Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Gunther De Wit:
MARS speelt 'Sunday Smile'
Over 'De Versie Claus' van Het Toneelhuis
Over Zand erover!? van Victoria Deluxe
Over Tinseltown en intertekstualiteit
L'AUTOPSIE PHENOMENALE DE L'ABATTOIR
datum 17.12.2006
rubriek Podium
Abattoir Fermé brengt op geregelde tijdstippen én doorlopend het kleine, grote Amerika naar uw theaterzalen. Zelfs als het verhaaltje u niet raakt, dan doet de ondertussen obligate droomsequentie dat des te meer. Maar waar hebben we dat nog al gezien?


Na het eerste halfuur van de voorstelling Tinseltown begint een onterechte vrees zich te manifesteren. Zou Abattoir tegenwoordig con-ven-tio-neel theater gaan maken zijn? Die vrees is deels te wijten aan een gebrek aan voorgeschiedenis, want die wijst ons uit dat deze voorstelling chronologisch voor het alom (ook door mij) geprezen Moe maar op en dolend komt. Die laatste voorstelling is een staalkaart van wat Abattoir aan nieuwigheid te bieden heeft aan al wat verstard is in de wereld van theater, en een ijkpunt in hun oeuvre. Vergelijkingen met die voorstellingen zal ik trachten te beperken, tenzij het echt niet anders kan. Maar wat we dus aanvankelijk te zien krijgen, ligt daar mijlenver van af.
Een nogal marginaal vrouwelijk karakter spreekt het publiek toe, in wat later een auditie blijkt te zijn; ook hier weer genoeg referenties aan ander werk van het gezelschap. Een regisseur komt dan haar poging beoordelen, en drijft haar acteerprestaties op de spits (‘Kan ik van haar een goede actrice maken? Niemand kan dat, maar ik kan haar wel beter maken. En ik vind haar écht mooi’). Het stokwoordje ‘Opnieuw’ doet dan zijn intrede, en ook dat is verre van nieuw. Het lijkt wel of Abattoir binnen zijn eigen repertoire breed uitwaaierende motieflijnen uitzet, over de verschillende voorstellingen heen, en dat project alleen al maakt ons nieuwsgierig. Maar wat volgt is nauwelijks opwindend. De regisseur zakt af naar een koffiehuis, waar hij in dialoog treedt met een authentieke waitress met wonden aan haar handen die het ergste doen vermoeden – ga The Black Dahlia zien en u weet wat ik bedoel.
De verwantschap met die film zit nog dieper, al is ze niet exclusief, temeer omdat het thema van de dienster die het wil gaan maken in Hollywood maar zonder pardon zal eindigen in een berooide pornofilm, al wel vaker werd gebruikt. Zoals in Mulholland Drive.

Het is al vaker gezegd dat die van Abattoir goed gekeken hebben naar het verzameld werk van ene David Lynch, maar ik zal aan die boutades een nog grotere dooddoener toevoegen: in vele opzichten lijkt Tinseltown een goed geënsceneerd podiumequivalent van Mulholland Drive. Er is de koffie-uitspuw-scène die herhaaldelijk terugkomt en letterlijk uit de film lijkt geplukt. Er is de lesbische scène, die we ons allemaal nog levendig herinneren, en die bij Abattoir – uiteraard – stevig opgetuned wordt, dus niet langer subtiel of sensueel is maar een Sodom en Gomorra uitstraalt van heb je me daar. De goocheltruc met lint en kut verwijst in dezelfde lijn misschien naar rode lintjesdag op 1 december, en schopt de toeschouwer op die manier in méérdere opzichten klaarwakker. De begeleidende muziek from hell doet gewoontegetrouw de rest.
Maar wat misschien nog wel de grootste invloed verraadt is de tweeledige, omgekeerde verhaalstructuur in de voorstelling. Ik zei het al: het eerste deel, dus tot en met de start van die uppercut van een sequentie, is eigenlijk gewoon afwachten. De plaatsvervangster van Tine van den Wyngaert lijkt bovendien rechtstreeks van het podium van een of ander schooltoneel ontvoerd (doch oh wat zal dat veranderen!). Maar dat eerste, weinig imposante deel is noodzakelijk om de daaropvolgende aaneenschakeling van irrationele horror te laten werken, en om de goed doordachte indeling van het stuk mogelijk te maken. Want na het middelste deel krijgen we de omkering van personages, zoals in Mulholland Drive na het vallen van de kubus, en de omkering van plot, zoals in Lost Highway. De actrice die auditie doet wordt serveerster, en andersom. De regisseur blijft dezelfde maar incorporeert alle horror, die hij in de droomsequentie al vertoonde wanneer hij eens níet bezig was met het eten van bloem (of suiker of coke). We eindigen waar we begonnen zijn, met de auditie, al lijkt die uit de hand te lopen. In ware snuff movie-stijl (Lost Highway!) wordt een gegeselde aan een kraan gehangen, maar in zo een positie waarop de Heer Jezus Christus reeds lang geleden een patent genomen heeft (de voorstelling-in-de-voorstelling waarvoor dit lugubere exhibitionisme gebeurt, heet dan ook L’autopsie phénoménale de Dieu). Die kruisiging komt ook weer terug in de droomsequentie, net zoals Lynch’ huiscomponist Roy Orbison, als we Angelo Badalamenti even vergeten.

Het moge duidelijk zijn. Abattoir Fermé weeft niet alleen over haar realisaties héén, maar ook binnen een zelfde voorstelling webben waarin een toeschouwer grààg verstrikt raakt. En verstrikken zal men. Niet alleen vanwege de overdosis intertekstualiteit, die een breed cultureel appel aanhangen, maar ook omdat deze voorstelling met iets teveel ambitie voor de dag komt. Er zit zodanig veel in, dat er onvermijdelijk ruis komt in de overdracht van scène naar toeschouwer, en dan bedoel ik niet het soort ruis dat doorgaans op hun klankband staat.
Het mom van de Chaostrilogie waaronder Tinseltown als tweede deel opereert (na Indie) verklaart het euvel, maar maakt het niet noodzakelijk goed. Als je Tinseltown al iets moet aanwrijven, dan is het een soort horror vacui: liever had ik een uitgepuurdere versie gezien, opgebouwd rond Abattoirs ondertussen bekende dada’s. Meer nog: ik héb ze al gezien (Moe maar op en dolend).

Wat ik me afvraag: wat als Abattoir Fermé die dada’s op een dag beu geraakt? Voorlopig stelt zich dat probleem niet, en ik ben er zeker van dat ze ook dan iets nieuws zullen uitvinden dat uitdagend genoeg is, voor publiek en voor henzelf. De preoccupatie met de huidige thema’s en vormen zorgt er wel voor dat we Tinseltown heus niet het heil van de originaliteit kunnen toewuiven, maar in een voorstelling van Abattoir wordt er vooralsnog niet gewuifd. Er worden vuisten gebald, en de pleisters mag u elders gaan zoeken.

Gezien op 9 december 2006 in het Nieuwpoorttheater te Gent.

Credits:
Van en met: Chiel van Berkel, Stef Lernous, Joost Vandecasteele, Kirsten Pieters, Kreng, Veerle Malschaert en Charlotte Vandermeersch.

www.abattoirferme.be
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie