
Het lijkt haast het obligate nieuwe schouwspel in de stad: flashy bouwsels, niet alleen door hun vormen, maar ook door hun verlichting. Het atomium schittert en knippert als nooit tevoren, glazen kantoortorens worden ’s nachts omgetoverd tot kleurrijke games en verlichte monumenten geven iedere stad een beetje het gevoel Parijs achterna te kunnen gaan. Een Guggenheim neerpoten is niet altijd nodig, ook licht kan wonderen doen om de aandacht te trekken, naar het gebouw, én naar de stad. Niet alleen architectuur maar ook haar verlichting staat zo in voor de regeneratie van wijken en popularisering van ons patrimonium. Maar wat wordt er eigenlijk verlicht? En wat hebben die gebouwen daar dan bij te winnen?
Overvolle gevangenissen en andere justitieperikelen vormen een dagelijkse soap in de Belgische kranten. Af en toe zijn ook de nieuwe justitiepaleizen in Antwerpen en Gent kop van jut: te duur, te prestigieus, te radicaal, te lelijk, … Toch zijn al een hoop kleinere nieuwe justitiepaleizen geruisloos aan ons voorbijgeslopen. Kortrijk heeft sinds 2002 een nieuw gebouw van Stéphane Beel op haar architectuurcurriculum staan, Nijvel pronkt sinds 2001 met haar nieuwe aanwinst, het gerecht van Aarlen zit al drie jaar in een nieuw gebouw, en het gerechtsgebouw van Marche-en-Famenne werd in september 2006 ingehuldigd. Justitie probeert duidelijk haar imago op te poetsen door centrale, efficiënte en moderne gerechtsgebouwen neer te poten. Net zoals de modernisten licht en lucht voor de nieuwe woningen aanprezen als eigentijdse tegenhanger van de donkere bourgeoisiewoning, gebruikt ook Justitie nu deze toverwoorden om zich af te zetten tegen de donkere, monumentale negentiende-eeuwse justitiepaleizen. De nieuwe gerechtsgebouwen van Gent en Antwerpen zijn visitekaartjes die die nieuwe koers tentoonstellen: justitie als een hedendaags, doorzichtig instituut, dat duidelijk aanwezig is in de maatschappij en de stad. Daarbij moeten ze ook nog eens als katalysator werken in de ontwikkeling van hun omgeving. Dat deze twee gerechtsgebouwen bijna tegenpolen zijn qua architectuur maakt duidelijk dat de architect een belangrijke speler is. Maar dit toont vooral dat er geen eenduidig antwoord is op wat de (holle?) beeldspraak vraagt.
