Vernedering en foltering maken plaats voor gerekte monologen en etherische madrigalen. Kunstgrepen, zeg maar. Alles samen genomen leveren ze een degelijke voorstelling op, maar het is maar de vraag of dat toereikend is.
Anno 2007 zijn er nog altijd platenboeren die het vermogen om Stef Bos in hun bakken onder te brengen bij ‘Nederlandstalig chanson’. Áls ze zijn oeuvre al in permanente voorraad houden, want alfabetisch verwante traanklieren als Frans Bauer of Clouseau verkopen natuurlijk nog altijd een stuk beter. Ook door de andere zijde, door alterno’s van muziekfans met steeds nauwer wordende slakkenhuizen, wordt Bos verdrukt. Te zeem, te zoet, te makkelijk. ‘Dit is het land van bange doven, waar een eenoor koning is’, antwoord ik daar met hemzelf op. In mijn rek hoort hij in het vak van de Grote Drie, tussen Bram Vermeulen en Herman Van Veen.
Kunnen rockmuziek en catharsis hand in hand gaan? Met zijn optreden in de Ancienne Belgique afgelopen maart bewees Nine Inch Nails in elk geval dat het antwoord volmondig ‘ja’ kan zijn. In zijn Poëtica dicht Aristoteles het begrip ‘catharsis’ een centrale plaats toe. Volgens hem wekt een tragedie idealiter angst en medelijden op en bevrijdt zij zo de kijker van diezelfde gevoelens. Een tragedie brengt de kijker tijdelijk uit evenwicht met als enige doel dat evenwicht te herstellen. Aristoteles schreef zijn Poëtica met het treurspel in het achterhoofd, maar zijn denkoefening is zonder twijfel ook van toepassing op muziek.
Beste Abattoir Fermé,
Mannen, ik had plannen! Ik zou eindelijk eens dat eerste artikel schrijven dat wat dieper op jullie werk inging dan krantenrecensies doorgaans vermogen. Mijn epistel zou zichzelf voornemen – in dogma 07-stijl – om alvast drie woorden absoluut te mijden: ‘horrortheater’, ‘het afwijkende’ en ‘falluskunst’. Het zijn de vaste termen geworden waarmee we jullie werk steevast op onze krantenpagina’s vastnagelen, ‘terwijl het Abattoir daar helemaal niet om gaat’ (repliceren jullie intussen ook standaard, met altijd die mysterieuze grijns). Ik zou het mysterie kraken, of toch minstens voor mezelf de dingen eens doordenken. Ik zou jullie Chaostrilogie als kapstok nemen. Ik had die rond, ik zag de lijnen, het was me klaar en duidelijk (ook ik heb zo mijn orgasmen). Maar toen kwam laatst in januari ineens Lala-land, de afsluiter van wat in Indie en Tinseltown was aangezet als de finale ontworsteling van jullie oeuvre aan de spuwende, vies-visionaire tekstlappen uit pakweg Dial H for (2003) of Life on the Edge (2004). Met die laatste Lala-monoloog schoof alles grondig scheef. Samen met jullie machtige beelden werd ineens ook mijn hele theorietje naar de vuilnisbak verwezen, plus mijn artikel. Het is 0u48, ik heb keiharde techno opgezet. Ik schrijf jullie een brief.
Een van de meest bevreemdende aspecten van Siouxsie and the Banshees is dat hun muziek album na album meer kunstmatig werd. Hoe verder ze van hun debuutalbum The Scream (1978) weg evolueerden, hoe meer hun werk een esthetische oefening leek te worden, een spel met muzikale vormen en de iconografische rubrieken van vervreemding, spookhuizen en body horror.
Hoe kan kunst zich in de hedendaagse, door beelden overspoelde wereld nog staande houden? Een onverwacht antwoord komt uit de wereld van het character design: ontwerpers die zich profileren als kunstenaars.Die kunstenaars gebruiken een in oorsprong commerciële taal, maar ze brengen die binnen in een heel nieuwe context. Hun schijnbaar eenvoudige beelden hebben ons misschien wel meer te vertellen dan wij dat zo meteen zouden denken. Een blik op de strategie van schone schijn.
Geen eigentijdse theaterregisseur die internationaal zo gekoesterd wordt als de Italiaanse beeldenstormer Romeo Castellucci. Met zijn intensieve cyclus Tragedia Endogonidia stond hij de laatste vijf jaar op de affiche van zowat elk belangrijk festival in Europa, op zoek naar een hedendaagse herdenking van de klassieke tragedie. Hey Girl!, dat in november in première ging in Parijs en in april deSingel aandoet, is zijn eerste nieuwe losse voorstelling na die elfdelige reeks. Zéér los dan wel. Loos.
De dag dat God België heeft geschapen, was hij een beetje in een jolige bui. Het grote werk zat erop, er moesten alleen nog hier en daar wat gaatjes worden opgevuld. Omdat zijn aandacht wat begon te verslappen, legde hij zichzelf die dag ook enkele onnozele taken op, waaronder het bedenken van een paar concepten en stromingen waarvan de naam moest eindigen op ‘-isme’. Toen hij het surrealisme had bedacht, verscheen er een brede grijns op zijn gezicht. ‘Laat ons dat maar aan de Belgen toevertrouwen’, galmde Hij.
