Op 30 mei voerde Chris Burden een Beam Drop uit in het Antwerpse Middelheim: tientallen stalen balken werden van veertig meter hoogte verticaal in een put cement gedropt, met een kolossale sculptuur als eindresultaat. In de schaduw van dit spektakel werden echter ook een aantal schaalmodellen van bruggen en zelfs video’s van Burdens vroegste performances getoond. Niet toevallig, want Beam Drop is een synthese van Burdens artistieke traject.
In zijn relatief jonge artistieke leven van ongeveer veertig jaar, dat bovendien alweer naar een voortijdig einde lijkt te hollen, is de dia in de kunst op verschillende manieren gebruikt. Still/Moving/Still, de hoofdtentoonstelling van het Fotofestival 2009, bracht de meeste ervan in kaart. De geselecteerde werken verrasten door hun diversiteit. Tegelijk maakte die diversiteit ook duidelijk dat het gebruik van een beeld soms een verraad aan het medium impliceert: niet alle werken lieten de dia immers tot zijn recht komen als dia.
Deze winter liep in De Bond in Brugge de tentoonstelling Ben jij dat op die berg van rijst? van Virginie Bailly (°1976, Ukkel). Bij deze tentoonstelling kreeg de bezoeker een korte geschreven toelichting waarin werd benadrukt dat Bailly ‘in de eerste plaats schilder’ is maar ook media als video en fotografie gebruikt om ‘een beweging of subtiele verandering te tonen, iets wat niet lukt met schilderkunst’. Met deze laatste opmerking bewijst de (anonieme) auteur Bailly alvast geen dienst. Enkel slechte schilders zijn immers niet in staat om een subtiele verandering te schilderen. En Bailly is geen slecht schilder. Integendeel: de doeken en video’s die ze in Brugge toonde, waren net doordrongen van subtiele veranderingen en bewegingen.
In het kasteel van Gaasbeek was een vergeten markiezin de kapstok waaraan een tentoonstelling van hedendaagse kitschkunst werd opgehangen. Of was het omgekeerd? Hoe dan ook: kitsch is helemaal terug, van Jeff Koons in Versailles tot een trits kleinere goden in de Brusselse rand.
Dit jaar verscheen totaal onverwacht, en zonder de heisa die men wel zou verwachten, Ik Jan Cremer Derde Boek, waarvan de titel als zelfverklarend mag worden beschouwd. Critici hebben nooit goed raad geweten met Jan Cremer (°20 april 1940). Met zijn eersteling, de schelmenroman Ik Jan Cremer (1964), maakte hij zoveel controverse los dat literaire respectabiliteit hem sindsdien lijkt te ontsnappen. In die hele heisa gaat echter het gevoel verloren voor de complexiteit van Cremers bedrieglijk vanzelfsprekende proza.
Het was mijn eigen kleine geheimpje. In de laatste jaren van mijn humaniora was ik verslingerd aan de VPRO-serie We zijn weer thuis, een dramady over de belevenissen van de weduwe Nel van der Hoed-Smulders en haar drie volwassen zonen. Deze reeks na vijftien jaar opnieuw bekijken, is getroffen worden door het soort televisie dat we hebben verloren. Het kabelvoer is vandaag van top tot teen high concept. Zelfs de platste banaliteit wordt ons met de glans en gladheid van een perfect vormgegeven leegte door de strot geramd. We zijn weer thuis dateert uit een tijd toen er nog werd geknutseld, gezocht en geëxperimenteerd op de buis. In één beweging door haalde de tegendraadse humor van de reeks bovendien de mode van de postmoderne ironie onderuit om er zowaar iets leuks van te maken.
De films van de Oostenrijkse cineast Ulrich Seidl zijn geen publiekstrekkers. Daarvoor liggen ze iets te zwaar op de maag. In Brugge mocht zijn nieuwste film Import/Export (2007) zeven vertoningen genieten, waarvan de meeste waren weggestopt in de laatavondprogrammatie. Ik was aanwezig bij vertoning nummer drie. Er zaten nog vier andere mensen in de zaal, waarvan één medewerker van de bioscoop. De afwezigen hadden niet zozeer ongelijk. Ze hadden een slecht geweten.
