Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Sophia Van Parys:
De dood van een auteur
Nogmaals: 'Kamermuziek' van Paul Mennes
66 vragen naar aanleiding van 'Het schervengericht' van A.F.Th.
Het derde huwelijk van Tom Lanoye
Over 'Tirza', 'Het derde huwelijk' en de 'actualiteit'
PAL TUSSEN DE OGEN VAN DE TIJDSGEEST
datum 06.12.2006
rubriek Literatuur
Dit zijn donkere tijden! Sinds elf september - door enkelen zelfs het begin van de Derde Wereldoorlog genoemd - lijkt er in de Westerse wereld, meer nog dan vroeger, een verlangen ontstaan te zijn naar inzicht, richting, verlichting, verklaringen, relevantie, duiding en - kortweg - hulp. De sfeer van algemene problematiek waarin de wereld verkeert, roept snelle reacties, politieke gebruiksaanwijzingen en hoogdringende reflecties in het leven. Hulp heeft de 'mens' sinds het begin van de moderniteit sowieso nodig gehad - misschien is dat verlangen naar hulp, in een wereld zonder God, wel het belangrijkste kenmerk ervan -  maar nu is het vijf voor twaalf. De eenentwintigste eeuw is begonnen, bevolkingsgroepen verschuiven en worden verschoven, steden worden broeinesten van geweld, onrecht en dood, de aanwezigheid van de medemens - de ander - is iets dat beter, onafgezien dan nog van kleur, afkomst of gezindte, wordt vermeden. In Nederland en België is dat niet anders: het volstaat een korte samenvatting te geven van de vijf meest recente jaaroverzichten - of, waarom niet, van de literaire receptie als er twee 'boegbeelden' nog eens naar buiten treden. Hoe zit dat nu eigenlijk met de tijden waarin wij leven?!
Om het met al die apocalyptische uitroepen eens te kunnen zijn, moeten we natuurlijk de geschiedenis verloochenen: het is altijd al erg gesteld geweest met de wereld. We mogen ons zelfs niet afvragen of het niet eerder 'beter' gaat dan slecht, in vergelijking met vroeger. Dat is niet eens zo moeilijk als het lijkt, al is het maar omdat zoveel verschillende partijen er baat bij hebben om de onheil te verwelkomen en te geloven. Wie kan ons, vanuit dat standpunt, beter hulp, bijstand, informatie en duiding bieden - een helder, mooi, vermakelijk maar leerrijk zicht op de 'werkelijkheid' - dan Tom Lanoye en Arnon Grunberg: de eerste heeft met Het derde huwelijk 'een confronterende roman geschreven die de geest van onze tijd ademt' (Gazet van Antwerpen); de tweede heeft met Tirza waarschijnlijk 'dé roman over de Lage Landen van na elf september 2001 geschreven' (De Standaard).

Als het begrip 'tijdsgeest' beschouwd wordt als een reeks van gebeurtenissen, voorvallen, begrippen, termen en vertogen die in een bepaalde periode aan de oppervlakte komen door herhaling, dan treft Het derde huwelijk die op zich eerder vage notie pal tussen de ogen. Dat is voornamelijk te verklaren door het recente leven van hoofdpersonage Maarten Seebregs, dat gezien kan worden als een deerniswekkende samenloop van alle actuele (nationale) 'thema's' van de afgelopen jaren. Seebregs heeft nog maar pas zijn partner verloren, en krijgt een aanbod om een schijnhuwelijk aan te gaan met Tamara, een geïmmigreerde kleurlinge. Als hij instemt, begint een samenleven dat bepaald en geregeld wordt door de dienst-Vreemdelingenzaken - of door 'vreemdelingen' in het algemeen. Seebregs beroept zich vanaf nu, weliswaar bij toeval, op 'Marokkaantjes' om aan zijn 'gerief' te geraken in het nachtelijke stadspark. En tijdens een dagje uit met kersverse bruid Tamara komt er op de tram een verbaal conflict tot stand met een groepje allochtonen: het lichamelijk contact dat vervolgens uitbarst ter hoogte van de Meir, net voor het Centraal Station van Antwerpen, maakt Seebregs maandenlang bedlegerig. Eenmaal terug op de been, bezoekt hij samen met Tamara diens broer Philip in het asielcentrum - het lichamelijk contact dat daar dan weer op volgt, bewijst dat het met die familiebanden tussen beiden nogal meevalt - en de interraciale cocktail van lichamen verstrengelt zich in het echtelijk bed.
Zoveel actualiteit: dat is niet min om door één leven gedragen te worden. Die opname van de 'tijdsgeest' in literatuur is allesbehalve nieuw voor Lanoye, althans toch sinds de Monster-trilogie (Het goddelijke monster, Zwarte tranen en Boze Tongen). Daar was er echter nog sprake van een allegorische en erg literaire behandeling van het actuele materiaal: de doden becommentarieerden de gebeurtenissen; mythische verschijnselen traden op; de Gilles van Binches verschenen, net als een garnalenvisser; de Witte Mars werd een epische gebeurtenis. In Het derde huwelijk 'haalt niks het bij de werkelijkheid', waardoor Lanoye terugkeert naar de ik-verteller als picareske eenling: een procédé uit zijn vroege werk, zoals Kartonnen Dozen of Alles moet weg, aangevuld met hoge dossissen 'actualiteit' en 'Belgische en/of globale ziekte'.

Dat wil niet zeggen dat de literaire weergave - de tekst - niet in perspectief wordt geplaatst - of liever: niet als perspectief wordt gepresenteerd. Maarten Seebregs is namelijk een locatiescout die een leven lang 'mooie' plekken in Vlaanderen heeft opgespoord, om die plaatsen vervolgens als het ware te verkopen aan filmproducenten en regisseurs. Het heeft hem naar eigen zeggen 'ziek' gemaakt: 'Larger than life is mijn bijnaam, opkloppen mijn tweede natuur'. Het is een, opnieuw naar eigen zeggen, ziekte die de Westerse wereld beheerst: iets is niet 'goed' of niet 'leesbaar', iets kan niet als ervaring gecatalogeerd worden als het niet wordt weergegeven, opgepoetst, gestileerd of 'verwerkelijkt'. De 'echte' werkelijkheid is daardoor altijd de mindere van de 'literaire' of 'kunstige' werkelijkheid. 'Leid mij binnen in om het even welke bioscoopzaal, waar ook ter wereld, dag of nacht, en schotel mij een gefilmde dialoog voor die puntig is geschreven, knap gespeeld en dito geregisseerd, professioneel belicht en snedig gemonteerd en die het hoogtepunt vormt van een sequentie met een minimum aan dramatische spankracht en een splinter aan tragiek. En ik zit direct te janken als het oude sentimentele rund dat ik ben. Ontroerd door de absurde komedie, genaamd de menselijke soort. (...) Maar zet mij in mijn eigen living oog in oog met iemand die belabberd uit zijn woorden komt, die zonder pointe snot en slinger weent, die op het punt staat alles van waarde te verliezen en die oprecht kapotgaat van de spijt en van de angst, en ik blijf koud als marmer. Het raakt mijn koude kleren niet, zelfs al ken ik die persoon. Zelfs al gaat het om Tamara.'

En zo iemand is meer dan driehonderd bladzijden lang aan het woord in Het derde huwelijk! Een man voor wie het leven nooit genoeg is, en die zelfs net voor hij in zijn kruis getrapt wordt, alleen maar oog heeft voor het 'hartverscheurend knappe' gezicht van zijn aanrander. Het maakt Seebregs tot een voyeur die niets doet buiten trouwen met een 'negerin', maar wiens leven, als het goed bestudeerd wordt, toch een kijk kan bieden op de problemen van het 'hedendaagse' Vlaanderen. En het maakt Het derde huwelijk tot een roman die de 'echte' werkelijkheid - de werkelijkheid van de dagbladen en het televisiejournaal zeg maar, van de spreekwoordelijke man in de straat - licht ironisch, alleszins sarcastisch, zeker erg scabreus (op elke bladzijde valt het woord 'kont'), maar altijd boordevol 'compassie en geilheid' (in het universum van Lanoye staan die dingen dicht bij elkaar) tot een 'literaire' werkelijkheid maakt. Zoals de familie Deschryver uit de Monster-trilogie in haar geheel voor het (toenmalige) Vlaanderen model stond, zo zijn de laatste jaren van Seebregs 'karakteristiek' voor wat er in Europa aan het gebeuren is - voor de actuele, 'feitelijke' werkelijkheid.

Ook Jörgen Hofmeester, het hoofdpersonage uit Tirza van Arnon Grunberg, kan als een karakteristieke man uit de straat beschouwd worden - een zeer mooie straat in Amsterdam. Het leven van Hofmeester wordt beheerst door verlatingsangst en zelfcontrole: nadat zijn vrouw hem heeft verlaten, zijn werknemer hem aan de deur heeft gezet, en zijn oudste dochter vertrokken is met een Fransman, richt hij al zijn krampachtige aandacht op zijn jongste dochter, Tirza. 'Als het om Tirza gaat, is hij altijd al bang geweest, nog voordat ze ziek werd, al vanaf haar geboorte. Een angst die hij nooit heeft gehad bij zijn oudste dochter, niet in die mate in ieder geval, een angst die hem niet meer heeft losgelaten vanaf het eerste moment dat hij haar in zijn armen hield: de angst voor het verlies.'

Maar ook Tirza wordt ouder: het grootste deel van het boek gaat op aan een beschrijving van het afscheidsfeest dat door Hofmeester wordt georganiseerd ter ere van de reis die Tirza samen met haar iets oudere vriendje Choukri zal maken naar Afrika. Terwijl hij sardines bakt en wijn uitschenkt, heeft Hofmeester alles onder controle, tot op het moment dat Tirza - rijkelijk laat - arriveert met haar partner: het is de eerste keer dat Hofmeester hem ontmoet. Er gebeurt iets vreemds in zijn 'perceptie' van zijn aanstaande schoonzoon. 'Een jongen, een man misschien wel. Hofmeester schat hem op drieëntwintig, vierentwintig. Ouder dan Tirza in elk geval. Een tamelijk donkere huid, een brede kaak, zware wenkbrauwen waardoor hij de indruk wekt nors te kijken. Misschien kijkt hij ook nors. Wie zal het zeggen? "Pap," zegt Tirza, "dit is Choukri, mijn vriendje." De man komt hem bekend voor. Hoe langer hij naar hem kijkt, hoe meer hem het gevoel bekruipt dat hij hem al een keer eerder heeft gezien.'

Hofmeester heeft een paar jaar eerder een grootschalig financieel verlies verleden: zijn als hedge fund geïnvesteerde spaargelden waren plots verdwenen, en de verklaring die hij daarvoor van zijn bankkantoor kreeg, was de veranderde wereldeconomie na elf september. 'De geschiedenis dreigde nu persoonlijk te worden. De anonieme wereldeconomie kreeg een gezicht, een lichaam, een naam. Mohammed Atta, die had Hofmeester zijn geld afgenomen, de financiële onafhankelijkheid, de vrijheid voor zijn kinderen die zo nabij was, zo vreselijk nabij. Mohammed Atta zat hierachter, Atta had Hofmeesters hedge fund onthoofd.' En is hij er ook met zijn dochter vandoor, want het is aan de dode terrorist Mohammed Atta dat Choukri hem doet denken. 'Hij drinkt snel een glas wijn, leunt met beide handen op de koelkast en denkt: Mohammed Atta is in mijn huis. Atta is gearriveerd. Atta is herrezen.'

Vanaf dat moment van herkenning, wordt het nakend verlies van zijn dochter door haar veranderde relationele situatie en haar volwassenwording, 'werkelijkheid': Hofmeester kan die voor hem immens pijnlijke verandering, die de weg opent naar de ultieme eenzaamheid, slechts verantwoorden, kaderen of betekenis geven, door zich openlijk xenofoob te gaan gedragen. Het is precies de 'actualiteit', de zorgwekkende staat van de wereld en de 'donkere tijden waarin wij leven' die hem een alibi aanleveren om de partner van zijn dochter zwart te maken. Hofmeester is de enige die de krankzinnige link legt tussen Choukri en Atta, en hij is zich dus wel bewust van die persoonlijke constructie - maar dat besef werkt niet door, overheerst als het wordt door de alles verschroeiende pijn. ''Iedereen ziet wat anders,' zegt hij. 'We hebben het over werkelijkheid, maar wat bedoelen we daarmee, weet jij het? Jij ziet in die man je vriendje. Ik zie in hem Atta, en ik weet wat Atta wil, ik weet waarop hij uit is, ik weet wat zijn plannen zijn." (...) Hij volgt haar bewegingen, hij bestudeert de hand van Atta die op de rug van zijn dochter blijft liggen. Hij huivert.' Het 'grote' verhaal van het terrorisme en de wereld van na elf september wordt voor Hofmeester geen werkelijkheid op zich, maar een manier om een omgang te verzinnen met die andere, veel fundamenteler werkelijkheid: mensen die nauw met elkaar verwant zijn, laten elkaar achter en doen elkaar pijn.

