Toenmalig Vlaams minister van cultuur Bert Anciaux legde op 12 april van dit jaar in aanwezigheid van dolenthousiaste camera's en een handvol celebrity's de eerste steen van het Vlaams-Marokkaanse culturenhuis Daarkom. Die steenlegging vormt zonder twijfel een buitenkans voor cultuurminnend Vlaanderen, want in de creatie van dat huis ligt een nieuw theatraal genre verborgen: het postkoloniale drama. Een prelude op wat niet zal zijn, aan de hand van Marokko's mooiste prentbriefkaart: de riad.
Geert Buelens, Kevin Absillis, Tim F. Van der Mensbrugghe en Han Soete
Als democratie een georganiseerd meningsverschil is, dan is het gebrek aan publieke discussie over wat recent met De Morgen is gebeurd een voorbeeld van hoe men ze kan desorganiseren. Op een eenvoudig verzoek van onze redactie aan boegbeeld Yves Desmet om een weerwoord te formuleren op enkele kritieken die bij ons waren binnenlopen, bleek dit het enige antwoord: ‘Alles wat ik over De Morgen te zeggen heb, zeg ik intern. Dus laat het cultuurpessimisme welig bloeien.’ Tsja, zo wordt het nog moeilijk spreken. Iedereen heeft natuurlijk het recht om zichzelf de mond te snoeren, al dan niet met behulp van een bedrijfslogica, maar het is cynisch om alle andere stemmen dan tegelijk tot eenheidsworst te herleiden. Een makkelijke manier om er niet op in te moeten gaan. Dat is nochtans precies wat wij willen. Omdat er ook toekomst is, en wij benieuwd zijn hoe die eruit kan zien. Vier stemmen over De Morgen, niet van gisteren.
De relatie tussen beeldende kunst en architectuur is sinds de eerste realisaties van Robbrecht Daem Architecten hét thematische veld waarbinnen hun werk wordt gesitueerd. Die relatie mag in de eerste plaats letterlijk en ruimtelijk beschouwd worden: Paul Robbrecht en Hilde Daem hebben architectuur gemaakt die ten dienste staat van de kunst.
Op 4 november concerteerde de 67-jarige pianist Chick Corea samen met John McLaughlin in de Elisabethzaal in Antwerpen. Geruggensteund door een uitgelezen band brachten ze fusion, impressionistische klavierstukken en stevige jazz. Corea’s muziek en sprankelende geest zijn blijkbaar nog altijd springlevend, en nu en dan wekte zijn concert herinneringen aan twee memorabele opnames uit de jaren 1970. Ook toen al werd de speelse lichtvoetigheid van deze muzikant door sommigen geroemd en door anderen niet altijd naar waarde geschat. Maar is er iets mis met toegankelijke jazz?
auteurs Omar Jabary Salamanca, Barbara Van Dyck, Pascal Debruyne
In november en december was in Brussel de tentoonstelling Decolonizing Architecture te zien, het resultaat van een samenwerkingsverband van de in Bethlehem en Londen gebaseerde architecten Sandi Hilal, Alessandro Petti en Eyal Weizman. De tentoonstelling experimenteert met het ontwerpen van mogelijke architecturale interventies om de Israëlische bezettingsarchitectuur in de Palestijnse gebieden te beëindigen. Dit leidt tot verfrissende inzichten, maar roept ook vragen op.
Het hoofd van Theodor Herzl in zwarte graffiti. Op de muren van de hele stad, op elektriciteitskabines, kiosken en straatstenen. Onder zijn lange baard de belangrijkste woorden uit Alt-Neuland, zijn Joods-utopische roman uit 1902: ‘als je het echt wil, is het geen sprookje meer’. Tel Aviv, waar witte Bauhaus-villa’s het waargemaakte sprookje belichamen, is de realisatie van die Joods-Europese utopie, de enige plek waar ‘Zion’ in haar oorspronkelijke betekenis zichtbaar is, als de nieuwe, moderne aanvang van het Bijbelse Land van Israël. Voor cynici is Bauhaus ondertussen een herinnering aan de blinde naïviteit van de Joodse pioniers. Maar de stijl overleefde, net als de droom.
Het lijkt haast het obligate nieuwe schouwspel in de stad: flashy bouwsels, niet alleen door hun vormen, maar ook door hun verlichting. Het atomium schittert en knippert als nooit tevoren, glazen kantoortorens worden ’s nachts omgetoverd tot kleurrijke games en verlichte monumenten geven iedere stad een beetje het gevoel Parijs achterna te kunnen gaan. Een Guggenheim neerpoten is niet altijd nodig, ook licht kan wonderen doen om de aandacht te trekken, naar het gebouw, én naar de stad. Niet alleen architectuur maar ook haar verlichting staat zo in voor de regeneratie van wijken en popularisering van ons patrimonium. Maar wat wordt er eigenlijk verlicht? En wat hebben die gebouwen daar dan bij te winnen?
