Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Gunther De Wit:
MARS speelt 'Sunday Smile'
Over 'De Versie Claus' van Het Toneelhuis
Over Zand erover!? van Victoria Deluxe
Film zonder meer te Parijs
LE TOUT PARIS II: RENCONTRES PARIS/BERLIN
datum 12.12.2006
rubriek Film + TV
Wat betekent een weekje Parijs, opgebouwd rond twee festivals, een overdosis expo’s en een heuse cashflow de naam ‘lichtstad’ meer dan waardig? We zochten het proefondervindelijk uit, althans: ‘we’ in de eerste helft van de week en het eerste deel van dit omvangrijk verslag, een solitair ‘ik’ in de tweede helft ervan. Hoewel…
23/11
Vergeleken met ‘Double Look’, het filmluik van het Festival d\'Automne, brengt het nochtans ook niet voor de modale filmliefhebber bedoelde filmfestival ‘Rencontres Paris/Berlin’, een heel ander verhaal. De naam is een misvatting: veeleer moeten we het adjectief ‘internationales’ geloven dat mee de naam bepaalt, want voor dit kleinschalige, maar oh zo gemoedelijke festival zijn makers, perslui (moi) en distributeurs uit zowat alle Europese landen present.

Ouverture
Een eerste voorsmaakje krijgen wij, vooraanstaande liefhebbers van de experimentele film, op de openingsavond (23/11), waar een aantal exemplarische filmpjes vertoond worden. Plaats van afspraak: het Jeu de Paume, aan de Place de la Concorde – ook de volgende dagen een geijkt verzamelpunt van het, zo zal blijken, tamelijk incestueuze wereldje. Werkelijk iedereen blijkt iedereen te kennen, of loopt elkaar vroeg of laat nog maar eens tegen het lijf. Leuk. Gezellig. Zoals op de receptie achteraf. Gekke, overjaarse journalisten annex huisvrouwen uit Canada; would-be regisseurs die komen hengelen naar contacten, en netwerken met een grote verkoudheid; kunststudenten uit Berlijn, die er moeten zijn omdat de naam van het festival én hun titel van kunststudent uit Berlijn dat vereist. Maar allemaal geen geklaag hierover, zo bij een schuimwijn in een lichtstad, gratis op de koop toe.
    Terzake. Die eerste avond biedt, zoals gezegd, heel wat lekkers en voorspelt een hoop goeds voor de komende dagen. Meteen wordt het duidelijk dat ik hier met tegenzin zal vertrekken, en besluit dermate mijn eigen netwerking niet mateloos achterna te hollen. Ik ben journalist uit België, een tamelijk exotische omschrijving, en de persmeisjes doen alsof zij de hele tijd op mijn komst hebben gewacht, proberen betere (goedkopere, mijn ambassade heeft me aan de deur gezet, ik pretendeer alsof ik nog nooit van jeugdherbergen gehóórd heb) logies te regelen maar het mag niet baten. Bedankt toch voor de moeite. Wel kunnen ze voor mij enkele interviews met aanwezige Belgen arrangeren, en mij ook anderszins wijzen op mijn chauvinistische plicht, en zodoende de kijkmomenten van nationale trots in mijn programma helpen onderstrepen.
Hans op de Beeck, auteur van verscheidene expo’s, boeiende installaties, en zoveel meer, zit in een rouwfase. Althans: de thematiek van zijn recentste werk bevindt zich om en rond het wonderlijke fenomeen van de koffietafel. In de film die hij heeft meegebracht, of liever, heeft opgestuurd (Hans is er niet, geen interview dus), zien we dan ook een koffietafelfragment, analoog gemonteerd met twee andere tafelbijeenkomsten: een trouw, en nog iets. Een rondtollende camera laat de grote en kleine besognes, dronken nonkels, onderlinge twistappels en vers ruziënd bruidspaar zien: een heerlijk sociologisch doorsneetje if ever I saw one. De stemmen der feestvierende mensen, van wie het héél onduidelijk is of ze acteren dan wel gefilmd worden in hun reële context van feestvierder, worden onherkenbaar vertraagd, zodat ze klinken als de slow-mo wanhoopskreet bij een beslissende worp/gooi in een slechte Amerikaanse sportfilm. Goedbedoelende monsters ook wel. Wil Op de Beeck ons vertellen dat mensen monsters worden in groep? Wellicht, en misschien heeft hij gelijk. Zijn film is een van de meest effectieve die avond, als er al iets blootgelegd moet worden.

