Less is more en dat bewijst schrijver-regisseur Duncan Jones zonder twijfel met zijn eerste scifi-boorling Moon (2009). In slechts 33 dagen en met een beperkt budget wist hij een melancholische en beklemmende film af te leveren, niet in het minst dankzij rasacteurs Sam Rockwell en Kevin Spacey.
Er is in elk geval één positieve bijwerking aan alle migratiestromen. Wij westerlingen worden door kunstenaars met gemengde achtergrond al eens sneller in beeld gebracht als buitenstaanders in eigen land. Dat het in film niet altijd zo plat hoeft als Borat toont Cherien Dabis’ geschakeerde inwijkelingsportret Amerrika. Al wringt er ook hier iets aan de lichte toon van de prent. Die lijkt voor dit soort cinema wel verplicht. Waarom?
Sinds het splijtende Oscarsucces van Slumdog Millionaire is het officieel: Bollywood verovert Hollywood. Omgekeerd beïnvloedt het westen al langer de Indiase cinema, de grootste filmindustrie van de wereld. De populaire Bollywoodfilm Om Shanti Om, in 2008 in première op de Berlinale en daarna een bescheiden hit in Europa, toont precies waar de bevruchting plaatsvindt, en wat subtiele culturele verschillen blijven.
De meeste critici zijn unaniem: Üç maymun (Three Monkeys, Nuri Bilge Ceylan, 2008) is een verpletterende kijkervaring. De film leverde Ceylan vorig jaar tijdens het filmfestival van Cannes de Regieprijs op en kreeg terecht een pak positieve recensies. Ceylan durft zich te verhouden tot de poëtica van de Europese art cinema en meer bepaald tot het werk van Michelangelo Antonioni, maar Üç maymun is meer dan Antonioni revisited.
De set is die van een livetalkshow. Op de achtergrond een terrarium met kronkelende bikini-babes. In de zaal een volledig mannelijk publiek. En bier. Hun daverende applaus begroet de binnenkomst van twee al even manse komieken, die de show openen met oneliners over hoe je ‘terug’ een ‘echte’ man wordt. Het Vlaamse tv-landschap lijkt er een nieuw format bij te hebben. Weten alleen mannen waarom?
Wat hebben de bedenkers van Merlina toch een kans gemist. Een nachtlampje in de vorm van Napoleons parafix, Polycarpus Tack als sprekende knuffel (‘Waterman roept Merlina’), een Stratego-versie met An – de schrandere – als maarschalk. En, natuurlijk, een Evarist de spelcomputer om spelenderwijs de eerste woordjes Frans te leren. Dat en veel meer behoorde tot de mogelijkheden. Merlina verdween in 1988 van het scherm, de eerste Samson & Gert-televisieshows dateren van 1989. Tussen het einde van Merlina en het begin van Samson & Gert ligt dus niet meer dan een jaar. Dat ene jaar zorgde wel voor een breuklijn, een aardverschuiving die nog altijd in de leefwereld van bijna elk kind in Vlaanderen voelbaar is. Plots was alles daar wel: Samson als donsovertrek, Samson als knuffel, Samson als worst. Samson, die rockt.
De Congolezen hebben het nog steeds niet begrepen. Op uitgestrekte palmolieplantage blijven ze machteloos zwoegen voor een hongerloon van twintig dollarcent per dag, terwijl hun westerse landeigenaar tientallen keren dat bedrag neertelt voor artistieke plaatjes van hun labeur. Zonder morren trekken ze in vluchtelingenkampen onder witte tentzeilen waarvan vooral het logo van Unicef in beeld moet komen. Voor een schamele dollar per maand houden ze zich onledig met eigen feestjes fotograferen, terwijl internationale fotografen tot vijftig dollar binnenrijven per foto van hun uitgemergelde kinderen, hun verkrachte vrouwen en hun vermoorde broeders. In al die jaren is er voor de Congolezen niks veranderd, terwijl ze met hun gat in de boter gevallen zijn door de meest winstgevende grondstof van hun land te bezitten: hun eigen armoede. Goed voor 1,8 miljard euro buitenlandse hulp per jaar, meer dan alle winsten uit goud, kobalt en koper samen. Dan kan de slotsom toch enkel zijn: maak van je armtierigheid je eerste bron van inkomsten. Er is een markt voor!
‘Dude, look around. We are living in a heavy metal world.’ Dat is het evidente maar onthutsende antwoord van een van de bandleden van Acrassicauda, op dat moment de enige actieve metal band in Bagdad, wanneer documentairemakers Eddy Moretti en Suroosh Alvi hen vragen waarom ze doen wat ze doen. Verscheidene jaren volgden beide heren, op gevaar van eigen leven, het wel en wee van de band. Het eindresultaat, de documentaire Heavy Metal in Baghdad, ging in 2007 in première, maar is nu ook in onze contreien op dvd beschikbaar, voorzien van een hele reeks extra’s.
Bijna 1,9 miljoen mensen hebben vorig jaar een Vlaamse film in de bioscoop meegepikt. Dat is een absoluut record. In vergelijking met 2007 betekent dit een stijging van 63,3%. Dat is opmerkelijk, daar algemeen wordt aangenomen dat het bioscoopbezoek in België vorig jaar met 6 à 8% daalde. Dit alles maakt dat het nationale marktaandeel voor de Vlaamse film dit jaar in de buurt van 10% zal liggen... en in Vlaanderen zelfs ergens tussen de 15 en 20%.
U kent ze wel. Die schattige deurmatjes met ‘welcome’ erop. Een korte close-up van zo’n matje in de nieuwe film van de Franse cineast Philippe Lioret levert meteen de titel van de prent. Ironie, natuurlijk. Welcome zoomt in op de hekken rond Europa, tegen al te veel aankloppende vluchtelingen. U kent ze wel. Die mensen waaraan we onze voeten vegen. Ze leveren in Welcome het soort sociale film dat we in Vlaanderen nooit zien.
Laurent Cantet zal met Entre les murs geboekstaafd staan als winnaar van de Gouden Palm op het filmfestival van Cannes, maar de film die het meeste ophef maakte, komt uit een heel andere hoek. Met de geanimeerde documentaire Waltz with Bashir geeft de Israëlische regisseur Ari Folman zijn persoonlijke blauwdruk van de genocide in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila.
Batman mag een nominatie in ontvangst nemen voor comeback kid van de eenentwintigste eeuw. In de jaren 1990, en zeker na het desastreuze Batman and Robin (Joel Schumacher, 1997) leek het tijdperk van de actieheld in zijn vleermuispak totaal voorbij. Maar Batman Begins (2005) bleek een geslaagde en hoog gewaardeerde herstart. Christopher Nolan, begonnen als regisseur van kleine maar verrassende arthousefilms als Following (1998) en Memento (2000), mocht daarna ook voor het vervolg tekenen. Met The Dark Knight maakte hij niet alleen de zomerkaskraker van het jaar die allerlei bezoekerrecords deed sneuvelen.
Het was mijn eigen kleine geheimpje. In de laatste jaren van mijn humaniora was ik verslingerd aan de VPRO-serie We zijn weer thuis, een dramady over de belevenissen van de weduwe Nel van der Hoed-Smulders en haar drie volwassen zonen. Deze reeks na vijftien jaar opnieuw bekijken, is getroffen worden door het soort televisie dat we hebben verloren. Het kabelvoer is vandaag van top tot teen high concept. Zelfs de platste banaliteit wordt ons met de glans en gladheid van een perfect vormgegeven leegte door de strot geramd. We zijn weer thuis dateert uit een tijd toen er nog werd geknutseld, gezocht en geëxperimenteerd op de buis. In één beweging door haalde de tegendraadse humor van de reeks bovendien de mode van de postmoderne ironie onderuit om er zowaar iets leuks van te maken.
De nieuwe biografie van Anna Nicole Smith, Une chic fille, leek een doos van Pandora: een vreemd fenomeen op zich, schijnbaar onschuldig, maar eenmaal open een doos vol vuile ontdekkingen. Maar laten we niet vooruitlopen – u bent waarschijnlijk al blijven steken bij de Anna Nicole Wiedattum-ook-alweer? En het begon ook bij mij allemaal met naïeve verwondering: als een deus ex machina belandde het boek op mijn bureau.
De films van de Oostenrijkse cineast Ulrich Seidl zijn geen publiekstrekkers. Daarvoor liggen ze iets te zwaar op de maag. In Brugge mocht zijn nieuwste film Import/Export (2007) zeven vertoningen genieten, waarvan de meeste waren weggestopt in de laatavondprogrammatie. Ik was aanwezig bij vertoning nummer drie. Er zaten nog vier andere mensen in de zaal, waarvan één medewerker van de bioscoop. De afwezigen hadden niet zozeer ongelijk. Ze hadden een slecht geweten.
Interessanter nog dan de vraag of het recent uitgebrachte The Fall (Tarsem Singh, 2006) een goede film is, is de vraag waarom critici er zo moeilijk raad mee weten. Jan Pieter Ekker was in de Volkskrant tamelijk positief over de bombastische film vanwege zijn overdonderende beeldenstroom, maar eindigde zijn recensie met twijfel. Tarsems film is ‘misschien ook wel een tikkeltje leeg. Maar dat besef komt pas lang nadat de film is afgelopen en je je verwonderd afvraagt waar je nu precies naar hebt zitten kijken.’1 In De Filmkrant vergelijkt Ronald Rovers The Fall met pover ontvangen films als Southland Tales (Richard Kelly, 2006) en The Fountain (Darren Aronofsky, 2006). Zijn deze films te beschouwen als junkfood of, zo oppert Rovers, zijn ze stiekem iets nieuws aan het doen?2
Het moet zowat het mooiste zijn dat je te zien kunt krijgen als het gaat om Amerikaanse muziek uit de twintigste eeuw: Johnny Cash en Louis Armstrong die in 1970 samen ‘Blue Yodel #9’ spelen, een nummer van Jimmie Rodgers, ‘the father of country music’. Armstrong is op dat moment al zeventig jaar oud en zal tien maanden later sterven. Zijn dokters hadden hem geadviseerd geen trompet meer te spelen, maar zoiets vraag je uiteraard niet van een muzikant. Het allermooiste zijn echter de momenten waarop Armstrong de trompet even stilhoudt en Cash volgt wanneer die Rodgers’ karakteristieke jodel inzet. Wat hij dan doet kun je misschien bezwaarlijk zingen noemen, maar het is wel van de meest zuivere en ontroerende muzikaliteit.
