
Een groot wit podium, leeg, op drie houten konijnenhokken na. Nog tijdens het vollopen van de zaal betreden twee acteurs de speelvloer. Ze dragen een kistje waarin levende konijnen zitten. Liefdevol worden ze opgepakt en elk in het eigen hok gezet. Dan kan de voorstelling echt beginnen: een verteller neemt ons van op zijn stoel mee naar een andere wereld, aandachtig meekijkend naar de scènes. We zijn in Andorra, waar de mensen in pais en vree leven als één grote familie. Idyllische tafereeltjes trekken aan ons voorbij: een heer met een kruiwagen, een dame met een bussel prei en drie leden van de fanfare. De jonge vrouw Barblin staat met een emmer witsel in de hand te dromen. Ze is verloofd, zegt ze tegen de soldaat die haar van op een afstand beloert, ‘dus laat me met rust’. En met deze opmerking is het eerste scheurtje in de schijnbaar veilige wereld van Andorra een feit.
Hedda Gabler heeft alles wat haar hartje zou kunnen begeren en toch is ze ongelukkig. Zo zou je de klassieker van de Noorse toneelschrijver Hendrik Ibsen kunnen samenvatten. Het stuk werd geschreven in 1890 en wordt nu ruim een eeuw later nog regelmatig gespeeld. Bij toneelstukken die tot het repertoire behoren, wordt altijd de actualiteitsvraag gesteld: welke noodzaak is er nog om een tekst van 125 jaar oud op te voeren? ’t Arsenaal heeft daar een eigen antwoord op gevonden. Het Mechelse gezelschap speelde vorig seizoen HEDDA in regie van
