Een krakend geluid. Je hoort het krassen van een naald op een versleten grammofoonplaat. Je denkt eerst aan knappend vuur, dan aan golven, aan het zachte klotsen van het water boven je hoofd als je voor even kopje-onder gaat. Het gekraak vermengt zich met een diepe, donkere toon. Dreinend en dreigend. Vanuit de verte klinken violen. De melodie die ze spelen komt almaar dichterbij. Sommige geluiden naderen, andere worden zwakker. Je weet niet zeker of wat je hoort er daadwerkelijk is. De ongrijpbaarheid van de klanken wekt een luciditeit op die te vergelijken is met een koortsdroom. Met het moment vlak voor je in slaap valt, waarop je je realiseert dat je bijna slaapt en dus nog wakker moet zijn.
Het gordijn schuift opzij. Je brengt een hand naar je ogen. Licht verblindt. Stemmen. Er zijn mensen. Je hoort stemmen. Je doet een stap naar voren. Je ziet niemand, nog niet, maar je hoort mensen. Harder nu dan net. Nog een stap. Je ogen raken gewend. De gezichten op de eerste rij worden herkenbaar. Je test de microfoon met twee droge tikken. De fluittoon van de feedback. Weer twee tikken. Je begint een gedicht: ‘You there! Thou bird of the golden wing: how happily would you fit into my nest. You there! … You there! … You people of the planet earth forget yesterday and sorrow fly away with me to my ever living world of tomorrow.’
Trage stappen, het gelijkmatig neerkomen van de zweep op de reeds zwaar gekwetste rug. De muziek van de onlangs overleden Russische componiste Galina Oestvolskaja klinkt als de zelfflagellatie van religieuze fanatici. Ze is zowel wanhopig als lucide en in staat heviger smart te doorstaan dan zij ooit zal hebben gedacht. De muziek van Oestvolskaja is uniek. Ze lijkt uit een andere wereld te komen, zoals ook de zichzelf kastijdende gelovigen los lijken te zijn geraakt van het aardse. Door het lichaam aan extreem veel geweld te onderwerpen, wordt uiteindelijk de catharsis bereikt waarin de pijn niet meer wordt gevoeld. Deze muziek is spiritueel en heel, heel erg fysiek.
Toen pianist Andrew Hill dit jaar met zijn kwintet te gast was in het Rotterdamse Lantaren/Venster, vertelde de Turkse programmator een treffende anekdote over zijn jeugd in de jaren 1960 in Istanbul. De muziekleraar had iedereen gevraagd zijn favoriete elpee mee te nemen en die aan de klas te laten horen. De programmator had een net verschenen plaat van Andrew Hill meegebracht. Het kwam hem op een aanvaring met de muziekleraar te staan, omdat die dacht dat hij in de maling genomen werd. Hij kon zich niet voorstellen dat iemand die muziek mooi zou vinden.