Paul Thomas Andersons There Will Be Blood (2007) is een macht die over je heen gaat. Met adembenemende vaart raast de film door het levensverhaal van Daniel Plainview (Daniel Day-Lewis), een oliebaron die zijn ziel verkoopt voor olie. Op zijn weg naar de verdoemenis kruist hij echter het pad van Eli Sunday (Paul Dano), een prairieprediker die even intens van God houdt als Plainview van zijn dollars. Zo stelt Anderson de twee Amerikaanse grootmachten van vandaag tegenover elkaar: God en Kapitaal. De tweestrijd die zich vervolgens ontwikkelt, is een Great American Novel waardig (is met name gebaseerd op een roman van Upton Sinclair) en loopt over van Bijbelse thema’s. Amerika mag zich dan al graag een ‘Natie Onder God’ wanen, Anderson haalt dit zelfbeeld genadeloos onderuit en slaat het ‘with great vengeance and furious anger’ aan diggelen.
‘t Arsenaal bracht De collega’’s terug op de planken en maakte daarmee de cirkel rond. De collega’s was ooit een toneelstuk van het Mechels Miniatuur Theater, de voorvader van ‘t Arsenaal. Het is lang geleden, in 1976 met name, het jaar met die fameuze hete zomer, en op een van die zomerdagen speelt het stuk zich af – de hitte die iedereen teistert staat symbool voor de verhitte gemoederen op het bureau. De scenarist Jan Matterne had met het idee voor een kantoorserie bij de BRT aangeklopt, maar de omroep kreeg pas interesse toen de toneelversie liep als een trein. De televisiereeks kwam er alsnog, liep vanaf 1978 drie seizoenen lang en werd een fameus succes. De BRT zat toen nog stevig in het zadel als monopolist en uitzendingen van De collega’s haalden tot twee miljoen kijkers.
“Op Linkeroever loopt raar volk rond.” Het is een citaat annex onheilsboodschap uit het bijzondere langspeeldebuut van Pieter Van Hees. Zijn Linkeroever houdt het midden tussen een charmante oppervlakteromance en een beklemmende, macabere thriller. En hij blijft daar goed overeind.
Wie ook maar een beetje cinemagevoel bezit, kan niet anders dan kijkplezier beleven aan al die zelfverklaarde B-films die de laatste jaren enigszins contradictoir met fikse A-budgetten worden ingeblikt. Zowel het mainstream- als het arthousepubliek lusten er kennelijk pap van, en waarom ook niet? Ze zijn vaak gemaakt door rasfilmers, met visuele flair, vormelijke verbeelding, knapbezette casts en veel, veel humor. En ze hebben het oeuvre van een paar vergeten broodfilmers weer onder de aandacht gebracht, type Jack Hill. Maar bekijk een paar films van diezelfde Jack Hill, en je weet wat deze recentere films missen: inhoud, betrokkenheid en een kritische blik.
In een bekend gedicht van Rutger Kopland stapt een moeder langzaam op haar kind toe om het niet te laten schrikken, neemt het voorzichtig op om het niet te beschadigen en slaat dan keihard. Iets gelijkaardigs gebeurt in de films van de Koreaanse regisseur Kim Ki-Duk (Seoul, °1960). Zijn films zijn doorgaans een streling voor het oog en lijken op het eerste gezicht enigszins bizarre liefdesverhalen die nu en dan door brutale schokeffecten worden doorboord. Maar dat is slechts schijn.
Het Mexicaanse Stellet licht (Carlos Reygadas, 2007) biedt een mooie kijk op twee cruciale tendensen binnen de hedendaagse cinema. De ï¬ÂÂlm belicht een speciï¬ÂÂeke regionale cultuur, terwijl zijn stijl en beeldtaal onmiskenbaar gericht zijn op een internationaal publiek. Daarnaast toont hij dat de typische esthetische criteria van de Europese art cinema nu geëxporteerd zijn naar allerlei buitenwestelijke gebieden. De nazaten van regisseurs als Michelangelo Antonioni, Robert Bresson en Andrei Tarkovski vinden we vandaag vooral buiten Europa.
Toen Takashi Miikes verï¬Âlming van Ryu Murakami’s boek Audition enkele jaren terug in het reguliere Belgische cinemacircuit werd uitgebracht, bleek dat niet alleen Miikes beste werk tot nog toe te zijn, het was ook één van die extreem verontrustende ï¬Âlmervaringen waar minstens de helft van het publiek tijdens de sadistische ontknoping de zaal verliet. Eerder tekende Murakami zelf al voor de regie van een andere titel uit zijn eigen oeuvre, de al even ophefmakende schandaalï¬Âlm Tokyo Decadence. Die prent dateert van 1992, maar werd recentelijk in België opnieuw op dvd uitgebracht. Hoe raakt dit schrijnende relaas van een timide SM-hoertje ons vandaag de dag: als een sensatiebelust vehikel voor een belegen maatschappijkritische boodschap? Of herontdekken we een gestileerd pareltje uit de Japanse cultcatalogus?
Joel en Ethan Coen brengen in No country for old men alles in stelling voor de smakelijke clash tussen psychokiller Javier Bardem en de overmoedige Josh Brolin. Moordlust om van te smullen, prachtige bloedbeelden, stiltes die spanning in plakjes snijden, nakende confrontatie. En plots is er niets meer aan.
Zelfs voor de cynische twijfelaars onder ons zal het nu wel duidelijk zijn: met Into the Wild (2007) is Sean Penn definitief toegetreden tot het pantheon van grote eigentijdse filmauteurs. Het is pas zijn vierde film als regisseur en scenarist, maar het is ook zijn vierde voltreffer op rij. Het verhaal van Christopher McCandless, de student die zijn geld wegschonk om in zijn eentje in Amerika rond te trekken, is een ode aan de Amerikaanse pioniersgeest. Het is een film over een antiheld wiens onstuimige temperament perfect aansluit bij dat van Penn. Een verhaal over waarheid en waarden in een verweesde wereld.
Voor het gemak zou je het genre dat Ken Loach beoefent ‘sociale cinema’ kunnen noemen. Films die naast een goed verhaal, de kijker een geweten proberen te schoppen. In The Wind That Shakes the Barley (2006), over de Ierse onafhankelijkheidsstrijd, en Land andFreedom (1995), over de Spaanse burgeroorlog, ging Loach het over de grenzen zoeken, maar op zijn best is hij als hij verhalen vertelt die dichter bij huis spelen. Zo is Riff Raff (1990), met Robert Carlyle, een film die diepe indruk op mij maakte. Vaak vertelt Loach het verhaal van een individu tegen het licht van de grote geschiedenis. Het verhaal van een kleine man in de grote wereld. Of hoe la petite histoire ons meer inzicht kan geven in la grande histoire, en zelfs relevanter kan zijn. Want als het goed gebracht wordt, kan een fictief of half fictief verhaal ons meer vertellen over de werkelijkheid dan een documentaire of een geschiedenisboek.
Filmdocumentaires uit de Maghreb? Je stelt je er iets bij voor met kamelen, stoffiÂge bergen of mannen die thee slurpen op roerige straathoeken, terwijl verderop een moskee loeiend oproept tot het avondgebed. Niet meteen waar je hier je slaap voor zou laten. Maar geen documentaire heeft me ooit meer gedaan dan VHS Kahloucha van Néjib Belkadhi uit Tunesië, samen metAli Essafi’s Ouarzazate Movie uit Marokko. Beide films gaan over films maken als een overlevingsstrategie in verarmde contexten. Maar ze hebben onze westerse blik vooral iets bij te brengen omdat ze die juist omkeren. Een pleidooi voor noodzaak.
Met Eastern Promises duikt David Cronenberg in de onderwereld van de Russische maffia in Londen. Dat is geen fraai gezicht, maar de film is geweldig. Sarcastische humor, spanning en intrige, esthetisch geweld.
Hoe boeiend kan een serie over een aantal ‘wanhopige huiswijven’ uit de Amerikaanse suburbia zijn? Zéér, als we mogen afgaan op de gigantische kijkcijfers van Desperate Housewives. De meer dan 120 miljoen kijkers én de critici spraken grote waardering voor deze serie uit, omdat ze de hypocrisie van de hedendaagse Amerikaanse samenleving genadeloos zou blootleggen. Maar doet de serie dat eigenlijk wel?
De eerste Amerikaanse langspeelfilm, The Great Train Robbery uit 1903, was een western. In de daaropvolgende eeuw is het Amerikaanse oergenre verschillende keren dood en begraven verklaard, maar het herrees telkens uit zijn as. Zo werd het steeds meer gelaagd en slopen er rijkere karaktertekeningen en complexere moraalfilosofische vragen in. The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford is het meest recente voorbeeld, en meteen een meer dan geslaagde illustratie van de mogelijkheden die de western nog te bieden heeft.
Metveel poeha kondigde het Centre Pompidou een tentoonstelling over/van/met Jean-Luc Godard aan, die uiteindelijk plaatsvond in de zomer van 2006 maar uitliep op een anticlimax nadat de meester zelve zich uit het project had terug getrokken en zich van het resultaat distantieerde met behulp van een geschreven statement. De dvd-versie van zijn monumentaal videowerk, Histoire(s) du cinéma (1988-98), liet intussen op zich wachten. Er circuleerden allerhande geruchten over onvermijdelijke conflicten tussen de cineast en de producenten van de dvd. Maar uiteindelijk is hij er nu toch.
Op het Pauze festival dat op het einde van deze maand in de Vooruit plaats heeft, stelt de Limburgse fotograaf Jef Mertens zijn film ‘Dronevolk’ voor, een muziekdocumentaire over de Vlaamse drone -en weirdfolkscene met bijdragen van Ignatz, Sivester Anfang, Bear Bones Lay Low en Kiss The Anus Of A Black Cat.
In Rescue Dawn (2006) dat in de nazomer in de filmhuizen rouleerde, portretteert Werner Herzog de van oorsprong Duitse Dieter Dengler. Deze sluit zich als luitenant bij het Amerikaanse leger aan, maar wordt tijdens zijn eerste vlucht in de Vietnamoorlog direct neergeschoten. De film belicht hoe hij moet zien te overleven in de jungle van Cambodja onder de meest erbarmelijke omstandigheden. En daarmee wordt Rescue Dawn een typische Herzog-film: een kleine man wordt zwaar beproefd te midden van een duistere natuur en etaleert zijn moedige overlevingsdrang. Herzog zoekt ook met deze film weer zijn plek binnen de Duitse filmgeschiedenis en toont zich opvallend onverschillig over vragen omtrent goed en kwaad.
Onlangs nam ik samen met nog vier (!) andere gegadigden plaats in het grootste bioscoopcomplex van Gent voor de première van Control. Deze biopic is het alom geprezen debuut van de bekende Nederlandse rockfotograaf Anton Corbijn, een man wiens grofkorrelige beelden van legendes als Johnny Cash, Bono en Marianne Faithfull op menig netvlies gebrand staan.
In 1983 verscheen een ‘kleine’ film van een oudgediende van de Nouvelle Vague: Pauline à la plage van Eric Rohmer, deel 3 uit de cyclus Comédies et proverbes. De film was toen reeds een soort anachronisme, omdat Rohmer (°1920) al drie decennia lang min of meer dezelfde soort cinema aan het maken was, los van elke mode maar daarom nog niet navelstaarderig. Het verhaal is simpel: een meisje wordt voor de eerste keer verliefd, maar haar gevoelens botsen met de kleinzieligheid, het egoïsme en het fundamentele gebrek aan eerlijkheid van de andere personages, inclusief dat van de jongen waar ze het voor heeft. Dit maakt dat ze minder gelouterd dan geschonden uit het avontuur komt.
Wie vandaag de dag iets meer wil weten over film en hiervoor zijn soelaas zoekt in de filmtheoretische analyses, moet al erg hard zijn best doen om niet met het Sloveense fenomeen Slavoj Ziek te worden geconfronteerd. Dit vrolijke enfant terrible van de filosofie, ook wel de ‘Iggy Pop van de filmkritiek’ genoemd, is berucht voor zijn opmerkelijke psychoanalytische duidingen van vooral westerse cultuurproducten.
‘Good guys’, ‘bad guys’, recht en rechtvaardigheid. Het zijn de basisingrediënten van de doorsnee misdaad- of politiefilm. Dat is niet anders in The Brave One, de nieuwste thriller met girl-next-door Jodie Foster en speurder Terrence Howard in de hoofdrollen. Toch is deze film meer dan doorsnee. Hij verdient geen lof omwille van zijn originaliteit, wel omwille van de acteerprestaties en omdat hij ondanks een iets te gemakkelijk happy end toch lekker blijft knagen aan ons geweten.
Dat de Vlaamse filmkritiek in de lappenmand ligt, is geen nieuws meer. Ze valt samen met flinterdunne recensietjes die driekwart verhaaltje kopiëren, drie adjectieven aan de vorm wijden en dan snel oordelen of u moet gaan kijken of niet. Dat kijken zelf krijgt intussen drie keer zoveel aandacht: Harry Potter de zoveelste breekt alle records, en die en die bekende Vlamingen vinden dit en dat van The Simpsons. Ligt het misschien aan bloedarmoede in de cinema zelf? In elk geval niet aan de laatste Lars von Trier. Die blijkt een stuk subversiever dan de luchtige kritiek laat uitschijnen.
De problemen met Pascale Ferrans Lady Chatterley (2006) kondigen zich onvermoed reeds tijdens de openingstitels aan. We lezen dat de film gebaseerd is op de tweede versie van D.H. Lawrence’ roman, en wel de Franse vertaling daarvan onder de titel Lady Chatterley et l’homme des bois. Het vergt een Frans soort cerebraliteit om de mythisch klinkende titel van Lawrence’ roman met zo’n letterlijkheid te vertalen.
Met Metropolis, Report From China staan Clemens von Wedemeyer en Maya Schweizer zeker niet alleen in hun kritische reflectie op de ontwikkelingen die China de laatste jaren doormaakt. Hun doelstelling om Metropolis van Fritz Lang over te doen in een hedendaagse Chinese setting mag dan niet de beoogde fictiefilm als resultaat kennen, laat staan dat het duo op de proppen komt met een film die de impact van Metropolis zou kunnen benaderen, het documentair verslag van hun bezoek aan China is niet zonder verdienste. Zo toont hun documentaire ondermeer aan dat ‘urban myths’ vaak niet meer zijn dan broodje-aap verhalen, weliswaar met hevige humanitaire consequenties.
De laatste film in de MuHKA-selectie over punk is een buitenbeentje. American Hardcore van Paul Rachman, naar een boek van Steven Blush, vertelt het verhaal van de golf van Amerikaanse hardcore bands in de eerste helft van de jaren tachtig. De documentaire richt zich op de ondergrondse muziekscene in de V.S. én is de enige in de reeks die vanuit een hedendaags perspectief terugblikt. American Hardcore bevat tonnen exclusief archiefmateriaal en interviews met een hele rits betrokkenen.
Het derde luik van het punkthema in het MuHKA was gereserveerd voor Rude Boy (1980), een docufictie van Jack Hazan en David Mingay. De film richt zich op The Clash in de aanloop naar het grote succes, ten tijde van de opnames voor hun tweede album Give ‘Em Enough Rope en hun tournee door Groot-Brittannië in 1978. Tegelijkertijd doet Margeret Thatcher een gooi naar het premierschap. De fictieve gids die ons bij de politiek geëngageerde punkgroep introduceert is Ray, een would-be roadie maar vooral een would-not-be anything.
In het MuHKA speelde de tweede film van een selectie die licht wil werpen op de punkperiode. Waar de openingsfilm Jubilee (Derek Jarman) nog een breed maatschappelijk-historisch beeld schetste, opteert Don Letts met The Punk Rock Movie voor een rechttoe rechtaan documentaire met veel aandacht voor livemuziek. De optredens van enkele cruciale punkbands vinden plaats in de ondertussen legendarische The Roxy, in de lente van 1977. Billy Idol was nog punk en in het pogoënde publiek kan je een jonge Shane McGowan herkennen. Martin Scorcese vroeg om een privé-vertoning en Federico Fellini noemde Don Letts een visuele terrorist. Voor meer namedropping...
Een vroege zomeravond, de terrasjes gevuld met glazen wijn en verwachtingsvol gekwetter, enkele verdwaalde shoppers struinen door de resten van een succesvolle winkelwandeldag. In het MuHKA – voor de gelegenheid verborgen achter de Sinksenfoor –staat de eerste van een reeks films over punk op het programma: Jubilee van Derek Jarman (1942 – 1994). De tweede film van deze moderne renaissanceman werd gefilmd in 1977, hoogtepunt van de Engelse punkbeweging én het jaar van het 25-jarige jubileum van Queen Elizabeth II. In Jubilee wijst het verleden naar punk én verwijst Jarman punk naar het verleden.
Sport en Cultuur. Ze hebben dezelfde minister maar weten amper van elkaars bestaan af. Maar de culturele elite kijkt Canvas, en daar wordt ze tegenwoordig om de oren geslagen met sportdocumentaires. Belga Sport zoekt naar wat ‘jongens van bij ons’ tot kampioenen maakt. De dappersten aller Galliërs spelen ook een dubbelzinnige hoofdrol in de Deense documentairefilm A Sunday in Hell.
Toen Christoph Schlingensief (Oberhausen, 1960) net als zijn idool Rainer Werner Fassbinder tot tweemaal toe werd afgewezen voor de filmacademie, besloot hij op eigen houtje films te maken. Sinds Tunguska -Die Kisten sind da (1984) heeft hij in ware guerillastijl een klein dozijn films gedraaid, van het obscene Menu Total (1986) dat op de Berlinale 1986 werd uitgefloten tot de groteske parodieën United Trash (1995) en Freak Stars 3000 (2003). De kern van zijn filmwerk is echter zijn beruchte Duitsland-trilogie waarin hij afrekent met het steeds minder latente neofascisme in Duitsland. Deze hysterische politieke parabels zijn pareltjes van obscene wansmaak. Vandaag, vijftien jaar na datum, zijn ze ook profetisch gebleken: vlijmscherpe analyses van de race naar rechts in een Europa dat stilaan uit zijn multiculturele voegen barst. Als men ze in het perspectief van Schlingensiefs politieke theateracties plaatst, zijn deze films bovendien het kernstuk van een verrassend frisse visie op die verrechtsing. Provocateur extraordinaire of niet, Schlingensief is de laatste Meester uit Duitsland die te vuur en te zwaard de nazi’s komt bevrijen.
Onlangs vroeg een journalist aan cultregisseur David Lynch wat hij vond van product placement in films. Zijn antwoord was kort en krachtig: ‘Total fucking bullshit’. Wie zou hem zo meteen ongelijk geven? We worden al overspoeld door reclame, dus de strategische integratie van commerciële producten in televisieseries en films kunnen we missen als kiespijn. Maar het is een legitieme vraag waarom we het dan steeds meer zien opduiken, zeker omdat sluikreclame in Vlaanderen zelfs verboden is.
Elke zaterdagochtend is op tv Power Rangers Mystic Force te bezichtigen. Ik volg de serie, eerder plichtmatig dan enthousiast, en met de hoop de fascinatie te herbeleven van de oorspronkelijke Mighty Morphing Power Rangers, die halfweg de jaren 1990 dagelijks het scherm bestormden.
In afwachting van het verschijnen van de dvd van Nuit Noire, het langspeeldebuut van Olivier Smolders uit 2005, kunnen we ons laven aan Exercices Spirituels, een verzameling van zijn kortfilms. Deze collectie omvat ongeveer 20 jaar filmwerk van Smolders (°1956) die naast regisseur ook producer, publicist en professor aan het INSAS is.
Dagen zonder lief typeert een nieuwe generatie bijna-dertigers als pragmatisch ingestelde levensgenieters. Huisje, jeepje, kindje. Ze slagen erin hun twijfels te verbergen en hun verdriet dood te zwijgen. Alles voor de schone schijn, voor de waan van het geluk. Met ons gaat het toch goed? Tot de liefdesengel komt en hen wakker kust.
Het Londense onedotzero is één van de meest gehypete en gerespecteerde crossmediale productiebedrijven van de laatste jaren. Naast het runnen van een eigen productiehuis organiseert onedotzero ook wereldwijd festivals waarin animatiefilmpjes worden vertoond van de meest toonaangevende regisseurs, grafische vormgevers en reclamemakers. In het kader van het Anima festival werden de compilaties Spectrum # 1 en Spectrum #2 vertoond. Ondanks de hoge kwaliteit en het eigenzinnige talent van veel van de bijdragen, is niet al het aangeboden materiaal even fris en vernieuwend als de kijker wordt voorgehouden.
Anima 2007, dat vanaf dit jaar een onderkomen vond in het Flageygebouw, werd op 16 februari feestelijk ingeluid door een Roemeens zigeunerorkest. Voor de openingsfilm, The Ugly Duckling and me, een Deens-Frans-Ierse productie, gebaseerd op het bekende verhaal van Hans Christian Andersen, zat Studio 4 - de grootste filmzaal van Flagey – al meteen goed vol en wie geen plaats vond op de begeerde parterre, ging met plezier op zoek naar een plaats op het voorste balkon.
Het Anima festival is ondertussen aan haar 26ste editie toe en de eerste competitie van kortfilms oogt alvast veelbelovend. De geselecteerde werken bieden een mooie staalkaart aan van wat er momenteel leeft in de animatiesector. De rode draad die de meeste werken in dit programmaluik verbindt, is het zich toe-eigenen van een bestaande, picturale beeldtaal voor eigen doeleinden.
Zoals het een goed festival betaamt, tracht Anima elk jaar een barometer te zijn voor al wat er binnen het genre leeft, vooral dan met zijn internationale selectie van kortfilms. Doorheen de 4 programmas’s die ik heb gezien (het 1ste van de vijf wordt besproken door Sam Steverlynck) werden zowat alle stijlen en tradities vertegenwoordigd, met soms wisselend succes. Dit doet vermoeden dat er bij de selectie bewust een panoramisch aanbod wordt nagestreefd, eerder dan enkel het allerbeste of vernieuwendste te willen tonen. Een te respecteren keuze.
Anima 2007 besteedt in een speciaal programma aandacht aan de Chinese animatietraditie. Het programma ‘Klassiekers van de Chinese animatie’ is door het Chinees animatiefestival, het CICDAF, samengesteld en toont acht korte films, waarvan de meeste van de Shanghai studio’s en uit de jaren tachtig zijn.
Zoals het een goed festival betaamt, tracht Anima elk jaar een barometer te zijn voor al wat er binnen het genre leeft, vooral dan met zijn internationale selectie van kortfilms. Doorheen de 4 programmas’s die ik heb gezien (het 1ste van de vijf heb ik gemist, maar wordt besproken door Sam Steverlynck) werden zowat alle stijlen en tradities vertegenwoordigd, met soms wisselend succes. Dit doet vermoeden dat er bij de selectie bewust een panoramisch aanbod wordt nagestreefd, eerder dan enkel het allerbeste of vernieuwendste te willen tonen - een te respecteren keuze. Anima kan dan misschien niet meteen op de meest vooruitstrevende reputatie bogen, het kan wel op veel sympathie rekenen. En hoeveel festivals bestaan er waar achterstanden op tijdsschema’s worden ingehaald door systematisch reclameblokken over te slaan ?
Wat volgt is een bespreking van alle kortfilms die ik zag, gegroepeerd per programma-onderdeel en in de volgorde van vertoning.
Waar staat de Europese animatiefilm tegenwoordig in vergelijking met haar Amerikaanse en Japanse grote broers ? Visueel en stilistisch is het vrijwel onmogelijk “de Europese animatiefilm” als geheel te onderscheiden, maar enkele films bewijzen dat er wel degelijk een aantal inhoudelijke aspecten zijn die vreemd zijn aan de Amerikaanse of Japanse animatieindustrie.
De dag dat God België heeft geschapen, was hij een beetje in een jolige bui. Het grote werk zat erop, er moesten alleen nog hier en daar wat gaatjes worden opgevuld. Omdat zijn aandacht wat begon te verslappen, legde hij zichzelf die dag ook enkele onnozele taken op, waaronder het bedenken van een paar concepten en stromingen waarvan de naam moest eindigen op ‘-isme’. Toen hij het surrealisme had bedacht, verscheen er een brede grijns op zijn gezicht. ‘Laat ons dat maar aan de Belgen toevertrouwen’, galmde Hij.
Casino Royale (Martin Campbell, 2006), de nieuwste James Bond-film, is een gespleten productie. Enerzijds is Bond (Daniel Craig) de spil in een actiefilm van na 9/11 die qua spektakel en stunts volledig is toegesneden op de eenentwintigste eeuw. Anderzijds is de film ook te classificeren als een ‘Bond Begins Anew’. De proloog in de film is in zwart-wit en toont ons een Bond die zijn status als double-0 nog maar net heeft verworven. Zo weet zijn tegenstrever in de openingsscène niet dat hij recentelijk is gemachtigd tot doden. In Casino Royale bezondigt de ‘jonge’ geheim agent zich tot ergernis van M (Judi Dench) aan roekeloos en gretig gedrag en moet hij zich nog leren intomen. In dat opzicht is de laatste Bond-film een soort ‘back to the future’: door de terugkeer naar vroeger worden we aangespoord te reflecteren op het toekomstige personagebeeld van de koelbloedige 007 dat inmiddels achter ons ligt.
Vooraleer Peter Jackson de wereld verblijdde met een overdaad aan hobbits en het filmpubliek niet zo lang geleden nog drie uur met een flinke portie aap opzadelde, knutselde de man al enkele eerder bevreemdende producties in elkaar in thuishaven Nieuw-Zeeland.
Regisseur Christopher Nolan maakt moeilijke films voor moeilijke mensen. Dat is toch de algemene opvatting. Memento was een staaltje ingewikkelde cinema waar menig toeschouwer verdwaalde in het kluwen van verhaallijnen en flashbacks. Batman Begins had niet de opbouw van een gewone Hollywoodblockbuster, tot ergernis van velen. In The Prestige, zijn nieuwste film, is dit niet anders. The Prestige is een film waar het verhaal niet voorgekauwd is, waar er moet bij nagedacht worden en waar het einde niet voor de hand liggend wordt gepresenteerd. Ja, men moet nadenken als men een film van Christopher Nolan bekijkt. Maar is dat een slechte zaak? Helemaal niet.
Het was niet meteen een rol die zomaar iedereen kon spelen. Al was het maar omdat Elizabeth II hem zelf nog steeds speelt. Maar ik kan mij moeilijk inbeelden dat regisseur Stephen Frears ooit een andere actrice dan Helen Mirren zou hebben overwogen voor de titelrol in The Queen (2006). Voor Mirren is de rol in zekere zin de voorlopige kroon op haar carrière. Niet omdat het haar beste rol is (want dat is het niet), maar omdat het toepasselijk is dat zij The Queen zou spelen. Het reflecteert haar positie als een van de grote moderne actrices, de koningin van haar stiel en kunst. Maar wat maakt Mirren zo goed? Wanneer critici over regisseurs, auteurs, schilders of componisten schrijven, kunnen ze terugvallen op een kritisch jargon en het handige idee van een ‘oeuvre’. Maar hoe bouwt een uitvoerend kunstenaar als een acteur aan een oeuvre? Is hij/zij niet afhankelijk van wat hem/haar wordt aangeboden? En hoe creëert een acteur eenheid in de diverse rollen die hij of zij speelt? De rol van The Queen is toepasselijk voor Mirren omdat hij de sleutel is tot het antwoord op die vraag: wat maakt het oeuvre van een acteur tot een oeuvre? En hoe kun je dat als criticus duiden?
Wat betekent een weekje Parijs, opgebouwd rond twee festivals, een overdosis expo’s en een heuse cashflow de naam ‘lichtstad’ meer dan waardig? We zochten het proefondervindelijk uit, althans: ‘we’ in de eerste helft van de week en het eerste deel van dit omvangrijk verslag, een solitair ‘ik’ in de tweede helft ervan. Hoewel…
Regisseur Guillermo del Toro gelooft in sprookjes. Zoveel is zeker als je zijn nieuwste film El Laberinto del Fauno bekijkt. En wat nog beter is, del Toro doet zijn publiek ook geloven in die sprookjes door zijn vertelkracht en zijn fantasie. Maar del Toro is ook een realist. Hij weet dat sprookjes, echte sprookjes, wreed zijn omdat ze symbool staan voor wat er in het echte leven gebeurt. Del Toro gaat deze wreedheid niet uit de weg en dit is net het mooie aan El Laberinto del Fauno, het neemt de toeschouwer mee naar een sprookjeswereld om de wreedheid van het leven te tonen.
Stanley Kubrick, zonder twijfel een van de begaafdste en meest veelzijdige cineasten van onze vorige eeuw, is zeven jaar dood. Voor de omkaderende programmering van het Filmfestival in Gent betekent het ronduit een zegen, en een hoop publiciteit. Dat de organisatoren die onconventionele verjaardag (7!) aangegrepen hebben om een grote retrospectieve op poten te zetten, mag een reden hebben: opportunisme. De grote Stanley Kubrick-show, want dat is het altijd een béétje, is immers aan een mondiale tournee bezig en heeft naast Rotterdam, Parijs, Londen en New York ook nog Moskou en Tokio op zijn draaiboek staan. Met klem. Want als we iets uit deze tentoonstelling leren, onder andere door hoe die is opgevat, vormgegeven en uitgewerkt, dan is het wel dat de goede bebaarde man naast een ongelooflijk genie die erg gelaagde films maakte, ook een enorme crowdpleaser was.
Exhibition (1975) van Jean-François Davy is misschien wel de meest succesvolle pornofilm uit de Franse geschiedenis. Zo succesvol dat Davy een reeks opvolgers maakte die nu (samen met een paar andere van zijn films) in een luxueuze dvd-box zijn samengebracht. In Exhibition 2 (1976) en Exhibition 79 (1979) laat Davy ons binnengluren in de wereld van de vroege pornofilm. Dat klinkt leuk. Dat vonden ze ook bij het prestigieuze tijdschrift L’Avant-scène Cinéma, dat Davy eerder dit jaar als auteur canoniseerde door een volledig nummer aan Exhibition te wijden. Maar waarom al die drukte rond een paar pornofilms van dertig jaar oud? Omdat de Exhibition-cyclus een ijzersterke oefening is in ‘geënsceneerde reportage’, cinéma vérité die creatief omspringt met de vérité. Daarin was Davy niet alleen een voorloper van de hedendaagse mode voor reality-tv, zijn films zijn ook stukken beter dan wat tegenwoordig voor kritische vérité moet doorgaan. Vooral de trend om de kritische blik gewoon gelijk te stellen met het ‘verder gaan’ en (nog) meer onthullend te zijn dan ooit tevoren is een stuitende ontwikkeling. En dat zeg ik niet omdat we preuts zijn en niet van porno houden. Maar omdat vérité en human interest zo de excuustruzen bij uitstek zijn geworden voor wie zijn lauwe vingers in broeierige papjes wil dompelen zonder te hoeven erkennen dat hij eigenlijk gewoon aan porno wil doen.
Het aantal tv-films, praatprogramma’s en documentaires gewijd aan de nasleep van 9/11 is niet meer te tellen. Met United 93 en World Trade Center doet Hollywood dezer dagen zijn duit in het zakje. Toprverfilmen. Dat hoeft ook niet. Zijn adaptatie van H.G. Wells’ War of the Worlds – een sciencefictionklassieker uit 1egisseur Steven Spielberg verklaarde van zijn kant nooit de gebeurtenissen te willen 898 nota bene – brengt het trauma van 9/11 raker, verontrustender en eerlijker in beeld dan de resem reconstructies van de aanslagen.
Het jaarlijkse escapismefeest zit er weer op, twaalf dagen de duisternis en het witte doek omhelsd. 25 films gezien, wat veel kan lijken. Binnen die tijd ook minstens 50 keer de vraag gekregen of ik al iets goeds gezien had, en dat is echt wel ietsje teveel van het goeie.
Gevraagd naar een beschrijving van het landschap tijdens het afgelopen filmfestival moesten we tot nu toe vrede nemen met een licht verveeld:“diepe dalen”. Beloond voor een gedurfde keuze waren we tot vandaag (18 oktober, nvdr) nog niet. In de steek gelaten door betrouwbare voorgevoelens trokken we dan ook met gegronde twijfel naar Slumming, het fictiedebuut van de Oostenrijkse documentairemaker Michael Glawogger. Na de mijlpalen Megacities en A working man’s death heeft de man nochthans behoorlijk wat krediet verdiend. En kijk, daar doen we na Slumming nog een fameuze schep bovenop: deze film is “hoge top, met een toef sneeuw op de flanken”.
Zo zijn er niet veel: filmdocumentaires die aan relevantie winnen door wat er niet in gebeurt. United 93 van de Britse cineast Paul Greengrass reconstrueert de laatste vlucht van het gekaapte vliegtuig dat op 9/11 zijn doel miste.
Exhibition (1975) van Jean-François Davy is misschien wel de meest succesvolle pornofilm uit de Franse geschiedenis. Zo succesvol dat Davy een reeks opvolgers maakte die nu (samen met een paar andere van zijn films) in een luxueuze dvd-box zijn samengebracht. In Exhibition 2 (1976) en Exhibition 79 (1979) laat Davy ons binnengluren in de wereld van de vroege pornofilm. Dat klinkt leuk. Dat vonden ze ook bij het prestigieuze tijdschrift L’Avant-scène Cinéma, dat Davy eerder dit jaar als auteur canoniseerde door een volledig nummer aan Exhibition te wijden. Maar waarom al die drukte rond een paar pornofilms van dertig jaar oud? Omdat de Exhibition-cyclus een ijzersterke oefening is in ‘geënsceneerde reportage’, cinéma vérité die creatief omspringt met de vérité. Daarin was Davy niet alleen een voorloper van de hedendaagse mode voor reality-tv, zijn films zijn ook stukken beter dan wat tegenwoordig voor kritische vérité moet doorgaan. Vooral de trend om de kritische blik gewoon gelijk te stellen met het ‘verder gaan’ en (nog) meer onthullend te zijn dan ooit tevoren is een stuitende ontwikkeling. En dat zeg ik niet omdat we preuts zijn en niet van porno houden. Maar omdat vérité en human interest zo de excuustruzen bij uitstek zijn geworden voor wie zijn lauwe vingers in broeierige papjes wil dompelen zonder te hoeven erkennen dat hij eigenlijk gewoon aan porno wil doen.
De bus en het nachtleven, de twee lijken voor elkaar geschapen. De heetste dansstek aan de vieux port in Marseille heet Le Troleybus. De club is ondergebracht in drie kokervormige tunnels onder de oude havengebouwen en huldigt een origineel hydratatieconcept: nachtraven kopen er sterke drank per fles en kunnen die aanvullen met jus d'orange, tonic of cola à gogo. De New Yorkse variant, club Shortbus, is fictief en grossiert in andere juices. Het festivalpubliek mocht voorproeven op 14 oktober.
Met Wide Awake van Alan Berliner tast het filmfestival de grenzen van haar programmatie af. Het is immers geen conventionele documentaire en Alan Berliner is allerminst een conventioneel regisseur. Berliner is een kunstenaar slash regisseur en heeft met o.a. Nobody's Business een stevige reputatie als documentairemaker opgebouwd. Hij vindt het genre van de “experimentele ego-documentaire” (sic) telkens opnieuw uit. Berliner zoekt de onderwerpen voor zijn films in zijn naaste omgeving, een lijn die hij met Wide Awake radicaal doortrekt door op zijn eigen slaapprobleem te focussen. Tachtig minuten lang duurt deze zelfanalyse, de vraag is dus of hij erin geslaagd is de navelstaarderij te overstijgen en een relevante documentaire af te leveren.
Met het filmfestival is het zoals met het leven: men moet af en toe eens een gokje durven wagen. Wij kochten dus een ticket voor de debuutfilm van de jonge Zwitserse Stina Werenfels. Uit de synopsis van Nachbeben wisten we dat het in deze film niet over een verliefde alpenhoornblazer en zijn drie marmotten uit het Ütztal zou gaan, maar over een uit de hand gelopen yuppie feestje aan de boorden van het meer van Zürich. Why not, denken wij dan.
Iedereen die de boekskes leest en met Kathy Pauwels naar royalty kijkt, weet het al langer dan vandaag: Voor suspens, kuiperijen en intriges moeten we bij het House of Windsor zijn. Gefundenes fressen voor het witte doek weet ook Peter Morgan, de schrijver van het script voor “The Queen”, de nieuwe film van Stephen Frears (High Fidelity, The Van, Dangerous Liaisons, My beautiful Laundrette...). In de film volgen we de windsors tijdens de dagen na de dood van de favoriete luis uit hun pels: Diana Spencer, aka Lady Di. Voor de rol van QE II wisten de heren niemand minder dan Helen Mirren te strikken. Kassa!
1934, The Dustbowl. We hebben al gezelliger plaatsen gezien! Het is er vuil, zanderig, vergeven van ziektes maar bovenal ondraaglijk warm en droog. Doorheen dit treurige landschap gaat een karavaan kermiswagens op zoek naar een nieuw dorp om uit te melken.
Steven Soderberghs Solaris mag gerust een curieus buitenbeentje binnen het huidige Hollywoodaanbod genoemd worden. Niet alleen hebben we te maken met een totaal geweldloze, zelfs nagenoeg actieloze science fiction film, sterker nog, het gaat om niets minder dan een zwaar filosofisch beladen sci-fi film die bovendien niet vies is van een metafysisch knipoogje. En wis en warempel, het werkt! Althans, bij mij toch, ik weet niet of het doorsnee bioscooppubliek een boodschap heeft aan deze trage, bewust verwarrende film, die de kijker achteraf met een hol gevoel achterlaat, aangezien er aan het einde niet het minste antwoord op de vele vragen wordt geboden.
Naar aloude, zowat tienjaarlijks weerkerende traditie trekt Amerika nog eens ten oorlog, de wapendindustrie, zowat de belangrijkste in het land, moet blijven draaien newaar. Zowat elk conflict waar Amerika in betrokken geraakte leverde niet alleen bergen lijken op, maar ook sterke films, die keer op de keer de complete absurditeit van die oorlogen lekker in de verf zetten. Uit films kan men veel leren, zeg ik nogal eens graag, maar dat slaat blijkbaar niet op de Amerikanen zelf, ook de boutade van de ezel en de steen lijkt amper bekendheid te genieten in het land van de Yankee.
Een eigenzinnige film van Amerikaanse bodem is tegenwoordig - n gelukkig - geen nieuwigheid meer. Naast de typische Hollywood-films met steeds een happy-ending, verschijnen alsmaar meer en meer films waarin originaliteit een vereiste is geworden. Net zoals in de film Secretary van Steven Shainberg.
Zondag 30 januari 1972 schiet het Britse leger in het Noord-Ierse Derry 27 betogers neer, waarvan er 14 zouden sterven. Onderzoek wijst uit dat, hoewel niemand van het Britse leger gewond raakte, de soldaten uit zelfverdediging handelden.
De ware gebeurtenissen achter deze officile feiten wekken zoveel ongeloof en woede dat die dag nog steeds een open wonde is in de Britse en Ierse geschiedenis.
Regisseur-scenarist Paul Greengrass strooit met zijn Bloody Sunday nog wat zout in die wonde, met een adembenemende prent over de gruwel en de koelbloedigheid van die tragische dag. Deze terechte winnaar van de Berlijnse Gouden Beer is zo intens en universeel dat hij nog dagen nazindert.
Martin Scorsese, n van de grootste nog fluitend rondwandelende regisseurs ter wereld, droomde niet minder dan dertig jaar lang van dit enorme project. Toen hij eindelijk groen licht kreeg kostte het jaaaren voorbereiding, om nog maar te zwijgen over centen, om dat project rond te krijgen. En nu, eindelijk, god all mighty, kunnen we hem gaan bewonderen in de bioscoop. En nu, zo blijkt, kan ik als onvoorwaardelijke Scorsese-volgeling mijn teleurstelling nauwelijks verbergen, ook al zou ik dat nog zo graag willen. Wat liep er mis ?
Na een zonderling uitstapje van twee eeuwen terug in Topsy Turvy, is de Brit Mike Leigh terug op zn vertrouwde terrein beland: Leighland, een grauw wereldje, waar de sufgeslagen middenklasse ploetert om te overleven, en waar hoop en liefde ver te zoeken zijn. All or Nothing is Leighs ergste films sinds zijn vernietigend nihilistisch meesterwerk Naked (1993), en tevens zijn beste film sindsdien.
Insomnia is de nieuwste thriller van regisseur Christopher Nolan (vooral gekend door Memento) met grote namen als Al Pacino, Robin Williams en Hilary Swank. En zoals de titel reeds doet vermoeden, is het een film over iemand die aan slapeloosheid lijdt.
De Botanique in Brussel huisvest al voor de zevende keer het festival du Cinma Mditerranen dat nog loopt tot volgende zaterdag 7 december. Het filmfestival toont om en bij de 80 films die in theorie enkel afkomstig zijn uit de landen die aan de middellandse zee grenzen. De vele West -Europese co producties en films over migratie tonen echter verhalen die niet verder van uw bed verwijderd zijn dan zeg maar de Marokkaanse bakker op de hoek.
Pieter De Buysser toonde reeds in een aantal (theater)teksten zijn vaardigheid en voorkeur om beelden en situaties te schetsen die pretenderen iets te vertellen over maatschappelijke en politieke pijnpunten. Soms werden die sterke beelden spijtig genoeg verminkt door een betwistbaar discours of een eigenaardige logica. Zijn kortfilmdebuut, een productie van Lampe vzw, Transit-zone vzw en KVS/de bottelarij, toont een zelfde maatschappelijke allegorie met een zeer eigen structuur en logica. Toch laten De Buyssers beelden de toeschouwer veel meer vrijheid, dan zijn woorden.
Een film die verrast wanneer je nog nooit gehoord hebt over Jacques Tati, een film die blij verrast. In Playtime geen dialogen, noch monologen. Het functionele achtergrond-geluid overstemt met momenten de gesprekken, waardoor het volgen ervan onmogelijk wordt. The dialogue within the sound zoals J. Tati het zelf zegt.
Het filmfestival van Gent heeft de digitale toekomst van film al jarenlang met veel interesse gevolgd, onder meer in het speciale Digiforum, waar filmmakers, producenten van apparatuur en publiek samen kunnen kijken naar en discussiren over het digitale filmproces. Met de vertoning van The Russian Ark ging het festival dit jaar een grote stap verder, door de film met een uitzonderlijke hoge kwaliteit digitaal te projecteren. Een unieke vertoning van een al even unieke film.
"Lantana" is een psychologische thriller van Australische bodem waarin duidelijk wordt dat niets is wat het lijkt. Dit wordt in beeld gebracht door de openingsscne: de lantana-struik wordt ook binnenin bekeken. Een geschonden vrouwenlichaam dat zich daar bevindt, contrasteert sterk met de frisse groene bladeren en de mooie rode bloemen aan de buitenkant van de struik.
Maandag 7 oktober, Dag 1. Nog duizelig van de slaap zit ik te wachten op de eerste voorstelling van het nieuwe festival. Ik wacht op Dogtown and Z-boys, een unieke documentaire over het ontstaan van de surfbordcultuur in het Amerika van de late jaren zeventig, ideaal voor een pijnlijk zware maandagochtend. Al na 5 seconden besef ik dat ik of in de verkeerde zaal zit, of dat de programmering nu al is omgegooid, het bleek het laatste te zijn, plots doemde daar Naqoyqatsi op, "ook goed" dacht ik en begon aan een anderhalf uur durende trip, een prikkelend feest voor de zintuigen, dit zwaar filosofisch, dialoog-, verhaal- en personageloos tractaat over dat stuk ongeluk dat men soms ook wel eens De Mens pleegt te noemen.
De Filmse Feesten staan weer voor de deur, tien dagen lang jezelf de duisternis in storten, drie vier films per dag, fast food, om 10 uur s morgens een zwaar Russisch metaforisch tractaat op je boterham krijgen, meteen gevolgd door een Aziatische familiekroniek en hopelijk nog snel een sullige Vlaamse film tussendoor bij wijze van ontspanning om dan aan de echt serieuze kost te beginnen, en na dat alles met bloeddoorlopen ogen thuiskomen en een video insteken tot het licht volledig uitgaat, en zes uur later begint alles weer opnieuw. Jaja, het is een hondeleven, ik kan het niemand aanraden, maar iemand moet het doen nietwaar?
Het gaf een raar gevoel toen de film begon. Waar gingen we nu precies naar kijken? Naar een postume prent uit het hiernamaals, de verfilming van het laatste scenario van de grote Krzysztof Kieslowski, de man die mij lang lang geleden van film deed houden en mij deed inzien dat je met bewegende beelden ook pozie kan schrijven (kijk naar La double vie de Vronique en snik), of was het gewoon de nieuwe film van Duitslands grootste hoop in bange dagen sinds Hitler, met name Tom Tykwer, iemand van wie we elk moment een regelrechte klassieker verwachten?
Zoals gelezen in de kwaliteitskrant De Zondag, gratis te verkrijgen bij uw lokale bakkerij om de hoek: "Road to perdition is een twee uur durende, maar nooit vervelende schitterende Amerikaanse prent die echt voor een breed publiek geschikt is. De film is een absolute aanrader!"
Het is een clich als een ander: iedereen die een interesse heeft die het gezonde overstijgd zal vroeg of laat beginnen met het maken van lijstjes. Dat geldt evenzoveel voor muziekfans als voor sport-, televisie-, motor- en filmfans. Die laatste categorie kan nu weer zn cinefiele hart ophalen bij het septembernummer van het immer waardevolle magazine Sight & Sound.
In zes afleveringen vertelt een anonieme getuige hoe in het jaar 1934 de ambitieuze producent Archibald De Naaier met alle moeite van de wereld probeert de eerste Vlaamsgesproken langspeelfilm ingeblikt te krijgen, vr zijn concurrent en aartsvijand Jan Vanderheyden dat zal doen met zijn film De Witte. Archibald wist op voorhand dat het moeilijk zou worden, maar dat het onmogelijk zou blijken te zijn, dat had hij nooit gedacht.
Ola muchachos en muchachas! Belgi heeft er een hele filmgeschiedenis voor nodig, Mexico doet het op een paar jaar: twee klassefilms afleveren die zowel in eigen land als over de hele wereld bergen lof oogsten en massas volk lokken. Na het nu al klassieke Amores Perros vorig jaar is er nu Y tu mama tambien, een al even zinderende, zinneprikkelende film als zn voorganger.
Zomerfilmfestivals. Het is een fenomeen waar ze in zuiderse landen geen boodschap aan hebben, behalve dan misschien als het zo warm is dat er niets anders opzit dan wat duisternis en afkoeling te gaan zoeken in de hopelijk zeer goed verluchte bioscoop. Bij ons is dat allemaal niet zo vreemd, de zomer valt hier nauwelijks te onderscheiden van lente of herfst, dus voor een festivalletje is er altijd wel interesse.
"Now, we don't want to mince words here: Time Code could be very, very cool, or truly, truly awfull. Either way, it should be worth seeing." (commentaar uit internet-filmmagazine)
Regisseur Brian De Palma is altijd al een vreemd beestje geweest. Zijn films zitten technisch altijd zo perfect in elkaar dat ze als gekunsteld en bombastisch overkomen, zijn acteurs zijn nooit je dat, de muziek is een op de twee keer om te kotsen, de verhaallijnen zijn nooit geloofwaardig en de helft van de tijd zit je er gewoon mee te lachen. En tochen toch ben ik altijd al een echte De Palma-fan geweest, zonder ooit goed begrepen te hebben waarom. Ook nu zal ik een van de weinige mensen zijn die nog min of meer kon genieten van het redelijk lachwekkende Femme Fatale.
Het is nu al een week geleden sinds ik Ghost World zag, en nog steeds weet ik niet of het nu een goeie film is of niet, laat staan dat ik een idee heb wat er over te schrijven valt.
Musicals. Dat ooit zo verguisde genre dat enkel nog leek gesmaakt te worden door een kleine schare foutgeklede, op Peggy Lee shakende excentriekelingen, of ouwe bommas die toch niet beter weten. Ik kon dat genre echt niet begrijpen, wie begint er nu in het midden van de straat te zingen en te dansen? In het echte leven zou zoiets al snel leiden tot een massagevecht, of een enkele rit richting psychiatrie.
Ik zeg eerst iets over de ontvangst van de film en hoe ik die inschat. Vervolgens probeer ik de themas in de film te identificeren en te begrijpen. Onderweg maak ik associaties met andere films die daarbij zouden kunnen helpen.
George Lucas neemt deze keer en voor de eerste keer zijn tijd om personages te ontwikkelen (de film duurt meer dan twee uur). De acteur die ze gevonden hebben om Anakin Skywalker te spelen, Hayden Christensen, is een soort melancholische 20 cm opgeschoten jongere versie van Brad Pitt. Natalie Portman kenden we al uit aflevering I als koningin Amydala en is nog steeds betoverend, zowel in haar koppig engagement als in haar diepe gevoelsmatige betrokkenheid. Vooral haar stem is tekenend voor haar karakter: dezelfde toon aanhoudend haar zin doordrijven.
In zes afleveringen vertelt een anonieme getuige hoe in het jaar 1934 de ambitieuze producent Archibald De Naaier met alle moeite van de wereld probeert de eerste Vlaamsgesproken langspeelfilm ingeblikt te krijgen, vr zijn concurrent en aartsvijand Jan Vanderheyden dat zal doen met zijn film De Witte. Archibald wist op voorhand dat het moeilijk zou worden, maar dat het onmogelijk zou blijken te zijn, dat had hij nooit gedacht.
Na zijn eigen Feesten, Internationaal Filmfestival en ja zelfs zijn hoogsteigen Vlaams Blok-meetings, heeft Gent, onze schone stad aan de Leie, nu ook eindelijk zijn langverwachte, eigen kortfilmfestival, dat hopelijk niet genspireerd door die ons zo verguisde film over de roze buurt in Parijs COURTisane gedoopt werd.
Het wordt steeds moeilijker om independent films te onderscheiden van de mainstream-cinema die
de grote filmmaatschappijen produceren. Inhoudelijk zijn de indies vaak nog een stuk gedurfder,
maar qua vorm groeien ze in toenemende mate naar elkaar toe, vooral op het gebied van visuele
effecten. Een uitstekend voorbeeld is Donnie Darko, de debuutfilm van de 26-jarige Richard Kelly:
een fascinerende 'fantasy noir' die het gros van de bigbudget filmwereld het nakijken geeft.
Is het je ooit al eens overkomen dat je naar een film in de bioscoop begint te kijken en dat je je dan plots realiseert dat je een paar dagen ervoor diezelfde film gedroomd hebt? Niet met dezelfde scnes natuurlijk, maar toch met verbazend veel gelijkenissen. Mij overkwam dit tijdens het eerste kwartier van Gosford Park, en ik kan het u verzekeren, een snoeihard dj-vu van een kwartier is er niets bij! Geflipt, maar voor het overige totaal irrelevant in een filmbespreking.
In zes afleveringen vertelt een anonieme getuige hoe in het jaar 1934 de ambitieuze producent Archibald De Naaier met alle moeite van de wereld probeert de eerste Vlaamsgesproken langspeelfilm ingeblikt te krijgen, vr zijn concurrent en aartsvijand Jan Vanderheyden dat zal doen met zijn film De Witte. Archibald wist op voorhand dat het moeilijk zou worden, maar dat het onmogelijk zou blijken te zijn, dat had hij nooit gedacht.
Lang geleden dat Peter Greenaway nog iets van zich liet horen, d regisseur die ik vroeger op handen droeg en wiens met symboliek, inside-grapjes en bergen informatie volgepropte films ik als een bezeten fan jarenlang binnenstebuiten keerde.
In zes afleveringen vertelt een anonieme getuige hoe in het jaar 1934 de ambitieuze producent Archibald De Naaier met alle moeite van de wereld probeert om de eerste Vlaams gesproken langspeelfilm ingeblikt te krijgen, voor zijn concurrent en aartsvijand Jan Vanderheyden dat zal doen met zijn film De Witte. Archibald wist op voorhand dat het moeilijk zou worden, maar dat het onmogelijk zou blijken te zijn, dat had hij nooit gedacht.
Ik heb altijd al bij hoog en bij laag staan beweren dat je meer kan leren uit vakkundig gemaakte documentaires dan door te luisteren naar wat een leraar voor een klas staat te vertellen. Het is de kracht van de beelden die onmisbaar is bij het vatten van kwesties als oorlogen, genocides, culturele verschijnselen en sociologische fenomenen. Een tweede manier om een beter begrip te krijgen van zaken die anders en passant worden behandeld in de Grote Nieuwsshow op tv zijn fotos, bevroren momenten die in n klap meer kunnen zeggen dan het hele krantenartikel dat er onder staat.
Dik een
jaar geleden verscheen op Urban een artikel over de film The War Zone, een
gruwelijk realistische prent over incest die door zijn controversile inhoud en
vooral de onverbloemde uitbeelding bijna drie jaar lang in de schuiven van de
distributeurs bleef liggen. Een ware schande! Maar, nu verschijnt ie dan toch
eindelijk in de bioscoop en ik zou er iedereen met de meer dan lichte dwang
naartoe willen sturen. Als opwarmertje - en uit pure gemakszucht - volgt hier
nogmaals de originele bespreking van The War Zone.
Regisseur Steven Soderbergh brengt films uit alsof het zijn laatste levensjaren zijn: Erin Brokovich en Traffic in 2001 en nu Oceans Eleven, stuk voor stuk vakkundig gemaakte succesfilms met grote sterren en bulkend van het Oscarpotentieel. En het kan niet op, in 2002 is Soderbergh er weer met twee films: Full Frontal en een remake van Tarkovskys metaforisch beladen science fiction film Solaris. De nog relatief jonge regisseur lijkt wel de nieuwe troetel van Hollywood. Het is ooit anders geweest.
Todd Solondz heeft een nieuwe film uit! En dan? Een terechte vraag. De man die de Nerd-look een nieuwe dimensie gaf, is een favoriete pispaal voor critici geworden en allesbehalve een groot publiekstrekker. Enkele mogelijke redenen: zijn gevoel voor humor is zwarter dan de meest doorrookte longen ter wereld, zijn regie is zo sober dat je zou denken dat hij vaak plompweg vergeet dat je een camera ook kan bewegen, zijn personages zijn stuk voor stuk pathetische losers zonder hoop Maar boven alles, Solondz is de koning op het vlak van lachen met andermans miserie, iets wat niet iedereen kan appreciren.
Damn, nog nooit zo blij geweest dat David Lynch, mijn absolute lievelingsweirdo, een voorspelbare film heeft gemaakt. Het was als na een veel te lange over een te rechte baan (Straight Story) eindelijk terug die duistere, mysterieuze binnenbaantjes van de verbeelding in te slaan.
Toen ik een achttal jaren geleden de eerste keer Apocalypse Now zag, op een minuscuul tv-schermpje, werd ik volledig uit mn sokken geblazen, dit is de beste film aller tijden!, riep ik, en nu denk ik daar nog steeds zo over. Dit is niet n film maar minstens een stuk of tien, eentje met forty-two different levels, aldus de megalomane regisseur Francis Ford Coppola, die na de eerste twee Godfathers, zijn eigen persoonlijke Vietnamdrama wou draaien.
Iets meer dan drie maand geleden lieten een aantal Vlamingen zich vrijwillig opsluiten in een huis in Vilvoorde. Ze werden dag en nacht gefilmd en voerden volgzaam de bevelen van een, op hoogst belachlijke manier, vervormde stem uit. Op zich niet zo vreemd, voor n van hen lag er immers vijf miljoen klaar aan de eindmeet. Maar wat verklaart dat de avonturen, of beter de eindeloze verveling, van een stelletje doorsnee Vlamingen dag na dag, gedurende meer dan 100 dagen, op massale belangstelling rekenen? De verklaring is simpel, Big Brother boeit, omdat Big Brother kunst is!
Het moet zowat tien jaar geleden zijn dat ik popmuziek en videoclips radicaal afschreef. Te voorspelbaar, besloot ik en ik zocht me een weg naar andere muziekgenres. Die bleek lang en kronkelig, en niet zelden belandde ik terug op reeds bewandelde paden, maar ik had tenminste het gevoel afgerekend te hebben met vrijblijvende deuntjes en dito filmpjes. Tot ik onlangs attent werd gemaakt op een videoclip-annex-popsong die in n klap die ietwat gemakzuchtige visie op de sector aan het wankelen bracht. In een magische interactie slaagden tekst, muziek
en beeld erin alle gangbare clichs tegelijkertijd te bevestigen n te ontkrachten.
Eindelijk! Na twee lollige films (The Big Lebowski en O brother where art thou?) die net dat ietsje meer "je ne sais qoui" misten, slagen de broers Coen een echte voltreffer met deze bijzonder eigenzinnige film, die helaas niet bij heel velen in de smaak zal vallen, wegens te vreemd, te traag, te zwart en niet grappig genoeg.
Iedereen die al eens in contact kwam met een cursus psychologie komt vroeg of laat het werk van Stanley Milgram tegen. Voor mij was het niet zozeer een oogopener, eerder een bevestiging van mijn visie van de mensheid als een kudde beesten, die je kunstjes kan leren en alles wijsmaken, zolang het maar goed klinkt en overtuigend gebracht wordt.
De ogen zijn moe, het verstand wil niet zo goed meer mee, 23 films
op 9 dagen (n dag wegens acute kater moeten skippen), il faut le
faire. Het filmfestival van Gent, editie 2001, zit er op. Back to
reality...Fuck, valt dat even tegen, als ik nog n rotflik over
straat zie lopen haal ik mijn geweer boven. Rustig rustig, gewoon
even uitzweten, mezelf een paar dagen opsluiten met een karrevracht
video's en een berg wiet, het zal wel weer goed komen. En volgende
week nog eens een filmke gaan zien.
All, de laatste reeks besprekingen dan maar.
En we zijn weer vertrokken. Tien dagen in afzondering, gewapend met een blinkende perspas en de kennis dat ik lekker binnen zal zitten terwijl buiten een hoop neuroten met bommen zit te gooien. 'Laat ze maar doen' denk ik graag, als de mensheid ergens goed in is, dan is het wel zichzelf in de vernieling werken, en zoals zovele leraren vroeger altijd vertelden : 'als je een talent hebt, dan moet je dat benutten !'. Ik lach al bij het idee om binnen tien dagen met toegeknepen oogjes terug in De Wereld te stappen en plots te merken dat alles rondom de bioscoop aan flarden is geschoten. Cynisme is de enige redding in tijden van crisis, en escapisme natuurlijk ook. Laat maar komen dat filmfestival!
In tijden van crisis trekken de mensen altijd in dichte drommen naar publieke plaatsen, waar ze een soort veiligheidsgevoel vinden in het lekker samen zitten, in de kroeg, en samen lachen met al hetgeen er gebeurd is. Vooral dat laatste is erg belangrijk, lachen met de misrie van een ander, een volledig menselijk verschijnsel, wat door sommigen dan weer bekritiseerd wordt, maar dat zijn gewoon dommerikken. Zo heb ik vorige week nog een motherfucker van een cocktail gedronken, bestaande uit rum, curaoa, gin en vodka, een bom van een cocktail met de toepasselijke naam 'Bin Laden Fever', wat niet door iedereen geapprecieerd werd.
Toen ik enkele weken terug de trailer zag van dit mega-marketingspektakel ging ik bijna over mijn nek, een oorverdovende overdosis van te felle kleuren en een enorme teringherrie. Wel, achterafgezien bleek de film zelf een wel heel erg lang uitgesponnen versie van de trailer, maar dan nog slechter.
In de filmwereld doen talloze mythes de ronde, mythes die filmfanaten, die er van dromen om zelf eens hun kans te wagen, vaak compleet ten onrechte doen wanhopen. Om een film te kunnen maken moet je over zeer veel kapitaal beschikken. Om een film te kunnen maken moet je alle technische knepen van het vak kennen. Zonder een prestigieus diploma, een indrukwekkende CV en twee lange armen geraak je nergens
Anthony Lane van The New Yorker schreef het volgende over Jan Svankmajer:
The world is divided into two unequal camps those who have never heard of Jan Svankmajer, and those who happen upon his work and know that they have come face to face with genius.
Dat het geen grootspraak is om de surrealistische animatiefilmer te bombarderen tot genie is voor mij evident. Rest me nu de nobele taak u van dezelfde mening te overtuigen en een glimp te laten opvangen van s mans genie.
Op een luie zondagnamiddag waag ik al eens een stapje op het web. Zoals iedereen weet kan je door in het wilde weg te surfen op de gekste plaatsen belanden.
Amper twee weken na de release van het briljante
Eureka is er alweer een knappe Japanse film te zien in de Belgische zalen. Wees
echter gewaarschuwd: Audition
stelt het uithoudingsvermogen van de kijker fel op de proef en bevat enkele van de meest choquerende en verwarrende horrortaferelen die ik de laatste jaren mocht (en kon) aanschouwen.
De Japanse regisseur Aoyama Shinji liet zich voor zijn wonderbaarlijke film Eureka inspireren door twee briljante popplaten: 'Daydream Nation' van Sonic Youth en 'Eureka' van Jim O' Rourke. Het resultaat is een bijna vier uur (!) durende contemplatieve filmervaring over emotionele vervreemding en het daaropvolgende helingsproces, een intense zoektocht naar begrip en houvast.
Na een jaar in het buitenland te hebben verbleven leek mij de Vlaamse film 'Iedereen Beroemd' een goede keuze voor een filmavond, iets van eigen bodem. Nu ben ik nooit een fan geweest van de bekrompen Vlaamse cinema (als het niet over paters gaat, gaat het over losers), maar de sympathieke Dominique Deruddere had toch al mooie dingen gedaan, en ook over zijn laatste film hoorde ik niets dan positiefs. Films als 'Kolya','Fucking Amal' en 'El Mariachi' bewezen reeds dat er niet veel geld nodig is om goeie cinema te maken, dus met het low budget aspect moesten we geen rekening houden.
Cinema = escapisme. Dat was ook de bedoeling. Intussen verheven tot de zevende vorm van kunst, maar steeds minder begeesterend. De beeld- en soundtrack bij het eindeloze gemaal van popcorn. Film = entertainment.
Maar af en toe glippen ze door de mazen van het industrile net: films die je midscheeps treffen, daar waar het meeste pijn doet. Beelden die zich nestelen in je hersenstam en daar vreselijk huishouden, tot op het punt dat ze het geheugen indringen, om nooit meer te wijken. Een storm und drang die begeleid wordt door verschroeiende muziek en een vloed van woorden, die hun begrip putten uit s mens wezenlijke fantasien en angsten.
Wie wil kan dezer dagen naar twee goeie films gaan kijken in n week tijd. Het kan niet op! Ik heb het niet over Cast Away, een film met een verhaal dat even slaapverwekkend is als een geeuwend luipaard, en ook niet over Plop in de wolken, alhoewel de titel van die film doet vermoeden dat die duivelse kabouters deze keer hun eigen huisjes hebben opgegeten. Nee, ik heb het over twee films die, in tegenstelling tot 99% van het aanbod, eens niet de platgetreden paden van het rechtlijnige verhaal bewandelen en de kijker bewust doen nadenken over de chronologie van hetgeen zich op het scherm afspeelt, en de betekenis ervan.
Ik zal voor n keer maar meteen met de deur in huis vallen: 'Le fabuleux destin d'Amlie Poulain' van Jean-Pierre Jeunet is een pareltje van een film, een modern sprookje, een onvervalste feelgood-movie die je weer zin doet krijgen om van al die kleine dingen in het leven te genieten.
Priester: "Markies, uw schandalige geschriften hebben het
leven gekost aan een onschuldig jong wezen, uw werk moet verboden
worden!"
Sade: "Beste priester, de letterlijke interpretatie van uw
geschriften hebben miljoenen levens gekost, moeten we daarom de bijbel
verbieden?"
(vrij naar 'Quills' van Philip Kaufman)
"Now, we don't want to mince words here: Time Code
could be very, very cool, or truly, truly awfull. Either way, it should be
worth seeing." (commentaar uit internet-filmmagazine)
Net als je als filmliefhebber begint te denken "nu
heb ik alles gezien, nu kan het alleen nog maar achteruit gaan" komt zo'n
geschifte ge-amerikaniseerde Brit als Mike Figgis
aanzetten met Timecode, een film die qua vorm en opzet het meest
gewaagde experiment kan worden genoemd sinds alcoholvrij bier, met al even
grote kansen op wereldwijd succes. Doorheen het voorbije decennium
wisselde Figgis weinig interessante, semi-commercile films als
Internal Affairs (1990) en Mr. Jones (1993)
af met erg sfeerrijke en vooral stijlvolle thrillers zoals het
sublieme Liebestraum (1991) en het krachtige
Leaving Las Vegas (1995). Sinds die laatste film, die een
onverwacht groot succes werd, lijkt Figgis eindelijk de financile
slagkracht en onafhankelijkheid te hebben gevonden om te doen waar hij zin
in heeft, wat heeft geleid tot een snelle opeenvolging van verrassend
experimentele films: The Loss of Sexual Innocence (1998),
Miss Julie (1999) en nu de kroon op het werk:
Time Code. Van deze drie films heeft alleen de eerste tot nu toe bij ons de bioscoop gehaald. Dat wordt duimen voor Timecode, een film die - om redenen die ik nog wel zal uitleggen - absoluut in de bioscoop moet gezien worden.
"Rated R for sexual content, some involving
molestation, and for nudity, language and a scene of violence" oftewel de
korte inhoud van The War Zone volgens de politiek correcte gemeenschap.
Vergis u echter niet, The War Zone is een authentieke, door merg en been
gaande analyse van een gezin dat een vreselijk geheim probeert te
verbergen en daar beetje bij beetje aan kapot gaat.