(Om de simpele reden dat een gemiddelde séance zo’n 8 tot 10 films vertoont, beperk ik me tot de werkelijke blikvangers. Zo zal u weinig bikkelharde kritiek kunnen lezen, en als ik daarmee mijn doel voorbijschiet: tant pis. Al zal u het ook wel merken als ik iets écht wraakroepend slecht vond, dat onthoud ik u niet).

Mochten er medailles uitgereikt worden die avond, dan strandt Op de Beecks All together now op een verdienstelijke derde plaats. De eerste twee films waren er dan ook meteen knal op. Met name de Duitse film Kristall van Matthias Müller en Christophe Girardet was hoogst origineel en gaf een volledig nieuwe wending aan het gebruik van samples. Met behulp daarvan wist het duo een verhaal van zichzelf op te bouwen, en wel een waarbij het publiek op het puntje van zijn ongemakkelijke designerstoel zat (Maarten van Severen?), als betrof het een niet-doordeweekse Hitchcock-parel. De samples die werden gebruikt waren alle afkomstig uit Hollywoodfilms uit de oude doos (mange ça, ‘Double Look’!), en toonden een narratieve sequentie waarbij eerst allerlei Hollywooddiva’s een halssnoer cadeau kregen van hun minnaar. De spiegel speelt hierbij een centrale rol, want het gunt de kijker de ideale voyeurspositie voor dit intieme tafereeltje. Maar voor diezelfde spiegel ontrolt zich dan, onvermijdelijk haast zoals in de beste films, een heus onheil: vrouw of man worden jaloers, vermoeden intriges en/of overspel. De eens zo lieflijke minnaars komen de toiletkamer (want die bestonden toen nog) binnengestormd, eisen het sieraad hardhandig terug, breken de spiegel, bezeren zichzelf en hun dame, gaan zich dan verzoenen, waarop alles opnieuw kan beginnen. Close-ups verraden de innerlijke gedachten die de personages (Marilyn Monroe, Elizabeth Taylor, Sophia Loren, les belles femmes, quoi) bewegen, bezig houden, triest maken. Superieur staaltje recyclage!
Verdienstelijke tweede, en wel om de omgekeerde reden van Kristall: We’re going for a trip across the water van de Brit Jason Dee. Dit filmpje van ocharme twee minuten munt uit in less is more; geen honderd en enkele shots dus, maar slechts twee. Op een boot staan twee camera’s gericht, eentje naar de bezeten roeier, eentje naar de in diepe gedachten verzonken blonde schone. De boot schijnt rondjes te maken – die indruk krijgen we toch, omdat de roeier en de blondine, die we in respectievelijk rechts en links op het beeld te zien krijgen, steeds in een ronde beweging schijnen te tollen. Het landschap achter hen echter verandert telkenmale; geen tweemaal krijgen we hetzelfde te zien – al zijn we nog zo geneigd dat te geloven. Deze dollemansboottocht schept een mini-universum, of misschien wel twéé mini-werelden: de mensen op het bootje hebben op geen enkel moment contact met elkaar, en lijken zich binnen hun eigen grenzen – die gelijklopen met de scheidlijn in het midden van het beeld – te begeven. Al begrijpen wij zeer goed waarom de roeier zo wild om zich heen staat te grijnzen.

De would-be regisseuse met de verkoudheid weet in mij geen efficiënt netwerkcontact, en bij gebrek aan énig contact van die orde, verleidt ze mij ertoe naar The Black Dahlia te gaan kijken – zij voor de tweede keer en voor Brian DePalma, ik voor het eerst en voor de combinatie Scarlett Johansson / film noir. Twee bemerkingen daarover: het tijdperk dat elke anderstalige film die in Frankrijk uitkwam exclusief in gedubde versie te bekijken viel, is (gelukkig) voorbij. Toch is het geen sinecure, lijkt mij vooraf, om een plot als die van Dahlia te volgen: ik was ruim op voorhand al terdege bang gemaakt door bladen die de film steevast om die reden met een slechte recensie bedachten, om nu Humo niet te noemen. Wel, luister goed: ik begrijp alles. Alles. Met Franse ondertitels. Brian DePalma is geen hasbeen, sommige recensenten zijn gewoon lui. En oh ja: alles wat ze zeggen is waar.

24/11
UrbanMagisme
Zowel in Jeu de Paume als in Cinéma du Monde wordt de dag erna het reguliere parcours van het festival afgetrapt. In eerstgenoemde locatie – in werkelijkheid een fotografie- en beeldende kunstenmuseum – begint het programma met het vermakelijke The Pride of Siam, in een Frans-Thaise coproductie van de hand van Philippe Terrier-Hermann. Deze film is nog geen klein beetje een anti-kapitalistische aanklacht, ook al vanwege het gebruik van Thailands oude naam in de titel. Van op een bouwwerf – symbolisch! – vraagt een bouwvakker aan zijn vriendin, om hem te vertellen wat ze nu al een poos zo gebiologeerd zit te lezen, en wat voor boeiends dat glossy magazine wel te melden heeft dat ze er meer aandacht aan besteedt dan aan hém. Nu, had hij dat maar even gelaten. Het kind – want die indruk maakt ze – begint het hele artikel voor te lezen over een nieuwbakken, paradijselijke shopping-enclave in het midden van Bangkok. Gebouwd naar Westers model, of wat dacht u? Terwijl ze de tekst afratelt, hoop je dat ze vooral niet zal stoppen. De grap zit hem namelijk in de irritante volharding. Bovendien krijgen we de Engelse ondertiteling in Wall Street-achtige nieuwsberichten, die onderaan over het beeld rollen. Maar daarmee is de satire nog maar begonnen. Naïef als ze is, denkt ze dat de advertenties in het blad een even belangrijk deel uitmaken van de bladspiegel, en die begint ze dus óók – en met onverminderd enthousiasme – voor te lezen. Calvin Klein. Kenzo. Arpels & Van Cleef. Ronduit aandoenlijk om dit uit een dromende, bewonderende Aziatische mond te horen; alsof ze de tien geboden voorleest. Ondertussen krijgen we van de jongen snapshots te zien waarin hij zijn verveling niet onder stoelen of banken steekt, alsook enkele panorama’s van de metropool Bangkok door zijn ogen. Die panorama’s, die in één beweging rondgaan zoals en simultaan met de beursflashes onderaan, zijn tegelijk esthetisch, maar onderstrepen de thematiek van de film ook enigszins. Zij drukken de moderne wereld uit die in het Verre Oosten is aangebroken – zie ook, en vooral, de opmars van dat continent in economisch opzicht. De film eindigt ermee dat de jongen het meisje toch maar onderbreekt, waarop zij rechtveert, uitroepend dat zij wat graag naar die droomfabriek uit het artikel op bezoek wil. Zo gezegd, zo gedaan, en iedereen leefde nog lang en gelukkig (en rijk).

De reden waarvoor ik officieel aanwezig ben die avond, is de vertoning van Grégoire house van Simon Backes, Fransman, en Loïc Vanderstichelen, Belg. De heren kennen elkaar van tijdens hun studies, en hebben duidelijk een zeer aparte humor en opnamestijl. Hun films lijken meer omwille van de joke of it hun bestaansreden te hebben, dan dat ze een welbepaald, vooropgezet artistieke boodschap uitdragen. Ze nemen voor elk project telkens een genre onder de loep, voor sommige zelfs verscheidene genres. De misdaadfilm is één van hun meest beoefende, en het mag er soms werkelijk zeer clownesk aan toegaan.
    Grégoire house vertelt het fictieve verhaal van een zekere Dr. Grégoire, die de laatste bewoner was van een van de huizen van Henry van de Velde, te Ukkel. De makers en tevens makkers zijn uitgegaan van een krankzinnige plot, of liever: de aanwezigheid van het huis vormde er de premisse en inspiratiebron van. De al wat oudere en duidelijk dementerende Dr. Grégoire voert in de regel nog steeds zijn praktijk uit, maar laat hulpbehoevende patiënten wel meedogenloos doodvallen voor zijn deur, omdat hij de bel niet hoort vanwege het gekonkel met enkele aristocratische parvenu’s die wel uit het niets lijken te komen, en ook hun eigen rol niet zo goed blijken te kennen. Goede grappen vertellen kunnen ze wel… Als u mij ooit tegenkomt, vertel ik graag die over de lente en de ‘Six hirondelles’, al heb ik ze nu natuurlijk al verklapt. Tevens lijkt de arme dokter eeuwig in zijn eigen gedachten gevangen, al dan niet begeleid van (luide) klassieke muziek of een streepje Django Reinhardt. Wat mij, onder andere, noopte tot het stellen van volgende prangende vragen:

Goedendag. Ik ben op het festival beland, en maak er mijn hoofdactiviteit van de aanwezige Belgen, voor de weinige tijd dat ik hier ben, met speciale aandacht te volgen en als het kan even te polsen naar hun ervaringen. Ik ben namelijk zelf Belg, Vlaams evenwel…
    Vanderstichelen: ‘Oh maar deze film heeft niets met Vlaanderen te maken hoor. Hij is volledig opgenomen met steun van de Waalse en Brusselse overheden…’

Ja maar de subsidiekwestie interesseert me in feite niet zo. Wel viel het me op hoezeer de film zich als ‘Belgisch’ profileert. Uiteraard is er de context, de locatie die de hoofdrolspeler is:. het huis van Van de Velde. Maar ik moest spontaan denken aan Kuifje toen ik de film zag. Dat maakt van jullie de ‘Jansen en Janssen’ van de experimentele film.
    ‘Bedankt voor het compliment (lacht). En ja, dat is geen toeval. Vele mensen hebben dat er al in gezien. Het komt gedeeltelijk  door de acteerprestaties, die – met opzet – zeer houterig zijn, zeer ‘slecht’ eigenlijk naar conventionele normen. De personages doen denken aan stripfiguren.’

