Abstracte, hedendaagse dans als een bezwerende, bijna hallucinatorische trip, waar je je ogen bij uitwrijft? Het kan. Zo’n ervaring bood deze zomer de installatie Viewmaster op Theater Aan Zee. Het Brusselse trio Heike Langsdorf, Ula Sickle en Laurent Liefooghe bouwde een simpele triplex box met twee kamers die in een rechte hoek op elkaar aansluiten. Een schuin spiegelglas scheidt beide kamers, volgens de principes van de negentiende-eeuwse machine ‘Pepper’s ghost illusion’. Met wisselende belichtingen kun je het publiek, dat via een centraal raam de box inkijkt, de illusie geven dat er twee dansers, elk in hun eigen kamertje, op dezelfde plek dooreenvloeien als geesten, als in een live videoclip. Het zorgde voor een van de hoogst denkbare artistieke ervaringen. Je ogen bij de neus genomen.
‘(…) cet art qui épouse les mouvements d’un monde bousculé à une cadence de plus en plus forcée.’
François Pinault
‘Perhaps art can be one way out of a world ruled by leveling impulses and dull sameness. Can each artwork be a principle of hope and an intriguing plan for escape?’
Daniel Birnbaum
Wat heeft kunst te vertellen over de wereld waarin we willen leven, en wat maakt haar in die zin politiek? De hedendaagse kunst die momenteel op de Biënnale in Venetië te zien is, suggereert verschillende antwoorden.
Lieve zes lezers (nummer zeven heeft ondertussen een eigen mening kunnen ontwikkelen en hoeft dit soort bladen niet meer te lezen), dit zijn de nieuwe tijden, dit zijn de rustige tijden. Brussel voelt verlaten aan nu de helft op bezoek is in het thuisland, waarschijnlijk om de glorie van het cultuurhuis Daarkom te bezingen en te vertellen over Rachida Lamrabet die weigert gekenmerkt te worden als puur allochtone schrijfster en nu na twee boeken over allochtonen een stuk over allochtonen zit te schrijven voor ‘t Arsenaal.
Jimmy Kets en Duane Michals, foto’s kijken in het grootste beeldenmuseum van Europa, een salontafel vol tijdschriften en de bedreigde fotojournalistiek in Vlaanderen: ze hebben veel en zelfs alles met elkaar te maken.
In de zomer, met zijn allen op strand of wei, zien we alles door een andere bril. Festivals her en der leiden zo ver mogelijk weg van het alledaagse. Naar buiten trekken we, weg van de instituten en de vaste denkkaders. Maar voor te veel festivals lijkt die niet-doordeweekse cultuur op zich al hun bestaan te rechtvaardigen: ze bieden eigenlijk niet zo veel meer dan ‘feestelijke’ of voorverwarmde kost. Terwijl seizoensgebonden voedsel vooral vers moet smaken. Omdat velen dezelfde droom delen: samen met geestesgenoten proeven van frisse creaties op festivals waar inhoudelijke dialoog en artistieke bevruchting centraal staan, waar je dingen kunt ontdekken die doorgaans minder voorhanden zijn, waar je samen grenzen opzoekt en overschrijdt. Er mag in de vakantie eens wat meer écht buiten de lijntjes gekleurd, vinden we.
Dinsdag 19 mei. Vandaag moest ik het voor het eerst in dertig jaar zonder een van mijn twee favoriete kwaliteitskranten stellen. De redactie staakte. Een schreeuw om meer cultuur, meer duiding, meer puurheid van journalisten met een scherpe tong en een nog scherpere pen. ‘We kunnen nochtans niet klagen, want er verschijnt in onze krant veel meer cultuur dan tien jaar geleden’, zo hoorde ik van een vooraanstaande, aalgladde big shot van die stakende krant, drie weken terug tijdens de afsluitende avond van Press For More in de Gentse Vooruit.
In zijn relatief jonge artistieke leven van ongeveer veertig jaar, dat bovendien alweer naar een voortijdig einde lijkt te hollen, is de dia in de kunst op verschillende manieren gebruikt. Still/Moving/Still, de hoofdtentoonstelling van het Fotofestival 2009, bracht de meeste ervan in kaart. De geselecteerde werken verrasten door hun diversiteit. Tegelijk maakte die diversiteit ook duidelijk dat het gebruik van een beeld soms een verraad aan het medium impliceert: niet alle werken lieten de dia immers tot zijn recht komen als dia.
Ik wist het pas toen ik de mail kreeg. Of ik iets over hem wou vertellen op de VPRO-radio. Want ze vonden niemand anders die er iets kon over zeggen. Joost Vandecasteele, de backup van de backup van de backup van een belangrijke schrijver. En ja, ik wou wel iets zeggen over JG Ballard, de auteur die nooit stopte schoonheid te zoeken in lege resorthotels, erotische opwinding in littekens door autoaccidenten en politieke revolte in de verveling van de buitenwijken, die steeds opnieuw de relevantie van sciencefiction bewees. Je weet wel, die andere dooie schrijver van de week naast Martin Bril.
In het meinummer laat Marc Holthof er weinig twijfel over bestaan. Ondanks het succes van Loft gaat de Vlaamse film donkere tijden tegemoet. Jan-Pieter Everaerts reageert.
Mark Holthof vat het in zijn bijdrage Overleeft de Vlaamse film het recordjaar 2008? goed samen: de door het VAF en de pers verspreide zegeberichten over de ‘Vlaamse’ film, stoelen voor een groot deel op het succes van één film: de pseudo-Amerikaanse thriller Loft. Holthof heeft het daarnaast over de economische crisis die de commerciële pijlers (VTM, tax-shelter ...) van het ‘Vlaamse’ filmbeleid ondermijnt.
In het vorige nummer beweerde Renzo Martens dat zijn film Enjoy Poverty (Episode III) handelt over de machtsrelaties in ons kijken. En dus niet zozeer over wat hij daarnaast ook nog te kijken zet: Congo en de Congolezen. Volgens Matthias de Groof verzandt de kijker daardoor echter in de (niet onaangename) impasse van de kijk-act zelf. Is dat dan echt het enige wat ons rest?
Het werd een zonnige Pasen, dit jaar. Terwijl Tom Boonen voor de derde keer Paris-Roubaix won, hoorde ik de klokken luiden in een Limburg vol bloesems – een streek die graag op het beeld wil gelijken dat tv-series als Katarakt of De Smaak van De Keyser ervan hebben gemaakt. Vlaanderen vakantieland, de hervonden idylle, met de televisie als producent en de kijker als consument. Terug van nooit weg geweest, ook. In wezen ziet Vlaanderen zichzelf nog altijd het liefst als een schilderij van Emile Claus, zondagsschilder par excellence en nu in al zijn lichtheid te zien in het Museum voor Schone Kunsten in Gent: een land in de ochtend, met bedauwde velden, wanneer alles herbegint. Of liever nog bij valavond, wanneer de hitte bekoeld is en in de verte alleen nog een klokje klepelt dat vertelt hoe alles na een dag vol zindering en gewemel zijn plaats terug gevonden heeft, en rust.
Kiezen is de kunst. Met het oog op de verkiezingen vroeg rekto:verso alle Vlaamse politieke partijen welke specifieke cultuurpolitiek zij in de komende legislatuur willen hanteren om de samenleving waar ze naar streven een stapje dichterbij te brengen. Een vraag naar ideologie en concreet beleid ineen, dus. We zetten de antwoorden voor u op een rijtje, en zwijgen. Zodat u straks beter weet wat u te doen staat.
Boeken om naar te kijken. De naam van het project dat onder meer ook leidde tot een tentoonstelling in het Gentse Museum voor Schone Kunsten, wekt verbazing. Boeken die niet bedoeld zijn om naar te kijken, zijn immers tot nader order onbestaande. De organisatoren van het project, onder wie Gerda Dendooven en Gert Dooreman (curatoren van de overkoepelende expositie in het MSK), impliceren uiteraard dat ze van bezoekers niet verwachten dat ze boeken komen lezen. In plaats daarvan selecteerden ze een resem grafisch bijzondere boeken en tijdschriften om ons aan te vergapen, en die dus nadrukkelijk de aandacht vestigen op het boek als object. Daar is niets mis mee, maar ‘eigenzinnig’ – zoals de tentoonstelling wordt genoemd – is iets anders.
In de meest charmante musea voor natuurhistorie lijkt de tijd te hebben stilgestaan. De parkets kraken er en de plafonds zijn er hoog. Je vindt er statige galerijen met miljoenen vastgeprikte insecten en Latijnse soortnamen op vergeelde etiketten. Dergelijke musea zijn pompeus en eindeloos. En meestal ben je er alleen. Je ruikt er negentiende-eeuws kolonialisme en de vervlogen ambitie om de natuur in haar totaliteit te verzamelen, te ordenen en te classificeren. Dergelijke musea bieden een inkijk in een wetenschap die niet meer wordt bedreven. De geur van de boenwas alleen al bezorgt je er een historische sensatie.
Omdat ze waarschijnlijk al eerdere columns van mijn hand hebben gelezen in andere gespecialiseerde bladen als Doorweekt, het maandblad voor de verfijnde urinedrinker met recepten voor lekkere cocktails en prachtige fotoreportages over hun nationale pisproefdagen en het weekblad Zeker?, een tijdschrift voor de meer twijfelende negationist met een weekoverzicht van wat er misschien gebeurd is, hebben de lieve gefrustreerde recensenten, werkloze ex-culturele studies en ander gespuis van dit blad mij een column geschonken, om u de lezer, alle vijftien theatermakers en videoartiesten wanhopig op zoek ergens vernoemd te worden en niet meer blij met de vijf regels en de drie sterren in De Morgen, te plezieren. Tussen al deze langgerekte beschouwingen van obscure Balkanfilms en zogezegd relevante performances uit Zwitserland omdat iedere danser een camera vastheeft, je weet wel een beetje gelijk de oorlog in Irak.
Instant Light. Tarkovski Polaroids is een warm eerbetoon aan de meesterlijke Russische regisseur Andrei Arsenyevich Tarkovski. Het polaroidboek documenteert de periode 1979- 1984. Gedurende die vijf jaren trok Tarkovski regelmatig naar Italië om er in 1982 zijn voorlaatste film Nostalgia te verfilmen. Twee jaar later, in 1984, besloot Tarkovski niet meer terug te keren naar de Sovjet-Unie en zich met zijn vrouw Larissa voorgoed in Italië te vestigen. Oorzaken waren zijn langdurige en bijna legendarische strijd met de censuurcommissie, en vooral de afwijzing van zijn onbeperkte verblijf in Italië door de Sovjetautoriteiten. Tarkovski stierf op 29 december 1986 op vierenvijftigjarige leeftijd aan longkanker in Parijs en liet een klein maar indrukwekkend oeuvre van zeven langspeelfilms na waarin zijn poëtische visie op het leven wordt uitgedrukt. Instant Light. Tarkovski Polaroids nodigt nadrukkelijk uit om die te herontdekken.
Honderd jaar geleden, op 20 februari 1909, publiceerde Filippo Tommaso Marinetti in de Franse krant Le Figaro zijn virulente futuristische manifest dat een haast onstuitbare stroom van gelijkaardige geschriften heeft geïnspireerd. Het manifest was, volgens sommigen, de geboorteakte van de ‘moderne kunst’. Toch bleven die ferm geformuleerde revolutionaire intenties na de Tweede Wereldoorlog lange tijd onderkend. Marinetti was verdacht, omdat hij dweepte met het gedachtegoed van Mussolini; de futuristen lieten zich leiden door een fascino del fascismo, ‘een bekoring van het fascisme’. Die fascinatie blijkt evenwel aanzienlijk gecompliceerder dan algemeen wordt aangenomen. In het Parijse Centre Pompidou krijgt de beweging nu een mild eerherstel, op de expositie Le futurisme à Paris, une avant-garde explosive. Zonder exuberantie, maar ook zonder het chauvinisme dat lange tijd een meer afgewogen inschatting van haar historische rol belette.