Hoe kan kunst zich in de hedendaagse, door beelden overspoelde wereld nog staande houden? Een onverwacht antwoord komt uit de wereld van het character design: ontwerpers die zich profileren als kunstenaars.Die kunstenaars gebruiken een in oorsprong commerciële taal, maar ze brengen die binnen in een heel nieuwe context. Hun schijnbaar eenvoudige beelden hebben ons misschien wel meer te vertellen dan wij dat zo meteen zouden denken. Een blik op de strategie van schone schijn.
Overvolle gevangenissen en andere justitieperikelen vormen een dagelijkse soap in de Belgische kranten. Af en toe zijn ook de nieuwe justitiepaleizen in Antwerpen en Gent kop van jut: te duur, te prestigieus, te radicaal, te lelijk, … Toch zijn al een hoop kleinere nieuwe justitiepaleizen geruisloos aan ons voorbijgeslopen. Kortrijk heeft sinds 2002 een nieuw gebouw van Stéphane Beel op haar architectuurcurriculum staan, Nijvel pronkt sinds 2001 met haar nieuwe aanwinst, het gerecht van Aarlen zit al drie jaar in een nieuw gebouw, en het gerechtsgebouw van Marche-en-Famenne werd in september 2006 ingehuldigd. Justitie probeert duidelijk haar imago op te poetsen door centrale, efficiënte en moderne gerechtsgebouwen neer te poten. Net zoals de modernisten licht en lucht voor de nieuwe woningen aanprezen als eigentijdse tegenhanger van de donkere bourgeoisiewoning, gebruikt ook Justitie nu deze toverwoorden om zich af te zetten tegen de donkere, monumentale negentiende-eeuwse justitiepaleizen. De nieuwe gerechtsgebouwen van Gent en Antwerpen zijn visitekaartjes die die nieuwe koers tentoonstellen: justitie als een hedendaags, doorzichtig instituut, dat duidelijk aanwezig is in de maatschappij en de stad. Daarbij moeten ze ook nog eens als katalysator werken in de ontwikkeling van hun omgeving. Dat deze twee gerechtsgebouwen bijna tegenpolen zijn qua architectuur maakt duidelijk dat de architect een belangrijke speler is. Maar dit toont vooral dat er geen eenduidig antwoord is op wat de (holle?) beeldspraak vraagt.
De onweerstaanbare drang van Rem Koolhaas om na zijn scholing aan het AA instituut Londen in het land van zijn Russische leermeesters het idee van Manhatiaanse gridstad te realiseren, komt werkelijkheid. Rem Koolhaas die met liefde refereert naar de kracht van de Russische Avantgarde, ziet immers zijn kans schoon om zijn droom te realiseren. Wat volstrekte illusie was voor deze Avantgarde, blijkt voor de Europa-bouwer een koud kunstje want nu Letland (ex-Sovjet Unie) toegetreden is tot de Europese Unie kan de meesterarchitect in volstrekte Delirious New York stijl een masterplan ontwerpen voor Riga.
De algemene teneur in het luik over de Biënnale van Venetië kent een wel erg uitgesproken depressieve nasmaak bij het lezen van de verslaggeving. Woorden als "extreem deprimerend", de "crisis van de architectuur", de "urgente situatie van de architectuur" tot zelfs het stellen van de onmogelijkheid om aan architectuur te doen, komen meermaals terug in diverse bijdragen. Nu ik me net verheug over de nieuwe realisaties en de verscheidenheid aan projecten overal te wereld, krijgen we hier een wel erg bittere pil te slikken. Is de architect en haar discipline ten dode opgeschreven? Is het dan zo erg gesteld met de architectuur en/of stedenbouw als men hier laat blijken? Is het niet langer een plezier om het beroep van architect uit te voeren?
Voor de eerste maal in de jonge geschiedenis van de Internationale Architectuurbiënnale van Venetië werd de Gouden Leeuw voor het beste landenpaviljoen pas in de slotweek van de tentoonstelling uitgereikt. De festiviteiten van het openingsweekend reeds lang vergeten, deed het verdict opnieuw stof oplaaien onder de uitgestuurde redactie van Urbanmag. De jury, onder meer bestaande uit curator Richard Burdett en Zaha Hadid, verkoos een onverwachte, maar niet geheel onterechte winnaar: het Deense paviljoen met de tentoonstelling CO-EVOLUTION, een Deens-Chinese collaboratie rond het thema duurzame stedelijke ontwikkeling in China.
Wie het over architectuur en literatuur wil hebben, denkt haast automatischaan het fameuze dictum van Victor Hugo: ‘ceci tuera cela’, dit zal dat doden, het boek betekent het einde van de architectuur. Volgens Hugo hebben het boek en het gebouw dezelfde maatschappelijke taak, namelijk het opslaan en uitdrukken van herinneringen en gedachten. En precies omwille van die innige verwantschap, staan boek en gebouw elkaar naar het leven. Slechts één uitdrukkingsvorm kan soeverein zijn. Zolang architectuur de moederkunst is waaronder elke andere kunst zich schaart, zijn gebouwen de boeken van de mensheid. Maar wanneer Gutenberg de drukpers uitvindt, doodt hij de architectuur: het boek is een zoveel meer efficiënte, goedkope, hanteerbare, flexibele uitdrukkingsvorm. En het boek eist niet louter het alleenrecht over de expressie op, maar zuigt de architectuur ook leeg. Het leven van de literatuur betekent de dood van de architectuur; het moderne gebouw van de mens, zegt Hugo, zal gemaakt zijn van boeken.