Dr. Grégoire heeft inderdaad veel weg van het stereotype van de verstrooide professor. Zonnebloem, Barabas, Gobelijn,… Komt zo iets met opzet de film binnensluipen, of eerder vanzelf, alsof die prototypen in jullie hoofden zitten wanneer jullie het scenario schrijven?
    ‘Allereerst moet ik u vertellen dat er niet echt een scenario aan de oorsprong ligt. We beginnen met een idee, dat wel: in dit geval het fictieve leven van de laatste bewoner van dit huis. Toen we zijn gaan draaien, hebben we de koppen samen gestoken. Vervolgens rolt alles er min of meer organisch uit. Het huis biedt zoveel mogelijke scenario’s; we plukken er vervolgens de delen uit die we zelf het beste aanvoelen, en die ontplooien zich dan tot een min of meer coherent geheel.’

De film deed me denken aan de film die werd gewijd aan de stripfiguur Kiekeboe. Die werd gedraaid met echte acteurs, en de toon is veruit hetzelfde. Grimmig, absurd, zwartkomisch,… totaal niet voor kinderen geschikt eigenlijk. (Het gaat over ‘Het witte bloed’).
    ‘Welke strip is dat? (ik schrijf de naam van Kiekeboe op zijn pakje sigaretten). Nog nooit van gehoord jammer genoeg. Maar ik zal er naar uitkijken. Het klinkt als een goede film (lacht).’

In het geheel vond ik de film een ode aan de ‘Belgitude’. Er zit veel surrealisme in, ten eerste. Doet u zoiets met opzet, bijvoorbeeld om een duidelijk profiel te hebben als filmmaker – niet onbelangrijk, als we puur naar het marktgegeven kijken?
    ‘Goh… met opzet… Ik denk dat we wel houden van dat soort humor. Tegelijkertijd gebeurt er heel veel en helemaal niets in de film. De personages komen inderdaad samen – of zitten alleen – om zich in hoofdzaak onledig te houden. Die upper-class-theekrans is daar een goed voorbeeld van. Vervolgens richten we ons op het verfilmen van enkele     genrekenmerken. De misdaadfilm is weer aanwezig. Terwijl de film ook een luguber Dracula-trekje heeft, begrijpt u? Dus nee, we zijn niet erg bezig met dat zogenaamde profiel. We doen gewoon waar we zin in hebben. We amuseren ons.’

Helemaal. Die indruk krijg je ook als kijker. Toch heeft de film iets heel cynisch. Die patiënt die doodvalt terwijl Dr. Grégoire schijnbaar belangrijkere dingen te doen heeft. Legt u dat eens uit.
    ‘Cynisch, dat weet ik niet. Het kan wel. Het was in ieder geval erg grappig (lacht). Maar je zou wel kunnen zeggen dat er een zeker nihilisme inzit, en dat is een verschil. Ik zei het al: in feite gebeurt er niet zoveel in de film. De gelatenheid waarmee er    geacteerd wordt, alsof het allemaal geen verschil maakt, het – toegegeven – wat gezapige toontje… U kan gelijk hebben hoor. Maar er wordt toch ook getoond dat Grégoire een mens is. Hij is geen monster die zomaar mensen laat doodvallen. Dat doet hij niet expres. Maar… Grégoire krijgt op een gegeven ogenblik een brief, die erg slecht nieuws lijkt te bevatten. De inhoud ervan krijgen we niet te weten, maar je ziet hem wegkwijnen, emotioneel.’
 
Wat denkt u dat er in de brief staat?
    ‘Geen belang (lacht).’

Ik dacht dat Grégoire het bericht kreeg dat hij geschorst was voor dat spijtige voorval aan zijn voordeur. Of dat er iets ergs gebeurd is met een geliefde. Zoveel komen we immers niet te weten over hem.
    ‘Het enige dat vaststaat is dat hij op zijn retour is. Zoveel is duidelijk. Voor de rest zijn alle opties die u opsomt zeer goed mogelijk.’