Paul Thomas Andersons There Will Be Blood (2007) is een macht die over je heen gaat. Met adembenemende vaart raast de film door het levensverhaal van Daniel Plainview (Daniel Day-Lewis), een oliebaron die zijn ziel verkoopt voor olie. Op zijn weg naar de verdoemenis kruist hij echter het pad van Eli Sunday (Paul Dano), een prairieprediker die even intens van God houdt als Plainview van zijn dollars. Zo stelt Anderson de twee Amerikaanse grootmachten van vandaag tegenover elkaar: God en Kapitaal. De tweestrijd die zich vervolgens ontwikkelt, is een Great American Novel waardig (is met name gebaseerd op een roman van Upton Sinclair) en loopt over van Bijbelse thema’s. Amerika mag zich dan al graag een ‘Natie Onder God’ wanen, Anderson haalt dit zelfbeeld genadeloos onderuit en slaat het ‘with great vengeance and furious anger’ aan diggelen.
In een bekend gedicht van Rutger Kopland stapt een moeder langzaam op haar kind toe om het niet te laten schrikken, neemt het voorzichtig op om het niet te beschadigen en slaat dan keihard. Iets gelijkaardigs gebeurt in de films van de Koreaanse regisseur Kim Ki-Duk (Seoul, °1960). Zijn films zijn doorgaans een streling voor het oog en lijken op het eerste gezicht enigszins bizarre liefdesverhalen die nu en dan door brutale schokeffecten worden doorboord. Maar dat is slechts schijn.
Zelfs voor de cynische twijfelaars onder ons zal het nu wel duidelijk zijn: met Into the Wild (2007) is Sean Penn definitief toegetreden tot het pantheon van grote eigentijdse filmauteurs. Het is pas zijn vierde film als regisseur en scenarist, maar het is ook zijn vierde voltreffer op rij. Het verhaal van Christopher McCandless, de student die zijn geld wegschonk om in zijn eentje in Amerika rond te trekken, is een ode aan de Amerikaanse pioniersgeest. Het is een film over een antiheld wiens onstuimige temperament perfect aansluit bij dat van Penn. Een verhaal over waarheid en waarden in een verweesde wereld.
Terwijl Brahms ten hemel stijgt, ziet hij zijn kloten aan een boom hangen. Zo begint het visioen waarmee Brahms Gets Laid opent, een van de vier romans die Ken Russell (°1927) dit jaar publiceerde om zijn eigen visie op het leven van vier componisten wereldkundig te maken. Andere slachtoffers van dienst zijn Beethoven (Beethoven Confidential), Elgar (Elgar: The Erotic Variations) en Delius (Delius: A Moment with Venus). Russells benadering van de kunstenaarsbiografie is echter allesbehalve alledaags. Wie sociaal realisme verwacht, is hier aan het verkeerde adres. Russell werd beroemd en (vooral) berucht als exuberant cineast met een voorkeur voor biografische films die de donkere kantjes van de menselijke soort blootleggen. De vier romans zetten die trend verder in een ander medium. Zowel hun kracht als hun zwakte hangt samen met de spanning van een kunstenaar die de taal die hij in het ene medium heeft verworven, probeert te hertalen naar een ander medium.
De problemen met Pascale Ferrans Lady Chatterley (2006) kondigen zich onvermoed reeds tijdens de openingstitels aan. We lezen dat de film gebaseerd is op de tweede versie van D.H. Lawrence’ roman, en wel de Franse vertaling daarvan onder de titel Lady Chatterley et l’homme des bois. Het vergt een Frans soort cerebraliteit om de mythisch klinkende titel van Lawrence’ roman met zo’n letterlijkheid te vertalen.
Toen Christoph Schlingensief (Oberhausen, 1960) net als zijn idool Rainer Werner Fassbinder tot tweemaal toe werd afgewezen voor de filmacademie, besloot hij op eigen houtje films te maken. Sinds Tunguska -Die Kisten sind da (1984) heeft hij in ware guerillastijl een klein dozijn films gedraaid, van het obscene Menu Total (1986) dat op de Berlinale 1986 werd uitgefloten tot de groteske parodieën United Trash (1995) en Freak Stars 3000 (2003). De kern van zijn filmwerk is echter zijn beruchte Duitsland-trilogie waarin hij afrekent met het steeds minder latente neofascisme in Duitsland. Deze hysterische politieke parabels zijn pareltjes van obscene wansmaak. Vandaag, vijftien jaar na datum, zijn ze ook profetisch gebleken: vlijmscherpe analyses van de race naar rechts in een Europa dat stilaan uit zijn multiculturele voegen barst. Als men ze in het perspectief van Schlingensiefs politieke theateracties plaatst, zijn deze films bovendien het kernstuk van een verrassend frisse visie op die verrechtsing. Provocateur extraordinaire of niet, Schlingensief is de laatste Meester uit Duitsland die te vuur en te zwaard de nazi’s komt bevrijen.
Een paar jaar geleden woonde ik een concert van John Cale bij naar aanleiding van zijn album Hobo Sapiens (2003). Bij de eerste noot ging het licht uit en viel de muziek stil. Kortsluiting. Cale liet zich echter niet van zijn stuk brengen en toen het concert even later vooralsnog begon, grapte hij: ‘Now you can all go home and say John Cale gave you a blackout’. Voor de man die ooit een kip slachtte op het podium, was een kortsluiting vermoedelijk niet meteen iets waar hij van onder de indruk was. Integendeel, kortsluiting is het principe waarop Cale zijn carrière heeft gebouwd. En onvoorspelbaarheid is het sleutelbegrip van zijn concerten. Dat wordt nog maar eens bewezen met Circus Live (2007), de dubbele live-set en bijhorende dvd waarmee Cale de balans lijkt op te maken van zijn carrière. De keuze van het materiaal is niet evident: Cale heeft een voorkeur voor minder bekende nummers uit zijn albums of radicaal omgebouwde en afgestroopte versies van oude en nieuwe composities. Maar bovenal keert hij terug naar de experimenten uit het prille begin van zijn carrière, toen hij zich als avant-gardecomponist toelegde op het verleggen van de grenzen van de hypnosemuziek.
Een van de meest bevreemdende aspecten van Siouxsie and the Banshees is dat hun muziek album na album meer kunstmatig werd. Hoe verder ze van hun debuutalbum The Scream (1978) weg evolueerden, hoe meer hun werk een esthetische oefening leek te worden, een spel met muzikale vormen en de iconografische rubrieken van vervreemding, spookhuizen en body horror.
Het was niet meteen een rol die zomaar iedereen kon spelen. Al was het maar omdat Elizabeth II hem zelf nog steeds speelt. Maar ik kan mij moeilijk inbeelden dat regisseur Stephen Frears ooit een andere actrice dan Helen Mirren zou hebben overwogen voor de titelrol in The Queen (2006). Voor Mirren is de rol in zekere zin de voorlopige kroon op haar carrière. Niet omdat het haar beste rol is (want dat is het niet), maar omdat het toepasselijk is dat zij The Queen zou spelen. Het reflecteert haar positie als een van de grote moderne actrices, de koningin van haar stiel en kunst. Maar wat maakt Mirren zo goed? Wanneer critici over regisseurs, auteurs, schilders of componisten schrijven, kunnen ze terugvallen op een kritisch jargon en het handige idee van een ‘oeuvre’. Maar hoe bouwt een uitvoerend kunstenaar als een acteur aan een oeuvre? Is hij/zij niet afhankelijk van wat hem/haar wordt aangeboden? En hoe creëert een acteur eenheid in de diverse rollen die hij of zij speelt? De rol van The Queen is toepasselijk voor Mirren omdat hij de sleutel is tot het antwoord op die vraag: wat maakt het oeuvre van een acteur tot een oeuvre? En hoe kun je dat als criticus duiden?
Met Academy. Learning from Art had het MuHKA een weerbarstige tentoonstelling die ons wilde doen nadenken over hoe en wat we kunnen leren van kunst. De tentoonstelling maakte deel uit van een ruimer project, met onder meer een parallelle expositie in het Eindhovense Van Abbemuseum en een begeleidend boek (dat soms helaas nogal zwaar op de hand is geschreven). Het globale project wilde ook een aanzet zijn tot reflectie over de impact van de Bologna-akkoorden op het kunstonderwijs. Nu hogere kunstopleidingen en universitaire opleidingen gelijkgetrokken moeten worden, hebben nogal wat mensen het terechte gevoel dat de eigenheid en de vrijheid van de artistieke ruimte op de tocht komen te staan. De vraag is dan hoe je kunt leren van/over kunst zonder de integriteit van het artistieke project zelf in gevaar te brengen. Hoe je kunst kunt opvatten als een ‘onderzoek’ dat toch een artistiek karakter heeft.
Exhibition (1975) van Jean-François Davy is misschien wel de meest succesvolle pornofilm uit de Franse geschiedenis. Zo succesvol dat Davy een reeks opvolgers maakte die nu (samen met een paar andere van zijn films) in een luxueuze dvd-box zijn samengebracht. In Exhibition 2 (1976) en Exhibition 79 (1979) laat Davy ons binnengluren in de wereld van de vroege pornofilm. Dat klinkt leuk. Dat vonden ze ook bij het prestigieuze tijdschrift L’Avant-scène Cinéma, dat Davy eerder dit jaar als auteur canoniseerde door een volledig nummer aan Exhibition te wijden. Maar waarom al die drukte rond een paar pornofilms van dertig jaar oud? Omdat de Exhibition-cyclus een ijzersterke oefening is in ‘geënsceneerde reportage’, cinéma vérité die creatief omspringt met de vérité. Daarin was Davy niet alleen een voorloper van de hedendaagse mode voor reality-tv, zijn films zijn ook stukken beter dan wat tegenwoordig voor kritische vérité moet doorgaan. Vooral de trend om de kritische blik gewoon gelijk te stellen met het ‘verder gaan’ en (nog) meer onthullend te zijn dan ooit tevoren is een stuitende ontwikkeling. En dat zeg ik niet omdat we preuts zijn en niet van porno houden. Maar omdat vérité en human interest zo de excuustruzen bij uitstek zijn geworden voor wie zijn lauwe vingers in broeierige papjes wil dompelen zonder te hoeven erkennen dat hij eigenlijk gewoon aan porno wil doen.
Moet er nog Björk zijn? Deze zomer kwam er een luxueuze cd-box op de markt waarin alle soloalbums van de IJslandse diva zijn samengebracht, inclusief alle bijhorende videoclips. Zo’n doos heeft natuurlijk iets van een afgesloten project. Het is een kubieke decimeter oeuvre die op zichzelf staat. En dat is een gelegenheid om de balans op te maken van het parcours dat ‘s werelds guitigste pinguïn tot nu toe heeft afgelegd. Waar is ze begonnen? Waar staat ze nu? En vooral: hoe klinkt het daartussen?
Exhibition (1975) van Jean-François Davy is misschien wel de meest succesvolle pornofilm uit de Franse geschiedenis. Zo succesvol dat Davy een reeks opvolgers maakte die nu (samen met een paar andere van zijn films) in een luxueuze dvd-box zijn samengebracht. In Exhibition 2 (1976) en Exhibition 79 (1979) laat Davy ons binnengluren in de wereld van de vroege pornofilm. Dat klinkt leuk. Dat vonden ze ook bij het prestigieuze tijdschrift L’Avant-scène Cinéma, dat Davy eerder dit jaar als auteur canoniseerde door een volledig nummer aan Exhibition te wijden. Maar waarom al die drukte rond een paar pornofilms van dertig jaar oud? Omdat de Exhibition-cyclus een ijzersterke oefening is in ‘geënsceneerde reportage’, cinéma vérité die creatief omspringt met de vérité. Daarin was Davy niet alleen een voorloper van de hedendaagse mode voor reality-tv, zijn films zijn ook stukken beter dan wat tegenwoordig voor kritische vérité moet doorgaan. Vooral de trend om de kritische blik gewoon gelijk te stellen met het ‘verder gaan’ en (nog) meer onthullend te zijn dan ooit tevoren is een stuitende ontwikkeling. En dat zeg ik niet omdat we preuts zijn en niet van porno houden. Maar omdat vérité en human interest zo de excuustruzen bij uitstek zijn geworden voor wie zijn lauwe vingers in broeierige papjes wil dompelen zonder te hoeven erkennen dat hij eigenlijk gewoon aan porno wil doen.