Blessuretijd, kon men hem om de zoveel voetbalwedstrijden
maar samenlassen tot een extra
dag, bestaand dus uit minuten toegekend
voor fouten en waarop bij voorbaat tevergeefs het is
te streven naar volmaakt
geluk. Op die dag sprak ik met je af. Geen van ons twee
kwam opdagen. Er schuilt niets groots in streven naar
onvolkomenheid zolang men wereldwijd met falen
het verwart.
Het valt me trouwens moeilijk om louter stukken te citeren uit de bundel. Bovenstaand gedicht is bovendien zeer typisch voor de poëzie van Lasters. Als je een stuk uit dit gedicht weglaat, dan mis je net de essentie. Het korte gedicht vloeit in elkaar als een kleine stroom naar de monding. Sommigen zullen de plotse woord- en zinsafbrekingen allicht storend vinden en er een bewijs van onvolkomenheid in zien, maar ik vind dat ze hier net heel functioneel zijn en op één of andere manier de continuïteit van de gedachtengang van het gedicht verzekeren.
‘Vouwplannen’ bestaat uit vier delen, die ‘Doorgangen’, ‘Spiertrekking’, Wetmatigheden’ en ‘Gras’ heten. Ook hier valt die bijna ijzeren wetmatigheid op, die zo eigen is aan Lasters. De vier delen bevatten gedichten met korte titels als ‘Hap’, ‘Vries’, ‘Trap’, ‘Minst‘ (uit ‘Doorgangen); ‘Actie’, ‘Scheur’, ‘Kans’, ‘Spring’ (uit ‘Spiertrekking’), ‘Kelder’, ‘Plein’, ‘Eis’, ‘Rat’ (uit ‘Wetmatigheden’); ‘Co’, Gras’, ‘Raam’, ‘Park’ (uit ‘Gras’). In elk gedicht probeert Lasters een aspect van de realiteit onder de knie te krijgen. Over ‘appels’ in het gedicht ‘Hap’ schrijft ze het volgende:
Omdat appels zo mooi stapelen wou ik er
stapelen onder je huid. Je benen, schedel, borst
vol appels, van die gele die vol vlekken en vol
builen. Slechts één rode, glanzende
…
Elders breekt Lasters af en bouwt ze opnieuw op. In het prachtige gedicht ‘Vries’ vindt ze ‘een kamer uit voor ieder mens waar voor elk voorbij moment één millimeter nieuwe ruimte groeit’. In het merkwaardige ‘Actie’ breekt ze ‘een vensterbank af waarop een vrouw zit’ om hem (de vensterbank!) naar een plas te dragen. Nog elders (in ‘Collecte’) ‘zamelt ze deurkieren in’ om er een ruimte mee te maken of ‘wikkelt ze een avond in dekens om hem naar een tuin te dragen’ (in ‘Deken’). Ik vind het allemaal zeer sterk en verbluffend. Lasters is een buitengewoon talent.
Ondanks het vernieuwende inhoudelijke en formele aspect van deze poëzie en de absolute drang van Lasters om de wereld te beheersen, lees ik ook ontzettend veel gemijmer. De poëzie van Lasters bevat veel gecontroleerd gevoel en ingehouden emotie. Het verst gaat ze daarbij in het gedicht ‘Trap’, dat ik een bijzonder sterk staaltje van lyriek vind. Hier wordt een draaitrap trede voor trede (sic!) afgebroken, om hem dan opnieuw op te bouwen, zodat hij naar een niet nader genoemde ruimte of kamer voert. De schrijfster vraagt aan de ‘je’-figuur in het gedicht om haar te contacteren zodra hij af is, zodat ze de trap kan nemen naar boven naar hem of naar haar in geval van ontreddering. Dichten is voor Lasters dus een ingrijpen in de realiteit om haar voor een stuk beter te maken, al was het maar met woorden. Ze verandert de dingen en ze zet ze naar haar hand. Dat machtsstreven vindt voor mij een hoogtepunt in het gedicht ‘Herverdeling’ (uit ‘Wetmatigheden’), waar ze de radeloosheid als volgt opnieuw uitvindt:
Iedere burger de behoeder van een woord. In plaats van
woordenboeken, lijsten met naast de begrippen
uitleg niet, maat een adres bv. Kastanje: Ruisstraat 20, Temse
daar naartoe te kunnen gaan en er kastanjes vinden op
de vensterbank. Of Parklaan 14
daar achter het raam zien zitten
krijsend, ogen rooddoorlopen,
een mevrouw, niet ter verklaring slechts maar ook om eens
te kunnen aanbellen bij iets als
radeloosheid.

Ruth Lasters – ‘Vouwplannen’ Meulenhoff/Manteau, Antwerpen/Amsterdam 2007
ISBN 978 90 8542 111 5