In memoriam: Ritsaert ten Cate (1938-2008), ontwerper van publieke ruimtes
Hoe kan kunst nog politiek zijn? Terwijl het theater van de jaren 1970 expliciet de politieke discussie aanwakkerde, lijkt de kunstpraktijk vandaag moeilijker en moeilijker in staat te zijn een rol in de publieke ruimte in te nemen. Dissensus wordt daarbij angstvallig gemeden. Toch vormt die de essentie van de publieke ruimte, zo betoogt de Belgische politicologe Chantal Mouffe in haar recent vertaalde boek Over het politieke. En ook al doet ze in dat boek geen uitspraken over kunst, toch levert Mouffe een aantal mogelijke denkpistes, voor kunstenaars, beleidsmakers en al wie met de rol van kunst in de samenleving begaan is.
Sinds het begin van het nieuwe millennium, met de opkomst van Jörg Haider en de FPÖ in Oostenrijk, worden de West-Europese democratieën op een verhevigde manier geteisterd door een ‘populisme’ dat in zijn slogans (of ‘oplossingen’) niet zelden de vloer aanveegt met de principes van de democratie zelf. Met figuren als Filip Dewinter, Jean-Marie Dedecker, Pim Fortuyn, Rita Verdonck en Geert Wilders is dat ‘duistere populisme’ bij ons vooral van extreem of toch radicaal rechtse signatuur, maar exclusief rechts is het niet.
Dagelijks pendel ik over en weer tussen de hoogopgeleide omgeving waarin ik werk en de laagopgeleide omgeving waarin ik woon en waarin ik op sociaal en politiek vlak erg actief ben. Checkpoint Charlie tussen beide werelden bevindt zich in mijn partij, de SP.a. Die telt immers nog steeds zeer veel laaggeschoolde leden, maar wordt bijna exclusief geleid door hooggeschoolden. Nochtans is een diploma een nodige, maar zeker geen voldoende voorwaarde om Checkpoint Charlie te passeren en in de hogere regionen van de partij te vertoeven.
Ik geloof niet in een verlicht populisme. Het populisme verdraagt geen daglicht. Het teert op donkere onderbuikgevoelens – niet op het erkennen daarvan, maar op het bewust cultiveren ervan, op duistere beloften die de schaduw in vluchten zodra ze met de realiteit geconfronteerd worden, op verdonkeremaande gevoelens van collectieve zelfzekerheid, die alleen vol te houden zijn op de kap van een ander: dé politiek, dé vreemdeling, dé rijken of dé armen.
Eerlijk gezegd ben ik nogal geschrokken van het pleidooi van David Van Reybrouck om het populisme te neutraliseren door meer ‘laagopgeleiden’ in het parlement binnen te loodsen. Alsof het bij uitstek laagopgeleiden zijn die gevoelig zijn voor populistische propaganda en alsof je aan die propaganda en de desastreuze gevolgen ervan een eind kan maken door de meest achterlijken onder ons tot volksvertegenwoordiger te bombarderen.
Langzamerhand beseffen we dat populisme geen incident of tijdelijke aberratie is: een reinigingsritueel dat het politieke bedrijf kortstondig heeft opgeschud voordat het zijn normale gangetje weer kon hernemen. Populisme is here to stay, het gaat in elk geval niet vanzelf weg, en het kan dus beter worden benaderd als een uitdaging dan als een bedreiging voor het bestaande politieke bestel. Ook omdat het niet simpelweg in de rechterhoek kan worden gedrukt: populisme manifesteert zich evengoed aan de linkerkant van het politieke spectrum, zoals de avonturen van Peter R. de Vries, Jan Marijnissen en Wouter Bos hebben laten zien. Bovendien hebben populistische politici eerder én effectiever dan hun traditionele tegenvoeters weten in te haken op de personalistische tendensen van de huidige mediademocratie.
‘In het politieke veld vervallen de meesten in primitieve redeneringen en vooroordelen die zij in het dagelijkse leven als infantiel zouden beschouwen’, wist politiek econoom Joseph Schumpeter. Het populisme van links en rechts speelt daar gretig op in. Nochtans liggen de randvoorwaarden voor het doorbreken van het populisme vervat in de democratie zelf.
Vrijdagavond was een religieuze avond op Het Theaterfestival. Design God van Space ging met haar deelnemers op zoek naar een nieuwe spirituele beleving, Abattoir Fermé droeg met Tourniquet een zwarte mis op in de zwarte zaal en in de rode zaal werden de tien geboden opgefrist door NTGent & Wunderbaum. De Vertegenwoordigers van Goed en Kwaad waren dus alomtegenwoordig. En omdat je tegenstrijdige krachten niet binnen vier muren kan plaatsen: een virtueel gesprek via msn. God heeft plaatsgenomen achter het klavier in de artiestenfoyer, Satan zit gezellig in de caravan van Angelo.
In maart stond het Gentse kunstencentrum Vooruit te koop gedurende hun festival The Game Is Up! Art for Sale. Qua marktwaarde klonk dat in elk geval veelbelovend want het kunstencentrum had nog maar net de Vlaamse cultuurprijs 2007 gewonnen. De anekdote doet overigens de ronde dat er op een rustig moment tijdens deze drukke tiendaagse twee Pakistani het café binnenwandelden om als ernstige kandidaat-kopers over de vraagprijs te onderhandelen. Welke intenties zij met deze kunsttempel hadden (moskee, mega nachtwinkel of Oosterse lusttuin?) is niet bekend. Wat we intussen wel weten is dat de werkelijkheid met dit absurde voorval de verbeelding eens niet overtrof. Met Art for Sale had Vooruit namelijk een grandioos gamma aan kunstenaars in aanbieding – veelal gratis of met korting – die de vrije markt en onze consumptiezucht als onderwerp namen voor een artistiek experiment.
Sociaal-artistieke projecten zijn goed van inborst, en dienen daarom met een andere pen gerecenseerd te worden dan sociale dan wel artistieke projecten elk afzonderlijk. Daar hoef je geen Bert Anciaux voor te heten. Wat uw recensent echter zag in het afgelegen pand alwaar CC Evergem en Victoria Deluxe de handen in elkaar hebben geslagen, stemt echter tot algemene tevredenheid en zelfs lichte euforie. Ga dat zien nu het nog kan!
Wat betekent een weekje Parijs, opgebouwd rond twee festivals, een overdosis expo’s en een heuse cashflow de naam ‘lichtstad’ meer dan waardig? We zochten het proefondervindelijk uit, althans: ‘we’ in de eerste helft van de week en het eerste deel van dit omvangrijk verslag, een solitair ‘ik’ in de tweede helft ervan. Hoewel ...
De cultuurmarkt in Antwerpen op de laatste zondag van de zomervakantie was een succes. Of dat is alvast wat de media ons willen doen geloven. Het spreekt voor zich dat de honderdduizend nieuwsgierige bezoekers en de lange rijen wachtenden voor de kleine theatertjes hierbij als enige indicatoren voor dit succes kunnen gelden. Maar geldt dit niet voor elke markt?
Zo. Festivalseizoen 2003 afgelopen, geen moment te laat, als ik voor minstens tien maanden niet meer in een stinkende tent moet slapen en geen lauw bier uit bekertjes meer moet drinken, dan zal ik al bij al een relatief gelukkig mens zijn, die z’n dagen vult met filosoferen over de vraag wat nu precies dient verstaan te worden onder ‘relatief’.
Dag één na Planet Dour…over een crashlanding gesproken, dit moet de ground zero zijn van de after-dagen na een zwaar festival. Met alle moeite van de wereld proberen te achterhalen wat er de laatste vier dagen zich allemaal afspeelde voor m’n ogen, heel moeilijk, het lijkt allemaal één lange dag geweest te zijn, een dag waar de zon toevallig drie keer onderging en opkwam, en hoe! Voor een keer was het niet louter overmatig drank- en druggebruik die de modale Dourganger tegen het dek aan kwakte, maar wel de zon, die wel heel erg reprazent was de laatste dagen.
Mooi dat een steeds meer multiculturele stad als Brussel nog zo een aandacht wil schenken aan een typisch Vlaams feest. Brussel is NU nog een bruisende stad. Brussel schonk alle Vlamingen (en ook verrassend veel allochtonen en toeristen) een prachtig gevarieerd programma met een onberispelijke organisatie.
Brussel is en blijft een stad met ontzettend veel talent en potentieel, maar het is net te uitgestrekt en te individualistisch om zich echt een imago te vormen. Het pretendeert een metropool te zijn of de hoofdstad van Europe, het is een stad die er van droomt iets te zijn. De VZW Modo Bruxellae probeert de Brusselse ontwerpers samen te brengen om hen een grotere uitstraling te geven. Van 25 tot 27 oktober trok de organisatie doorheen de hoofdstad een STYLISTENPARCOURS DE STYLISTES.
Met een uitgebrande hersenpan en meer zout aan m’n lijf dan een familiepak pistachenootjes hang ik wat uit te blazen aan de toog van het nabijgelegen café. Het razend tempo van het feest op de achtergrond doet vermoeden dat de DJ net ontdekt heeft dat er een nog sneller toerental bestaat dan 45.
In Antwerpen kennen ze er iets van. Met veel bombarie werd er een tijdje geleden het MoMu, Modemuseum, ingehuldigd als parel aan de kroon van de koningin der Vlaamse modesteden. Het historische pand van de Modenatie werd binnenin verbouwd tot een staaltje van hedendaagse architectuur. De houten inkomsthal en galatrap is zonder meer warm, modern en monumentaal, de trap brengt je naar de openingstentoonstelling van het kersverse museum: Selectie 1: Backstage /Achter de schermen / Les Coulisses.
In de nacht van vijf naar zes oktober waagde Brussel zich voor het eerst aan de “Nuit Blanche”, een slapeloze actieve nacht met sport, muziek en diverse andere culturele activiteiten. In tegenstelling tot de gebeurtenissen in Parijs, waar in diezelfde nacht een aanslag werd gepleegd op de burgemeester, kon het Brusselse evenement in Vlaanderen maar op een zeer beperkte persaandacht rekenen.
De feesten liggen al weer een week achter mij en nu al valt het mij zwaar om er me nog een concreet beeld van te vormen. Wat heb ik daar nu weer tien dagen lang staan doen? Hoe heb ik die ontelbare uren daar gesleten? Waar is in godsnaam die 20.000 frank naartoe die vroeger nog op m’n rekening stond? Kortom, where was my mind? Verzopen op de Vlasmarkt, zoveel is zeker.
De zomer…het festivalseizoen loopt als een trein en als gedoctoreerd Feester stort Oscar Gonzo zich ook dit jaar weer met veel geweld en weinig zin voor verantwoordelijkheid in het feestgedruis en in de mate van het mogelijke probeert hij daar ook verslag van te brengen op Urbanmag.
Zomer…eindelijk. De festivals komen met volle kracht aangerold en als gedoctoreerd Feester stort Oscar Gonzo zich ook deze zomer weer met veel geweld en weinig zin voor verantwoordelijkheid in het feestgedruis, en in de mate van het mogelijke probeert hij daar ook verslag van te brengen op Urbanmag.
"De waardigheid van een fantasie bestaat in haar 'illusionaire', fragiele, hulpeloze karakter."(2)
> Slavoj Zizek
Soms moet het ook gaan over de onmogelijkheid om onze eigen intimiteit te benoemen of te verbeelden. Over de nabijheid van 'iets' dat ons tegelijk vertrouwd en vreemd is. Over de stille radeloosheid van iemand die zodanig in zichzelf aanwezig is dat zij of hij totaal afwezig lijkt. Er bestaat een wegzinken in de eigen nietigheid dat alleen maar verbijstert.(3)
En het moet eigenlijk vooral gaan over dit 'spel' van de intimiteit op die momenten dat men reflecteert over de maatschappij, het leven en het transcendentale en daarbij de vertwijfeling van het 'verlichte' denken probeert voorbij te praten. Want, na al deze geschiedenis, na al dat denken, komen we nu uiteindelijk op het lucide, absolute punt - ironisch genoeg ervaren als een nulpunt - waarop we ons realiseren dat we niet langer nog om onszelf heen kunnen.
Waarschijnlijk is het maar een spelletje, maar soms twijfel ik wel eens. En aangezien kunst veelal Kunst wordt door heftig met onze voeten te rammelen en ons uit te dagen, is het die twijfel wel waard. Alles is kunst, niets is kunst. De overschreden versheiddatum van deze bewering bezorgt ons een bitterzoete nasmaak. Maar nu: jongstleden werden in Oostende duivels ontbonden. Goed mogelijk echter dat het grotendeels mijn duivels waren.
Die vrijdagavond zat ik zo’n beetje naar een barst in mijn plafond te staren en na te denken over de staat der dingen, om te besluiten dat het er niet goed voor staat. Daarna dacht ik nog wat na over de klassiek begroetingsvraag "Hoe is’t", en wat je nu eigenlijk verondersteld wordt daarop te antwoorden, "Goe en met jou?" waarschijnlijk, maar ja, welke informatie haal je dan uit dat antwoord ? Nougabollen. Anyway, ik besloot er het gespreksthema van de avond van te maken, en het zou nodig zijn. Na de vorige editie van Page3, ergens in oktober, heb ik een volle week met overspannen stembanden in bed gelegen, als gevolg van overmatig gelul en eindeloos gesocialize. Wel, het werd deze keer nog erger, zo erg zelfs dat ik nu gedwongen ben een snelcursus gebarentaal te leren om een brood te kunnen bestellen.
"Waarom toch? Waarom al dat
drinken en roken? Waarom om middernacht, stoned als een ei en zwaar opgefokt
door de whiskey, nog vertrekken naar de eerste nacht van de Gentse Feesten,
ongetwijfeld de grootste, meest primitieve en onweerstaanbare zuipmarathon uit
de roemruchte Vlaamse zuipgeschiedenis? Negen uur lang door de straten zwalpen,
drinkend voor het leven, wildvreemde voorbijgangers aanklampen en de grootste
dronkemanspraat uitslaan, zelf vastgegrepen worden door een gekke punker die in
het Engels vraagt of er hier ergens wiet te kopen valt, "overal!" roepen en dan
weer verderstrompelen. Het leuke is dat, als eenmaal dat fameuze moment in de
nacht bereikt is, iedereen zich zo gedraagt, je kan naakt op je hoofd gaan staan
en beginnen zingen, niemand zal er zich aan storen. Bij vol daglicht op de
Vlasmakt, het epicentrum van de Feesten, terechtkomen, waar op dat moment nog
honderden die-hard Gentse feesters staan te dansen en te springen en te drinken,
allemaal dronken, allemaal in opperbeste stemming, en dat terwijl de regen met
bakken uit de lucht valt, niemand lijkt het nog te merken, een aangename
afkoeling. Jaja, de Gentse Feesten, het is een fenomeen. Onvatbaar voor al wie
er niet voor open staat, het paradijs op aarde voor de rest..." Oscar
Gonzo, juli 2000
‘De boog kan niet altijd gespannen staan’ is een uitspraak waar een compulsief feester als ikzelf graag mee uitpak, om al die nachtelijke capriolen goed te kunnen spreken (goed wetende dat die boog maar heel zelden effectief gespannen staat). Hoe dan ook, het was weer eens vrijdagavond, het begon donker te worden en te kriebelen, er moest iets gedaan worden met de avond.
U kent ze wel, die kleine icoontjes in de rechterbovenhoek van uw scherm. Het zijn symmetrische en geometrische tekens of bestaan als een opeenvolging van eenduidige woorden, net genoeg zichtbaar zodat je het getoonde beeld onvoorwaardelijk met de identiteit ervan verbindt. Daar ze er zijn, behoren ze voortaan tot eenzelfde panorama waarin u een wereldzicht doorheen een raampje met een doorsnede van 51 cm wordt aangeboden. En dat beeld is uiterst gelaagd, want de ontlokte impact bestaat niet alleen als een beeld van gebeurtenissen, maar blijkt in haar effectiviteit evenzo afhankelijk van deze omringende iconen die haar geveinsde noodzaak ondersteunen.
Al wie dacht dat zwaar Feesten een monopolie is van een bende, veelal doptrekkende, halve gare Gentenaren moet dringend eens zijn of haar licht gaan opsteken in Brussel. Wat een bende wacko's is me dat daar! Geen locatie is er gek genoeg om er een ongelofelijk ethousiast feest te bouwen tot 's morgens vroeg.
Les Gûmes heten ze. Half mens, half plant, maar wat hun verbeeldingskracht betreft méér dan volledig. Ze nestelden zich in het Middelheimpark bij Antwerpen, waar ze nu langzaam ‘vegeteren’. Intussen tonen ze de nieuwsgierige stedelingen hoe ze tegen het leven aankijken. Kinderlijk poëtisch, ontwapenend en goedgeluimd. Zonder complexen en toch in het bezit van heel wat levenswijsheid. Le Phun, het Zuidfranse theatergezelschap dat aan Les Gûmes het leven schonk, staat voor een theater dat grossiert in subtiele maar doeltreffende interventies in de stad.
Een kleine rondvraag in mijn onmiddellijke vriendenkring leerde me dat Merho's Kiekeboe strip "Album 26" (1984) één van de minst geliefde albums is in de reeks. Op zich is dat niet verwonderlijk aangezien de strip eigelijk een radicale ontkenning is van onze verwachtingspatronen over stripverhalen. Alle taboes of ongeschreven regels van het stripverhaal worden dan ook op brutale wijze overtreden of gesubverseerd. "Album 26" is een postmodernistische strip die de illusie van werkelijkheid continu verstoort. Dat irriteert vele lezers die nog steeds een goede plot of een leuk verhaal willen.
Misschien kent de vrouwelijke dualiteit die ik laatst beschreef veeleer haar oorsprong in een benadering die de man als aantrekkelijk ervaart. Is het niet zo dat we haar graag met deze tegenstellingen vereenzelvigen? En dat zij tot onzer criteria zelden een volwaardig alternatief kan betekenen, aangenomen dat zij zich hiertoe al verplicht voelde te voldoen. Want de mannelijke gedachte is labiel en gestoeld op de archetypische drang zijn zelfverkondigde ideeënassociaties als reflectie in een gesloten lichaam aan te treffen. Hijzelf wijdt dit aan zijn uitgesproken wetenschappelijke zin (het is trouwens opvallend hoe de exacte (?) alsook de filosofische wereld door mannen wordt geregeerd - althans wanneer de publicaties representatief zijn, en de uitgevers niet in een categorieke boycot geloven -), maar geldt hier niet veeleer een angst die de man bekruipt als hij met zijn eindige bevatting wordt geconfronteerd? Hij is immers een dogmaticus die zulk een mislukking schuwt en daartoe gaarne zijn pact met de logica verkromt of verbreekt. De waarheid die hij in zijn slotsom volmondig citeert, is daarom bij hoogste uitzondering eenduidig aanwezig.