Overvolle gevangenissen en andere justitieperikelen vormen een dagelijkse soap in de Belgische kranten. Af en toe zijn ook de nieuwe justitiepaleizen in Antwerpen en Gent kop van jut: te duur, te prestigieus, te radicaal, te lelijk, … Toch zijn al een hoop kleinere nieuwe justitiepaleizen geruisloos aan ons voorbijgeslopen. Kortrijk heeft sinds 2002 een nieuw gebouw van Stéphane Beel op haar architectuurcurriculum staan, Nijvel pronkt sinds 2001 met haar nieuwe aanwinst, het gerecht van Aarlen zit al drie jaar in een nieuw gebouw, en het gerechtsgebouw van Marche-en-Famenne werd in september 2006 ingehuldigd. Justitie probeert duidelijk haar imago op te poetsen door centrale, efficiënte en moderne gerechtsgebouwen neer te poten. Net zoals de modernisten licht en lucht voor de nieuwe woningen aanprezen als eigentijdse tegenhanger van de donkere bourgeoisiewoning, gebruikt ook Justitie nu deze toverwoorden om zich af te zetten tegen de donkere, monumentale negentiende-eeuwse justitiepaleizen. De nieuwe gerechtsgebouwen van Gent en Antwerpen zijn visitekaartjes die die nieuwe koers tentoonstellen: justitie als een hedendaags, doorzichtig instituut, dat duidelijk aanwezig is in de maatschappij en de stad. Daarbij moeten ze ook nog eens als katalysator werken in de ontwikkeling van hun omgeving. Dat deze twee gerechtsgebouwen bijna tegenpolen zijn qua architectuur maakt duidelijk dat de architect een belangrijke speler is. Maar dit toont vooral dat er geen eenduidig antwoord is op wat de (holle?) beeldspraak vraagt.
Kent u het verschil tussen een miskend genie en een erkende dorpsgek? Ik ook niet direct, maar het onderscheid tussen Paul Van Hoeydonck en Panamarenko lijkt me toch al behoorlijk in de buurt te komen. De laatste kent iedereen uiteraard van de vlieg-, ruimte- en rijtuigen die hij in groten getale in elkaar knutselde. Paul Van Hoeydonck daarentegen werd voornamelijk bekend door zijn figuren met een sterk menselijke anatomie uit allerlei industrieel afvalmateriaal, die futuristische namen als Homo Spatiens, Mutant of Humanoid meekregen.
Maar er zijn ook overeenkomsten, natuurlijk. Zowel Van Hoeydonck als Panamarenko zijn beiden kunstenaars wier oeuvre sterk geworteld is in de roaring sixties, de periode waar het geloof in de maakbaarheid van mens en maatschappij met behulp van de nimmer falende technologie hoge toppen scheerde. Zowel Van Hoeydonck als Panamarenko geloofden dat de mens meer kon dan de loutere optelsom van zijn aardse mogelijkheden, en keken als kunstenaars allebei strak naar het oneindige uitspansel dat hemel heet. Kortom, Van Hoeydonck en Panamarenko waren allebei die hard dreamers, die ‘geloofden’ dat de mens – godbetert – kon vliegen!
‘well i’ve been here before
sat on the floor in a grey grey room
where i stay in all day
i don’t eat, but i play with this grey grey food
desole, if someone is prayin’ then i might break out,
desole, even if i scream i can’t scream that loud’
(Damien Rice, uit ‘Grey Room’)
Of ik hen via mijn ‘connecties’ niet aan een extra kaartje voor het optreden van Damien Rice op 26 maart in het Koninkrijk Circus kan helpen. Dat hebben ondertussen al vijf mensen, die schromelijk te laat waren bij de ticketverkoop, aan mij gevraagd. (Het antwoord is: neen, sorry.) Geen idee hoe snel precies zijn derde Belgische passage is uitverkocht – het zal geen record zijn, maar het liep blijkbaar wel een vaart. Dat over de eerste twee optredens – en dan vooral het eerste in de Botanique – op Belgische bodem nog lang werd nagepraat, heeft ongetwijfeld ook een rol gespeeld. Rice is met andere woorden ook in België behoorlijk hot, getuige daarvan de massale vraag op allerhande websites naar extra of overgebleven tickets. En terecht: 9, ‘s mans tweede worp, is opnieuw een parel van een plaat.
Maltus heet de tweede roman van Hans den Hartog Jager. Hij vertelt daarin het verhaal van Martin Maltus, een man die experimenten uitvoert op dieren en aan de hand daarvan onderzoek voert naar de gevolgen van overbevolking. Daarmee jaagt hij de Nederlandse publieke opinie, die immers helemaal in de ban is van dierenrechten, tegen zich in het harnas: dieren zijn als mensen, ze hebben gevoelens en rechten. Maltus is een allegorie van een samenleving die verloren gelopen is. Het boek vertelt het verhaal van een man die een kompas heeft maar het stukje bij beetje niet meer lezen kan.