Toch nog even over dat typisch Belgische dat uit uw film spreekt. U gaat me niet zeggen dat u er helemaal niet mee bezig bent. De vorige (stijl)kenmerken waren al uitvoerig genoeg bewijs, maar… in plaats van Django Reinhardt had u gemakkelijk iets anders kunnen opzetten voor Dr. Grégoire om naar te luisteren. Dat is geen toeval.
    ‘Nee (lacht). We hebben lang getwijfeld of we Reinhardt nu wel zouden gebruiken. We wilden er niet óver gaan, want we waren ons wel degelijk bewust van het karakter van de film. ‘Belgisch’ zoals u het noemt. Daarbij komt dat Reinhardts muziek er zo uitgesproken dik op ligt, zeker in combinatie van de scène waarin die voorkomt. Ze maken van Grégoire een nog tragikomischer figuur. In feite maakt ze hem ronduit belachelijk (lacht). Maar we wilden ons helemaal laten gaan. Vóór alles.’

Bij het afscheid geeft hij me nog een dvd’tje mee met fragmenten uit andere films. De ene is al beter geslaagd dan de andere. Vaak is er voorbij de – doelbewuste – oppervlakkigheid, het slechte acteren en de genreclichés niet bijzonder veel in te vinden, andere zijn dan weer pareltjes van sublieme ironie, en zijn ook buitengewoon grappig. De moeite waard zijn ongetwijfeld Het onmogelijke onderzoek, volledig in het Nederlands (mét weerhaken!) gestameld, Untamed glory en Dood in Brugge, inclusief uitzinnige kostuums. In verband met die laatste raad ik Vanderstichelen nog aan het verzameld werk van Pieter Aspe te lezen, om nieuwe ideeën op te doen.

Entre deux
Naderhand krijgen we in de Cinéma du Monde een abrupt afgebroken film te zien van Nicolas Provost, de introductie op zijn Induction. Een zinnentrillende brok rauwe horrorbeelden, met oorverdovende muziek. Soms suggestief, even vaak niets aan de verbeelding overlatend. Echt iets om bang van te worden. Daarnaast ook nog een klein video-art-meesterwerkje: As if (a Tennis Court) van Christian Merlhiot en Boris Vapne begint bij beelden uit het videospel dat we allemaal kennen, en waarbij je een balletje naar elkaar moet terugkaatsen (behoorlijk eendimensionaal maar wel spannend!). Van daar af beginnen de balken en blokken waaruit dit beeld is opgebouwd, zich te verheffen tot een tweede dimensie, en vormen zowaar een andere dimensie; kortom, zij constitueren hun eigen wereld waarin het prettig reizen is, ook voor een camera. Blauw en geel schijnen de enige voorwaarden te zijn om toegelaten te worden. Iets concreter kan ik u niet geven, maar de film legt op heel ingenieuze, visueel verbluffende wijze de hedendaagse link tussen de digitale wereld en die van de realiteit, of laat ons zien hoezeer het digitale wereldbeeld wel aan dominantie gewonnen heeft in het bepalen van onze dromen. Knap gedaan en zeer relevant, en misschien nog een goed idee voor een televisieformat met Ben Crabbé.
    Ik sluit de dag af door in het openbaar niet te weten wie Cécile Hartmann is. Ik ben op slag al mijn credibiliteit kwijt als experimentele filmjournalist, al kan ik de zaken ook omdraaien door te stellen dat ‘experimentele’ bij ‘journalist’ staat, natuurlijk.
(Nu heb ik het niet zo voor pure documentaire. Het genre mag er wezen, heeft zijn bestaansrecht, maar het kan me doorgaans boeien als een oude klomp, of als gelijk welk ander relikwie uit het Noord-Nederlandse materiële erfgoed. Ik kan me dus voorstellen dat films als White building van Jean-Luc Vilmouth, of Devant elle van Angela Terrail terecht heel wat bloemen mogen ontvangen, maar mij duren ze te lang. Bovendien proberen ze, in de korte tijd die hen binnen de experimentele kortfilm wordt toegestaan, zo pijnlijk origineel uit de hoek te komen om hun (vaak pijnlijke, of minstens maatschappelijk relevante) realiteit te verkopen. Ik geef het maar mee mocht u de informatie en berichtgeving over de nochtans aanzienlijke aanwezigheid van dit genre ontoereikend vinden, of ronduit belachelijk. Het zij zo.)

