De vroege Middeleeuwen waren boeiende en vruchtbare tijden voor de wereldliteratuur. In Bagdad en elders schreven de kaliefen in alle vrijheid en nog niet ingeperkt door het juk van de Islam in het Klassiek Arabisch hoofse en minder hoofse minnegedichten, die tot de beste behoren, die ooit geschreven werden. Onafhankelijk daarvan bloeide van 900 tot 1200 aan de andere kant van de wereld de Keltische literatuur als nooit tevoren. Ierse monniken waren hoogbegaafde auteurs. Zij schreven onder invloed van het prille Christendom in hun oorspronkelijke taal - het Gaelic - de mooiste natuur- en geloofspoëzie. Hier een stukje wereldliteratuur dat een anonieme Ierse grootmeester in de negende eeuw schreef over zijn muizen vangende kat:
Mess ocus Pangur bán/cechtar nathar fria saindán:/bíth a menmasam fri seilgg,/mu menma céin im saincheirdd.
(Pangur Bán and I, each of us at his/special art: his mind is set upon hunting,/and mine upon my proper craft.)
Als Bert Bevers schrijft over de kat van Lambertus van Sint-Omaars gaat dat als volgt:
Hij kruimt wat kaas voor zijn vriend de rosse kater
die al spint voor hij aan strelen begint. Aah, bier
is lekker water vindt hij telkens weer. Hard gewerkt
heeft hij heden, zowat een hele eeuw ligt nu
voor immer vastgelegd. Hij krabt zijn ballen, geeuwt
en doet de ogen toe. Er mag een dut. Vanavond meer
misschien bij kaarslicht, maar nu eventjes geen fut.
Eénzelfde evolutie in Midden-Europa. In de eenzaamheid van kloosters en abdijen gedijde het intellectuele en culturele leven. De lingua franca tussen de verschillende volkeren was Latijn. Het Nederlands bijvoorbeeld had bijlange nog niet de status verkregen van literaire taal. Hier en daar vond men wel kleine stukjes bijna toevallig neergeschreven stukjes tekst, die een idee kunnen geven van hoe onze taal op zijn vroegst klonk. Bevers verzamelde één en ander in de aantekeningen bij zijn boekwerkje. Interessant is dat ‘hebban olla uogola’ niet de oudste zin is in het Nederlands. Voor het oudste stukje tekst moeten we al terug naar de Lex Salica van de zesde eeuw.
Maltho thi afrio lito (“Ik zeg je: ik maak je vrij, halfvrije”)
Bevers laat diezelfde woorden uit de pen van Lambertus van Sint-Omaar vloeien:
Hij kent formules. Zoals ‘Ik zeg je: ik maak je vrij,
halfvrije.’ Ook las hij het werk van Goderanus, die
benedictijner was in de abdij van Lobbes. En ja, ook
de Chronicon Centulense natuurlijk uit Saint-Rikiers
van abt Hariulf, en de kronieken van Sigebert uit
Gembloers. Hij is niet van de wereld los. Onthecht
In kennis, ja. Hij wil alles wat geweten wordt bijeen.
Lambertus was een Franse Benedictijn en in zijn tijd een zeer geleerd en gerespecteerd man. Hij vatte de idee op om in het Latijn een synopsis te schrijven over alle toenmalige bekende Bijbelse, chronologische, astronomische, geografische en theologische, filosofische en natuurkundige onderwerpen. Daarbij maakte hij gretig gebruik van het bekende werk van andere en vroegere auteurs uit de abdijbibliotheken van Sint-Omaar en Sint-Bertijn. De ‘Liber Floridus’ kan dus evengoed gelden als een samenvatting van alle toen bekende literatuur. Ongeveer 30 jaar werkte hij aan de voltooiing van zijn opus magnum, een compendium als een boeketje bloemen geplukt in de hemelse weide ‘opdat de gelovige bijtjes mogen samentroepen rondom die bloemen en de hemelse zoetheid ervan drinken’.
Lambertus voltooit zijn Liber Floridus met trots,
En zachte spijt vanwege klaar. Het is het jaar des heren
1120. Paus Calixtus II trekt in triomf door Lombardije
En Toscane richting Rome. Hij ziet van verre de lemmers
Blinken, hoort ook van balladen de refreinen klinken.
Ach, wat ligt zijn werk hier kloek. Wat een edele
En schone verzameling – en zo deugdzaam bovendien.
‘Sint-Lambertus van Omaars beschrijft de wereld’ van Bert Bevers is een vermakelijke en pretentieloze dichtbundel. De confrontatie tussen de monnik bewapend met ganzenveer en perkament en de moderne dichter met laptop en gsm en ondoorgrondelijke snor en blik is bijwijlen verrassend en levert grappige passages op. Lambertus was niet zomaar een monnik maar hij was ook een veelbelezen man van de wereld én bovenal een levensgenieter. De zeden waren losser in die tijd. Hij kende de smaak van bier (Aah, bier/is lekker water vindt hij telkens weer). Hij had seksuele voorkeuren (Bliksem licht haar gezicht op als werd daarvan/een voile weggetrokken). Hij reisde de wereld rond om informatie te verzamelen voor zijn boekwerk. In een knap stukje poëzie verbeeldt Bevers zich dat hij het atelier betreedt van de grote clericus.
Je laat me binnen. Je verbaast je over mijn bril,
mijn pen, mijn rare kleine opbelmachine. Wat
opbellen is? Dat je in Sint-Omaars kunt spreken
met iemand uit Sint-Omer als er huizen tussen
staan, er velden tussen liggen. Je reactie doet me
denken. Tijd genoeg. En dat je nog niet weet
dat de aarde rond is, joh. Dat je dat nog niet weet.
Bert Bevers, Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld
Een Eigen-Zinnige Uitgave, users.pandora.be/francoisvermeulen1/publicaties.htm
Antwerpen 2008, geen ISBN-nummer.