Het evocatieve in plaats van het creatieve, of dit laatste toch sterk met het eerste vermengd. Het resumerende. Teken van de eindtijd, van het afscheid, of van het zich bezinnen op het leven? Thomas Mann, Dagboek, 14 maart 1949
Eind jaren zeventig schaarde een groep jonge Russische ontwerpers zich onder het gonfalon paper architects. Ze verkozen een carrière als illustrator, decorontwerper of kunstenaar, boven een plaats in het onbezielde bouwbedrijf. Voor Alexander Brodsky duurde die vrijwillige ballingschap ongeveer dertig jaar. Zijn toenemende succes als kunstenaar ten spijt, keerde hij rond de eeuwwisseling uit de Verenigde Staten naar Moskou terug om er zich als architect te vestigen. In een zaaltje van het Russische paviljoen in de Gardini van Venetië worden foto’s van zijn kleine gebouwde oeuvre geprojecteerd. Misschien is het een toegift aan het publiek, dat zich wel eens aan de afwezigheid van architectuur op de biënnale zou kunnen ergeren. Waarschijnlijker nog is dat die projectie plaatsvindt ter wille van de kunstenaar, voor wie het in laatste instantie om dit werk te doen is.
De biënnale valt, ook dit jaar, ten prooi aan een hang naar onbeproefde tentoonstellingsconcepten, die de curatoren van de nationale paviljoenen blijkbaar kenmerkt. Omstandig en gratuit zijn ze bijna allemaal. Aandacht voor het vooropgestelde thema is er nergens. Een bezoeker zou haast zijn hart ophalen aan de knullige opstandigheid die slechts sporadisch opduikt. Het Oostenrijkse paviljoen bleef echter gevrijwaard van deze afgunstige jacht op toevalstreffers en vormt zo een uitzondering op Bekaerts verzuchting dat de biënnale voor architecten het feest van het slechte geweten is. ‘Ze willen zichzelf wel in de kijker stellen, maar ze zijn niet zeker, noch van het publiek, noch van zichzelf.’ In het Oostenrijkse paviljoen is van die symptomatische aarzeling geen sprake. Het gebouw straalt vanzelfsprekendheid uit en de tentoonstelling is even ad rem en trefzeker als een filmtrailer.
We ontmoeten Lucas Verweij van Schie 2.0 in een oud
industriegebouw in de Rotterdamse haven. Het gebouw heeft een nieuwe bestemming
gevonden als atelier van een aantal kunstenaars en ontwerpers. Er heerst een
aangename, relaxte sfeer. De papa's komen, met baby, werken in naar polyester
stinkende werkplekken: een plaats bij uitstek voor de onthaaste generatie.
De Kunstberg in Brussel was het
afgelopen jaar een veelbesproken onderwerp. De organisatoren van Brussel 2000
hadden het uitverkoren tot één van de 'hot spots' van het cultuurgebeuren. Naast
een tentoonstelling over het verleden van de Kunstberg, werden ook een aantal
architecten, stedenbouwkundigen, filosofen, curatoren en kunstcritici verzameld
om over de toekomstmogelijkheden van de Kunstberg na te denken. In dit artikel
willen we een blik werpen op de voorstellen die voor de Kunstberg gemaakt zijn.
Weinigen hebben waarschijnlijk al
van het New Yorkse architectenduo Diller Scofidio gehoord. Nochtans zijn
het geen vreemden voor ons land. Een paar jaar terug hadden ze een
tentoonstelling in het PSK en op dit ogenblik is er een dansvoorstelling,
die ze samen met Charleroi/Danses maakten, op tournee door Europa en Azië.
En daarmee wordt meteen duidelijk dat D S geen doorsnee architecten
zijn. Ze profileren zich als een studio die architectuur en technologie
probeert te synthetiseren. De pixel wordt, net zoals de bouwsteen, een
fundamenteel onderdeel van de constructie.
Ik wil stilstaan
bij de nadruk die u legt op de draagkracht van het programma van architectuur,
ten opzichte van haar vorm en structuur. Ik denk dat u terecht stelt
dat aan een programma voor architectuur, in zijn essentie, in de laatste
drie architectuurstromingen van de 20ste eeuw (postmodernisme, deconstructivisme
en supermodernisme) geen betekenis of waarde is gegeven, en dat bijgevolg
de denkpiste van programma-genererende architectuur, geuit door het
prille modernisme, niet is gevolgd.
‘Architectuurtentoonstellingen
tonen meestal projecten die gerealiseerd zijn. Wij willen de intellectuele
en conceptuele relatie tegenover architectuur herdenken door het fenomeen
architectuur waarneembaar te maken in de tussenliggende regionen, tussen
de realiteit en het virtuele, tussen studie en uitvoering. Zo openen
we de grenzen tussen deze regionen, zodat ze zich kunnen vermengen.
Misschien ontstaan er op deze manier nieuwe inzichten in architectuur’,
Toyo Ito