25/11
De film van de Amerikaanse Italiaan of andersom, Jon Jost, heet La lunga ombra, duurt vooral zeer lunga – en het hoeft niet gezegd dat je zoiets niet merkt als een film goed is. Ach, het kan ook al eens tegenslaan – in dit geval: een ongelooflijke zaagfilm die in het eerste halfuur nog wel esthetisch verdraaglijk is omwille van zijn indringende close-ups of zorgvuldig uitgekozen camerastandpunten en kadrering, maar daarna barst de hel los. Een oeverloos vervelend vrouwendrama, over een onbenullige situatie dan nog. Geen enkel nieuw verhaalelement komt deze monotone bedoening onderbreken – gekunstelde overgangen/intermezzo’s dààrentegen…

Panorama
Dan maar mijn laatste uitje richting Cinéma du Monde. Daar heeft het Institut Néerlandais te Parijs een Nederlands programma samengesteld. Buiten de programmatoren ontmoet ik een enkele filmmaker die het de moeite vond om naar Parijs af te zakken voor de vertoning. En ik die dacht dat Hollanders zulke goede commercanten waren!
De man in kwestie, Dije Han Thung, heeft zijn film Lens (l’Objectif) opgenomen waar zijn roots liggen, en wijst me op het belang van de cameralens, die hij speciaal hiervoor in Frankrijk is komen lenen. Nu ben ik niet zo technisch begaafd, maar het zag er in elk geval zeer goed uit. Waarschijnlijk moest deze kostbare lens het thema van de film onderstrepen, want dat was namelijk de alomtegenwoordigheid van camera’s in deze wereld, dus ook in de Indonesische oerwouden bij een primitieve stam, die de camera gebruikt als foltertuig en afschrikmiddel op een niet-wetende Westerse avonturier. Heel surrealistisch allemaal, ook al omdat het tijdstip is vastgesteld op zo’n 50 jaar geleden. De doodsangsten uitzittende, vastgeknevelde avonturier beleeft dan een toekomstvisioen die echt wel over the top is, en ook behoorlijk melig op de koop toe. Enige Martin Luther King-pathetiek wordt niet gespaard, en om dat te illustreren wordt de film twéé keer afgespeeld. Asjemenou!
    De overige Nederlandse inzendingen variëren van ‘onnodig’ tot ‘matig’ en in enkele gevallen van ‘ronduit slecht’ tot ‘goedbedoeld grappig’. Al loont het enkele keren ook weer wél.
    Robbie Gerritsens Het grote geheugen is echter stuitend. De maker neemt ons mee op een reis achter de schermen van het werkend verstand, een grote intercommunale voorzien van een wel erg strak design. Uiteraard loopt daar niemand in rond, want al te veel antropomorfisering van het brein kunnen we missen. Maar de film ontbreekt élk menselijk gezicht of goede invalshoek: we krijgen een dood brein te zien, vormgegeven door koude futuristische, euh, vormen, en het op heterdaad betrapt worden van het gebrek aan inspiratie. Een povere poging tot conceptuele video-art.

Dan doet Guido van der Werve al beter. Zijn Nummer vier en Nummer vijf zijn niet chronologisch opgenomen, want dat is het misverstand waaruit zijn werk ontspruit. Ook in de films zelf ontbreekt het vaak aan enig verband. In het geval van Nummer vijf is dat ook niet nodig: de premisse is de captatie van enkele barden die in traditionele klederdracht het lied He’s got the whole world in his hands ten beste geven, met een omgedraaid hangende figuur op de achtergrond, die de tekst uit het lied letterlijk verbeeldt. Het zou een idee van Dalí kunnen zijn. De youtube-jongere die we daarna voor zijn webcam een wel heel intimistische maar niet bijster geslaagde versie hiervan op zijn gitaar zien tokkelen, is aandoenlijk, maar biedt niet veel meerwaarde.
    In Nummer vier, daarentegen, is het onderlinge verband van de (drie) fragmenten waaruit de film bestaat, wel nodig, maar toch een beetje zoek. Of het moest zijn dat die enkel terug te vinden is in de koppeling van muziek aan beelden, die we in elk fragment terugvinden. Een gigantisch Zwitsers (of Canadees, whatever) meer ontwaakt op de tonen van dat beroemde motiefje uit de Peer Gynt-suite, een weinig origineel idee, maar wel krachtig in de uiteindelijke uitwerking. Vervolgens daalt de camera, die even in de wolken was gaan hangen, en zien we een kerel op een piano zitten, op het meer. Allemaal heel leuk, en alweer een mooie esthetiek, maar zijn spel duurt eindeloos, en een zucht kan dan niet veel anders dan zomaar ontsnappen. Maar dan het favoriete stuk: een fanfare op een boot, die oneindig traag komt afgedobberd op een slinks in het riet opgestelde camera, terwijl het onvervaard (!) Mozarts Lacrimosa speelt. Daar hebben we toch wel even van zitten nagenieten, terwijl de boot buiten beeld gaat en de laatste rimpels op het water uitsterven. Klassieke muziek en film, het werkt, maar met mate. Toch geeft deze film een bijzondere invulling aan het Nederlandse programma, dat een avondvullend panorama wil aanbieden van de Nederlandse bedrijvigheid in de experimentele film, en zodoende ‘Panorama’ heet. Dat woord heeft echter ook een andere betekenis en Nummer vier weet die te verbeelden.