Choukri en Tirza vertrekken op reis, maar al snel hoort het thuisfront (in casu: Hofmeester en zijn zonder liefde teruggekeerde vrouw) niets meer van hen. Hofmeester maakt zich zorgen, en gaat hen zoeken in Afrika. Ook die reis draait op niets uit, totdat Hofmeester in de woestijn opbiecht aan een gezelschapsmeisje van nog geen negen jaar oud, dat hij zowel zijn dochter als haar vriend net voor hun vertrek op beestachtige wijze heeft afgemaakt met een kettingzaag. Hofmeester keert naar Nederland terug, want 'ze hebben Tirza gevonden'. De roman eindigt vooraleer de naamloze verteller duidelijkheid kan scheppen: leeft Tirza nog? Heeft Hofmeester haar echt vermoord, of heeft hij ook dat bij elkaar gefantaseerd - omdat het opnieuw om een werkelijkheid zou gaan waarmee te leven valt? Is het dan niet beter iemand te verliezen door eigen toedoen, dan onder ogen te moeten zien dat je zonder verklaring in de steek gelaten bent?

Zowel Tirza als Het derde huwelijk zijn door de kritiek als 'nihilistische' romans ontvangen (onder meer door Elsbeth Etty in NRC Handelsblad) - en meteen ook als 'actueel belangwekkende' boeken. Het is zeker zo dat Lanoye en Grunberg de staat van de wereld - politiek, economisch, sociaal - als een kardinaal element inzetten. Belangrijker is echter dat zowel voor Seebregs als voor Hofmeester, als 'zieke Westerlingen', als voortrekkers van het Versleten Continent, die 'post-9/11-situatie' er eigenlijk niet toe doet. Wat hen werkelijk ter harte gaat, is een menselijke conditie die de tijdsgeest overschrijdt - de motto's bij de twee romans onderschrijven dat. (My heart does not belong to me/I am a muscle that belongs to it - Lanoye; A couple is a conspiracy in search of a crime. Sex is often the closest they can get - Grunberg.)  

Toch gaat Tirza veel verder dan Het derde huwelijk in het onderschrijven van het feit dat de raciale spanningen, het terrorisme, de ontkoppelde wereldeconomie, enzovoorts, slechts deel uitmaken van een geconstrueerde werkelijkheid - en dus van een door een hyperventilerende journalistiek gepropageerde tijdsgeest. Het conflict waar de wereld rond lijkt te draaien is een schijnconflict, dat precies het verlies van grote verhalen, van brede zingeving, van werkelijkheid moet verbergen. Het zijn niet zozeer donkere tijden - de 'tijd' is per definitie donker, en dat is pakweg de laatste vijfhonderd jaar niet anders geweest. We zouden, net als Hofmeester, maar wat graag hebben dat onze levens bepaald worden door een reële en spannende wereldbrand! Of we zouden, net als Seebregs, niet liever hebben dat onze oude dag wordt opgevrolijkt door vechtende Marokkaantjes of copulerende Afrikanen! Het verschil is dat Tirza die leegte en dat verlangen wel degelijk durft presenteren en thematiseren, terwijl Het derde huwelijk drijft op een set unieke gebeurtenissen en een onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden die door een literaire 'gigant' op de hem kenschetsende wijze vol cynisch erbarmen en stilistische durf worden gereproduceerd. 

