
China met zijn explosief groeiende economie en urbanisatie was de laatste jaren prominent aanwezig in financiële en breed culturele debatten en sinds Rem Koolhaas predikte ‘Go East’ lijkt aan de verbluffing over de ongebreidelde bouwactiviteit en over de ongeziene kansen in de architecturale wereld al helemaal geen eind te zijn gekomen. Het mappen van het fenomeen is een wereldwijde bezigheid geworden en ook deze tentoonstelling slaat je om de oren met verbluffende slagzinnen als ‘Between 1978 and 2003, living space per person in urban areas more than tripled’, ‘Over the past 20 years some 400 million Chinese people have been lifted out of extreme poverty – mainly as the result of rapid and extensive urbanisation’ en ’within the next 20 years, 400 million more people are expected to move to the Chinese cities’. De sloganeske aanpak van de Deens-Chinese collaboratie, gecombineerd met een ondertussen tot gemeengoed geworden AMO-grafiek, prikkelde alleszins niet meteen de nieuwsgierigheid.
Jammer, want de Deense deelname schaarde zich met Co-Evolution in rechte lijn achter het thema van deze biënnale ‘Cities. Architecture and Society’: City-building in an age of global urban transformation, een thematiek die vooral zeer reëel en urgent is. Dat dit slechts van weinig paviljoenen kan worden gezegd, vormde waarschijnlijk een eerste reden voor de bekroning van de Denen. Sommige landen, zoals Spanje, kozen opnieuw voor een solo-tour: een obligate, saaie promotie van de eigen nationale en dit keer vrouwelijke architectuurproductie die zich schijnbaar met weinig stedelijke ambitie inlaat. En als het al zo zou zijn, dan werd alleszins niet verduidelijkt op welke uitdagingen een antwoord werd geformuleerd. Andere paviljoens, zoals Groot-Brittanië duidden wel weer op een in de Europees context relevant stedelijke vraagstuk, het vacuüm van de postindustriële stad, maar verkozen - uit een soort fatalisme ten opzichte van de discipline? – eerder artistieke en sociologische, dan architecturale stedelijke interventies te tonen. Dat Denemarken zijn paviljoen uitleent aan een zeer à la mode fenomeen dat echter in ecologische en sociale zin een veel grotere uitdaging betekent dan eender welk binnenlands of Westers stedelijk probleem, kan enkel maar worden bejubeld.
De hoofdtentoonstelling in de Corderia van het Arsenale, onder het thema van de biënnale ‘Cities. Architecture and Society’ en geproduceerd door de London School of Economics, focust echter beduidend meer op de eerste en laatste term uit de tripartite van de titel: City en society.
Hoewel de keuze voor dit thema de architectuur onderschrijft als een noodzakelijke voorwaarde voor beide andere – en als opzet dus reeds ingaat tegen de huidige trend tot het louter in kaart brengen van nieuwe abstracte fenomenen, als was elke progressie een verbetering – slaagde de tentoonstelling er niet in perspectieven te bieden voor de wijze waarop architectuur vandaag kan worden ingezet teneinde tussen stad en samenleving te bemiddelen in de context van de groeiende wereldsteden. Deze tentoonstelling schetste het portret van enkele miljoenensteden als Bogota en London aan de hand van foto’s, kaarten en life-size densiteitsmaquettes. De quasi eindeloze, lineaire reeks van data en grafieken die de acuutheid van de problematiek terecht kracht bijzetten, werd dan weer afgerond met veel vraagtekens en vage, abstracte antwoorden als duurzaamheid die niet ondubbelzinnig in architecturale voorstellen werden vertaald.
Onder de noemer ‘Imagine here a new City’ presenteerde het Deens paviljoen, tussen alle data door, wel een aantal concrete ruimtelijke opties voor de toekomstige groei van enkele Chinese grootsteden, een terecht hoofdargument voor de jury in het toekennen van de Gouden Leeuw. Een team van jonge Deense architecten werkte samen met academici van China’s grootste universiteiten op reële uitbreidingsprojecten voor steden als Shangai, Xi’an en Chongqing.

Een eerste project ‘Magic Mountains’ wil in een termijn van twintig jaar Chongqing tot eerste groene metropolis van China transformeren: reductie van energie- en autoverbruik moet Chongqing vrijwaren van bodem-, lucht- en watervervuiling. ‘Imagine 2015: Can you hear the birds sing? Can you feel the fresh breeze from the rivers? Can you see the green mountains at further distance?’
‘Magic Mountains’ toont heuvels samengesteld uit een grid van torenhoge wolkenkrabbers die toenemen in hoogte naar het centrum, als was dit een natuurlijk gegroeide metropool met een densiteit die de normale verdeling kent van de Gauss-curve. Tussen deze bergen meandert een groene parktstructuur waarbij de geothermiek van de bodem als hernieuwbare energiebron voor het hele stadsdeel wordt ingezet.

Het project ‘City Wall’ toont een bundeling van grootstedelijke activiteiten en voorzieningen zowel voor inwoners als toeristen in een megastructuur:een continue strip als een hedendaagse stadsmuur om het historische stadsdeel van Xi’an gespannen teneinde deze als een îlot sacré te behoeden van de verdringing door de opkomende highrise ontwikkelingen. Een ander project toont een nieuwe wijk naast de nieuwe formule 1 testbaan. ‘Shangai Subcity’: een giganstische zwerm suburbia omgord door een brede bosaanplanting die tegelijkertijd fungeert als vrijetijdspark en eco-ruimte.
Deze projecten lijken alvast Al Gore’s devies niet in de wind te slaan: ecologische duurzaamheid is, zeker in ‘expanding china’, terecht een noodzakelijke premisse in het hedendaags stedenbouwkundig concours. Naast deze voornamelijk Deense inbreng, wordt de Chinese bijdrage gekenmerkt door een cultuurhistorische inslag. Jammer genoeg strandt de invulling hiervan in nogal gratuite antwoorden: de heuvels uit het project ‘Magic Mountains’ zijn een al te letterlijke verwijzing naar de bergen die Chongqing kenmerkten voor de highrise-ontwikkeling ze aan het zicht onttrok. Al even iconografisch toont ‘Shangai Subcity’ zich planmatig als de in de bomenmassa uitgesneden vorm van het Chinese woord voor auto. Op sociaal gebied lijken dit bovendien niet meteen de meest verfijnde voorstellen voor verdere Chinese urbanisatie. Een beetje paternalistisch prijst de jury de meerwaarde die de Jonge Deense creatievelingen vormden in het team met China’s academici, hoewel een Europese, ideologische dimensie in alle projecten eerder ver is te zoeken.