Beginnings van Roy Villevoye (uit te spreken als ‘Villevwa’, verzekert de vloeiend Frans sprekende programmator ons), is een curieus iets. Al is het begin (!) beter, in elk geval krachtiger dan wat erna komt. We zien een vrouw en man, van de Afrikaanse etniciteit, door een dichtbegroeid bos wandelen. Zomaar. Ze zijn naakt, en schijnen niets in het bijzonder uit te voeren. Tot ze bij een bepaalde struik standhouden, bladeren plukken, en die voor hun geslachtsdeel binden, et voilà, Adam en Eva zijn geboren. Heel erg leuk, maar niet lang erna krijgen we deze symboliek ook nog eens uitgelegd, aan de hand van het woord Gods zelve (Genesis 1:1-?, zeg maar). Dat is teveel, want de verwondering en de aha-erlebnis zijn op slag weg. Daarna zien we in alternerende montage nog een naakt blank koppel, een kerel die vertelt wat het betekent naakt rond te lopen in de cultuur waar hij toe behoort, en de procedure die aan het eigenlijke naakt lopen voor de film voorafgaat (kleren uitdoen, onderhandelen over de gage als ware het een Playboy-shoot). Deze film is dus evenzeer een making of ervan. Bovendien probeert hij zich op te houden als een gluurder in een struikje ter hoogte van het kruispunt waar de primitieve steppen en de Amerikaanse zeden elkaar tegenkomen, maar spijtig genoeg houdt de verrassing al op na vijf minuten. De film laat je neutraal achter, en de naakte waarheid is dat hij niet naakt genoeg is.
    Top of the bill, en samen met Nummer vier misschien de enige goede film, is Martijn Veldhoens Public spaces. Gefilmd in en rond een Italiaans stationnetje, ’s morgens in de vroegte, volgen we twee personen – een man en een vrouw – die gedurende tien minuten drukdoend en naar elkaar bellend, problemen proberen op te lossen van schijnbaar terroristische aard. Die indruk wordt ons althans gegeven; je denkt de hele tijd dat er op élk moment een bom kan ontploffen, want, de zaak is uiterst precair. Dat blijkt uit de precisie van de handelingen, de verwijzingen naar precedenten, de gemeten informatieve offscreen stem. De film is cyclisch opgebouwd, d.w.z.: hij begint zoals hij geëindigd is. Tegelijk is hij erg lineair, en niet in het minst omdat de kijker van in de openingsscène weet hoe lang de film gaat duren: 10 minuten – net de tijd die de tikker aangeeft alvorens die begint af te tellen (afkomstig uit het verdachte pakje dat de trigger vormt van de plot). De clou van het verhaal is dan weer dat er een olifant ontsnapt is, en gewoon over het perron loopt – bijna onopgemerkt. De enige aanwijzing die we daarvoor krijgen is een achteloos geopende, grote, houten container die de camera passeert, en de melding van een ‘speciale vracht’. Dat kon dus alles zijn. Maar er wordt letterlijk van een mug een olifant gemaakt – de enige hint dat het om een Nederlandse maker gaat! – en voor een keer wordt dat enorm geapprecieerd. Ik wacht nu al op de sequel.