De heel wat terughoudender stilistische positie van de quasi-negentiende-eeuwse verteller uit Tirza, onderschrijft dat we alleen maar eenzame levens bezitten, die volstrekt op zichzelf aangewezen zijn, en slechts hun eigen zinloosheid kunnen verbergen achter het soort sensationele verhaaltjes die door de geglobaliseerde media, dag na dag, als wezenlijk worden vooropgesteld. Anders gesteld: er sterven nog steeds duizend keer meer mensen omdat ze in hun badkamer uitglijden over een stuk zeep dat een kamergenoot (per abuus!) heeft laten slingeren, dan dat er mensen het slachtoffer worden van een terroristische aanslag of van een raciale rel in een winkelstraat. Het is precies dat gegeven dat van Het derde huwelijk eerder een boek maakt dat de actuele verhaaltjes op een eigenzinnige manier 'performt', dan een echte literaire, ontregelende en inzicht verschaffende gebeurtenis - een tekst ook waarvan het zogezegde belang noodzakelijkerwijs immens schatplichtig is aan de auteursfunctie. In een wereld die als het ware door sterren wordt geregeerd, is het erg verleidelijk om te denken dat zij 'inzicht' kunnen bieden, gewoon al door het feit dat ze bestaan en met veel bravoure, publiciteit en meningen naar buiten treden, nota bene in nagenoeg hetzelfde maatschappelijke veld als waarin die 'problematische werkelijkheid' is geproduceerd. Is het niet spannend - en werd het niet eens tijd, vier jaar na het sluitstuk van de Monster-trilogie - dat Lanoye zijn stilistisch 'briljante' en nietsontziende licht liet schijnen over de 'gebeurtenissen'? Dat heeft hij in Het derde huwelijk zonder twijfel gedaan. Maar een tragische, al te menselijke figuur als Hofmeester uit Tirza is Seebregs daardoor niet geworden - eerder een onwaarschijnlijk vehikel om freewheelend en erg stout de recente jaaroverzichten na te vertellen. Het 'persoonlijke' drama van het hoofdpersonage raakt op de achtergrond, omdat het binnen die poëticale opzet nooit iets anders kan zijn dan een weergave van maatschappelijk 'belangrijke' processen. Lanoye meet zich hoogstens een persoonlijk en 'onbeleefd' discours aan (zeg bijvoorbeeld niet 'allochtonen' maar 'Marokkanen'), dat slechts door de zeer vele interviews en de andere, niet-tekstuele fabricaten van de N.V. Lanoye, uitermate belangrijk lijkt te zijn. Het 'nieuws' schildert de wereld af zoals wij haar kennen - Lanoye neemt plaats in diezelfde 'actualiteit' en bevestigt wat we al wisten. Het is enkel doordat zijn uitspraken en zijn teksten het etiket 'literatuur' of 'cultuur' opgespeld krijgen, dat de valse indruk ontstaat dat we met onze neus op iets 'nieuws' worden gedrukt.    

Het komt neer op het vreemde maar tegelijkertijd eeuwenoude mechanisme waarop literatuur draait: tussen de werkelijkheid-van-de-wereld en de werkelijkheid-van-de-literatuur zit een derde, lege, zwarte en harde werkelijkheid, die zowel de wereld als de literatuur ontmaskert, en er toch ook weer haar bestaan aan te danken heeft. Het is het gebrek van Het derde huwelijk dat de roman die relaties niet blootlegt - terwijl Tirza net de algehele en nagenoeg doctrinaire illusieloosheid verweten kan worden, die ervoor zorgt dat de roman niets meer ongerelativeerd kan laten. Het derde huwelijk probeert actueel te zijn volgens de bestaande, in essentie niet-literaire technieken - Tirza verwijst al die mechanismen als hysterische illusies naar de prullenmand, en beweert vervolgens dat de 'actualiteit' slechts bestaat om de werkelijke, menselijke, tijdloze problemen te verhullen. Volgens Lanoye is de Westerse ziekte dan ook het theatraliseren van de werkelijkheid - volgens Grunberg gaat het echter om het verwerkelijken van wat in essentie niet meer is dan onbewust gespeeld theater. Het is net, denk ik, precies dat erg diepgaande nihilisme - het gaat zo ver dat het nagenoeg alles tot een verzinsel herleidt -  dat Tirza tot een betere, aangrijpender en 'actueler' roman maakt dan Het derde huwelijk, waarin het nihilisme nooit voorbij de laag van de verpakking en de microfoonstandaard komt. Het is namelijk goed, noodzakelijk en 'maatschappelijk relevant' dat literatuur keer op keer bewijst dat de 'werkelijkheid' of de 'actualiteit' niet bestaat, maar slechts wordt geproduceerd door krachten die ons allemaal te boven gaan - in het dagelijkse leven blijft er dan tijd genoeg over om ook dat uitgangspunt weer tot een illusie te maken.   


Tom Lanoye, Het derde Huwelijk, Prometheus, Amsterdam, 2006, 337p.
ISBN 9044608134

Arnon Grunberg,Tirza, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2006, 430p.
ISBN 9038827261
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie