Vanaf de hoogste verdieping de stad in.
Beneden razen de straten van Buenos Aires.
De stad waar alles goed komt.
Ze nemen je mee in hoeken
van negentig graden. Maar het waait hier
Schaduwen en het wentelt kiezelstenen
gebouwen. Er is er één
Met een hart van geschaafde rode steen.
Er staan veel goede gedichten in ‘Er staat een stad op’. Barnas zoekt zoals in bovenstaand gedicht het alledaagse op en vervormt het door er steeds vreemdere elementen aan toe te voegen. Soms lukt het aardig. Soms lukt dat wat minder. Waar het niet lukt, krijg je een poëticaal gedicht. Ik mis soms de echte poëzie in de beschrijvingen van Barnas. Waar ze er wel in slaagt om die vervreemding op te roepen, lees je een bijzonder gedicht, waarin het alledaagse verheven wordt tot het bijna lyrische. Zo om de drie à vijf gedichten in de bundel, lees ik dus een bijzonder gedicht. De uitgeefredacteurs hadden hier moeten ingrijpen. De bundel had van de overdaad gered kunnen worden door alleen die bijzondere gedichten toe te staan. Dan nog was dit een lijvige bundel geworden. Nu lees ik teveel poëtische kanttekeningen naast echt goede gedichten. ‘Er staat een stad op’ had een dichtbundel kunnen zijn het niveau van het gedicht ‘Te laat’:
Ik fietste door een kalmte in de stad
die langzaam huizen werd waarin mensen samen
wonen toen de eenzaamheid achterop sprong
en zei ik rijd een stukje met je mee ik ga toch die kant uit.
Het komt niet uit zei ik. Ik moet nog een begin vinden
voor een brief. Tot ziens.
Of nog, van het niveau van het gedicht ‘Momentopname’, waaruit ik hier een stuk citeer:
Ik schrijf de datum en de tijd op van de dag en het moment
waarop ik de datum en de tijd van de dag en het tijdstip
waarop ik de dag en het tijdstip noteer.
Ik schrijf elke dag de datum en de tijd op van de dag
en tot op de seconde nauwkeurig het moment
waarop ik de datum en de tijd opschrijf.
Ik las ergens een discussie over wie van beide dichteressen de betere is: de Vlaamse Ruth Lasters of de Hollandse Maria Barnas. Maar het debat of Barnas beter is dan Lasters doet er niet toe. Ik vind beide dichteressen even goed. Beide hebben een eigen idioom en een eigen stijl. Ze raken op een volledig andere poëtische manier ongeveer dezelfde thema’s aan. Wel geloof ik dat Lasters beter en kritischer begeleid werd bij de totstandkoming van haar debuutbundel dan Barnas bij het samenstellen haar tweede bundel. De bundel van Lasters is structureel interessanter. Beide schrijfsters hebben raakvlakken omdat ze over precies dezelfde onderwerpen schrijven maar vanuit een andere invalshoek. Lasters schrijft in ‘Scheur’:
Alsof de lucht audities houdt voor de ultieme meeuw,
alle tragere, grauwere zal laten neerstorten elk ogenblik,
daar rekenen we ergens
op één onwijs gave appel die plots voor ons ligt
met klem, met ‘ik-word-terstond-rot-tenzij-je-schreeuwt-
dat-je-tot-nog-toe-alleen-appels-bij-benadering-at.’
Het is zeer interessant voor een poëzierecensent om de twee stijlen te vergelijken. Barnas beschrijft een appel als volgt in het gedicht ‘Te laat’:
Ik schilde een rode appel en zag het bleke
vlees zo in zichzelf gekeerd staan op een bord
dat ik het niet kon eten. Stelde me de vrouw voor
Die jij boven mij verkoos en bedacht een ander
land om in te kunnen wonen.
In 2004 ontving Barnas de C. Buddingh’prijs voor haar bejubelde debuutbundel ‘Twee zonnen’. Dat betekent dat ze uitgeroepen werd tot één van de meest beloftevolle dichteressen van de Lage Landen. Het duurde ruim vier jaar vooraleer ze een nieuwe bundel aan de wereld prijs gaf. ‘Er staat een stad op’ telt 48 niet systematisch gerangschikte gedichten. Het hadden er minder mogen zijn. Ik vond in de bundel te veel kaf tussen het koren. Ik lees te veel gedichten die er niet echt toe doen in het geheel van de bundel. Tot slot nog een fragment uit ‘Sprekend’, wat mij betreft één van de meest sprekende gedichten uit de bundel:
Hij maakt van zijn rug en de dekens een hut daalt
langs haar lichaam tot een vraag zich uit het warme donker
losmaakt. Raad eens hoeveel vingers in je - ?
Hij kan het niet. Het woord dekt de lading niet.
En terwijl ze zich afvraagt wat de lading is van een kut
begint het. Dit is geen avontuur hoor je. Maar het rolt
zich uit als de onderkant van een rode loper.
Er wonen dieren zonder hart en wervels.
.jpg)
Maria Barnas – ‘Er staat een stad op’
Arbeiderspers, Antwerpen/Amsterdam 2007
ISBN 978 90 295 6511 0