Gender is my genre
Gelàchen heb ik met het programma dat erna kwam. ‘Gender is my genre’ maakt zijn naam helemaal waar, ook al zat er een strontvervelende homo-filmroman in (Jan Wandrags David Jonathan, een translocatie van de legende van David en Goliath naar het New York van vandaag, klinkt nochtans veelbelovend).
    Alexandra Dementieva, tout à fait belge, maakte Mad professor, en dat bevestigt alleen maar het cliché (zie interview met Loïc Vanderstichelen). Van alle drag comedies die we te zien krijgen is deze ongetwijfeld de meest gestileerde. Hij is veruit het professioneelst opgenomen, mikte het meest op de directe lach, en was met dien verstande onbeschaamd burlesk. Een professor krijgt een legertje drag students over de vloer die niets liever doen dan op bed te springen, dansen op een manier die u niet mogelijk achtte, en zichzelf verstoppen in keukenkasten. De professor loopt doelloos rond en probeert een boek te lezen in al die gekte, tot één van de creaturen (want dat zijn ze, in dit geval) hem overtuigt toch maar eens die beeldige groene jurk uit te proberen. Het hek is van de dam, en u begrijpt ook waarom.
    In hetzelfde genre, die van de experimentele ‘genderfilm’ met name, realiseerde Isabelle Spengler het grappige maar nogal brave – want nooit echt verontrustende – Permanent residents. Vier in belachelijke klederdracht getooide personages (een vereiste) wagen zich aan relatief onschuldige en routineuze bezigheden, zoals daar zijn: stofzuigen, naar de supermarkt gaan, geld afhalen. De vierde activiteit was zo banaal dat ik hem ben vergeten. Zij voeren alle handelingen uit op rollerskate-disco, of gewoon op rollerskates. Zij dragen pruiken waar Louis XIV nog niet zou zijn opgekomen na een nachtelijk absintgelag, hakken waarmee men kan polstokspringen, en middelgrote pluimen in hun derrières. Meer dan een potentiële videoclip voor de Scissor Sisters kon ik er niet in ontwaren, en opgenomen in Los Angeles-suburbia, zat ik er wellicht niet ver naast.
    Dan liever XXXy van Delphine Reuter. Als een ware rockster die zich werkelijk alles denkt te kunnen permitteren, kwamen zij haar en haar posse de doorgaans tamelijk nuchter verlopende séance aardig opvrolijken, volgens sommigen verstoren. Het mocht haar naderhand vergeven worden, want in deze al te maffe productie zat pas echt muziek. De drievuldige X-rating uit de titel mag u als meer dan een richtlijn opvatten, want de film is echt te gek om los te lopen. Hij schetst een familie die wel uit een film van Wes Anderson (The Life Aquatic with Steve Zissou, The Royal Tenenbaums) lijkt weggelopen, zij het danig verminkt door de vele hotsen en stoten die bij deze uitbraak komen kijken. Zo loopt een van de personages hele dagen rond in een trainingspak dat Spullenhulp beslist zou weigeren, en met een gele plastic zak nauwkeurig om de kop gewikkeld – zo nauwkeurig dat het gaat om meer dan een gimmick, en rechten opeist voor dergelijke flaws of nature. Want de bevolkers van deze film zijn meer dan karikaturen, enfin, dat zijn ze óók, maar er mag verder gekeken, bijvoorbeeld in hun intimiteit. Emoties komen aan bod, zoals wanneer er druk fotoalbums worden bekeken met de nodige discussies, of zoals die keer dat het plastic mannetje eenzaam slap ogende koffie zit te slurpen. De zetels waarin dit alles gebeurt zien er niet uit, het is een wanordelijke boel maar de personages leven. Nadat de raarste van allemaal (een zeer zelfbewuste drag queen, en duidelijk een autoriteit in de familie) er is bijgekomen, ontaardt het feestje in een eruptie van Prince-klassiekers, met een hilarische luipaarddans annex flirtsessie op Kiss, en een lachwekkende maar innige slow op Purple Rain als gevolg daarvan.

Fijn
XXXy is The Elephant Man versus Rocky Horror Picture Show, en een meer dan geslaagde afsluiter én samenvatting van een dolle week tussen Parijse en andere kunsten, tussen experiment en traditie, tussen pellicule en theatraliteit. Al kunnen die twee wel eens in verenigde vorm voorkomen, ofte: l’union fait la farce. De Parijse eigenheid en koppigheid heeft me meer dan eens voor de borst gestoten, maar toonde ook gastvrijheid – op haar eigen voorwaarden.
    Men kan niet ontkennen dat een festival als Leuven Kort, hoeveel groter & anders & dus niet vergelijkbaar, professioneler in elkaar steekt, want meer dan eens viel het licht een keer uit op Les Rencontres, of zorgde een andere technische hapering voor vertraging. Toch voel je continu interesse tussen de stoeltjes en op straat hangen, of pakweg in de verlichte lucht. Nabesprekingen hoeven er niet georganiseerd te worden, bedoel ik maar, en gemoedelijkheid heeft er geen café nodig. Kleinheid is dus een beperking maar ook een verrijking, en met het gevaar die leuze al ruim te hebben overschreden, voici, la FIN.

Gezien op Rencontres Internationales Paris/Berlin van 23 t/m 25 november 2006, te Parijs.

Zie ook Le tout Paris deel I: Festival d\'Automne
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie