
In een grijze, puddingachtige massa ontstaat een golvende beweging, traag en gespierd, bollingen, stompen van knieën en ellebogen, flarden van vrouwenborsten, reliëfs die doen denken aan gelaatstrekken maar nog niet helemaal in detail geboetseerd zijn. Traag drupt de materie van van de tafel op de grond, in grote zware lappen en weke stalachtieten. Uit de massa richt zich een wezen op; poedelnaakt, het grijs als schellen van het blanke lichaam gepeld. Naast haar smakt een blubberende nageboorte, als een reststof van het vormingsproces, een mislukt mensenfantoom, tegen de grond en blijft onbeweeglijk liggen, weggegooid als een antropomorfe placenta. De dampen in de ruimte vullen alles met een dichte mist, waardoorheen apocalyptische lichtstralen zich een weg banen, doelgericht en helder. De mist prikkelt in de neus en legt het publiek de rol van kuchende massa op.
De versgeboren Vrouw – oogverblindend mooi en frêle – beweegt zich door de ruimte, onervaren sidderend, verkild in zijn verse naaktheid. De Vrouw spiegelt zich in helder glas, ontdekt zo zichzelf en haar omgeving, en laat oorverdovend van zich horen met donderend trommelgeweld, begeleid door een soundtrack die voortdurende oerklanken genereert, als het brommen, kraken en verwringen van het universum. De Vrouw groeit naar een ideaal toe, naar een overtuiging, waarin hij de waarden van haar bestaan kan verdedigen. Op de grond ligt een machtig, heetgemaakt zwaard, sissend in een betonnen woestijn, als een uitdaging die ze niet weigeren kan. Boven haar voert het licht en het geluid een magistraal, uitgebalanceerd spel op dat haar uitnodigt, ja – haar zelfs beveelt. Als een hogere Roeping donderpreekt het audiovisuele geweld op de zacht fluisterende, sidderende Vrouw. Eénmaal gaat ze dood, alvorens ze haar nieuwe, uitverkoren leven aanvangt.
Als ze een flesje parfum neemt, dat ze over het zwaard sprenkelt zodat er een sissend geluid ontstaat en een indringende geur van verbrandde verfijning, is dit een daad van zuiver menselijk ritueel, opbouwend en zelfbestemmend, waardig antwoordend op de duistere stemmen van het Hogere. Ze legt een lap stof kruislings over het sissende zwaard, waardoor er een kruis in gebrand wordt, als een merkteken voor haar Opdracht. Zo speelt ze alle grote vrouwen tegelijk: Jeanne d’Arc, Maria Stuart, maar ook de aartsengel Michael die ten strijde trekt tegen de draak. De strijd tussen Goed en Kwaad die hiermee opgevat wordt, zal een constante blijven in de rest van de voorstelling waarin Castellucci ons vanaf dit moment meevoert. Eens het zwaard geheven is, en eens de Vrouw zich strijdbaar verklaard heeft om een plaats voor zichzelf te veroveren in deze dreigende, overesthetische omgeving, volgen de krachtdadige beelden elkaar snel op.
Links een wit neonbord met een grote L, rechts een rood bord met een grote R, afwisselend flikkerend en krakende geluiden producerend, vindt de Vrouw zich terug tussen een onoverkomelijke polarisatie waar kiezen door het steeds verhogende ritme onmogelijk wordt, en beide tegenstellingen in chaos en geweld opgaan. Dit obsessieve nahollen van de plicht tot kiezen wordt letterlijk doodgeknuppeld door een enorme massa jonge, kloeke mannen, die haar met kussens bewerken. De scène krijgt iets van een kafkaiaanse vervreemding, en zelfs een gogoliaanse als men wil, als de Vrouw daaruit tevoorschijn komt met een hoofd dat aan diameter verdubbeld is. Een schitterend, doeltreffend masker dat aangstaanjagende gelijkenissen vertoont, brengt het lichaam geheel in onevenwicht, en de geest in de war. Een diep verdriet breekt uit bij de Vrouw die van haar ideale maten beroofd is...
Doorheen ronde glasplaten begluren enkele mannen haar en haar lijden, nieuwsgierig, komisch, prozaïsch. Op een scherm hoog in de toneeltoren worden teksten over liefde getoond, teksten uit Shakespeare’s Romeo en Julia. Op een ander scherm blinken af en toe eenvoudige, concrete woorden op: boom, tafel, boter,... Castellucci verliest nooit het gevoel voor de poëtische kracht van het prozaïsche, wat het absolute estheticisme van deze enscenering relativeert en menselijk draaglijk maakt. Een geheime glimlach is niet uit den boze.
Uit de massa mannen ontstaat een spiegelvrouw, naakt en zwart van huid. Nu draagt zij op haar beurt het overmatige hoofd, dat de Vrouw zonet afgeworpen had, ze snikt en vindt troost bij de Vrouw. Een zwarte vrouw met een blank hoofd – het heeft niet eens iets met rassenstrijd te maken. De magistrale esthetiek, die als een God over de voorstelling waakt, maakt alles zoveel universeler en wist kleinmenselijke politiek-maatschappelijke thema’s weg. De vrouw wordt van haar hoofd ontdaan, en ingesmeerd met een zilverblinkende crème, die haar doet oplichten in het karige licht. Jazztonen begeleiden haar heupdans, die ze uitvoert op een kleine brandstapel van stro.
Plots doorsnijdt een scherpe, scheurende laserstraal de pasteltinten van de filmische scène. Het geconcentreerde licht boort zich pijnlijk in het hoofd van de Vrouw, als een Goddelijke schedelboring. Een krakend geluid versterkt de doordringende pijn. Maar de vrouw blijft resistent, en schijnt helder te blijven denken in deze folterende ketterverbranding. Trots overleeft ze, en of ze nu dood of levend is, haar Geest blijft onbezoedeld. Achter hen valt een wand omver, en richt zich statig weer op. Het is een uitvergrote replica van Jan Van Eyck’s Man met rode tulband. Aan referenties naar de kunstgeschiedenis ontbreekt het niet.
Het vertelde verhaal deint weg in de hoogstpersoonlijke, eigen ervaringen en interpretaties van elke individuele toeschouwer. Heel wat beelden blijven sidderend hangen in het audiovisuele geheugen, vrij van betekenisverzegeling, open voor eigen ervaringen en verhalen. Castellucci slaagt er zo in een geheel individuele esthetiek te ontwikkelen, die tegelijk absoluut is en tot in de puntjes technisch bepaald, maar ook geheel vrij laat en de eigen verbeeldingskracht prikkelt. Hey Girl! Is in de eerste plaats een reis door je eigen verbeelding, een verkenning van je eigen culturele bagage, je waardensystemen en je diepste levensgevoelens. Het is een privaatervaring die in essentie onmededeelbaar is, die je waardig voor jezelf houdt, en die deel van jezelf wordt. Misschien heeft Castellucci met deze voorstelling wel één van de treffendste hedendaagse herensceneringen gemaakt van het oeroude faust-thema...
Gezien in het kader van ‘Festival d’Automne - Paris’; in Aterliers Berthier, Théâtre Odéon de l’Europe, Parijs, op 21.11.2006
Nog te zien in deSingel, Antwerpen van 18 t.e.m. 21 april 2007
Credits:
regia, scenografia, luci e costumi: Romeo Castellucci
con: Silvia Costa, Sonia Beltran Napoles
musica originale: Scott Gibbons
fotografia: Francesco Raffaelli
statica e dinamica: Stephan Duve
tecnica delle luci: Giacomo Gorini
realizzazioni sculture: Platikart, Istvan Zimmerman
assistenza alla produzione: Eugenio Resta
organizzazione: Gilda Biasini, Cosetta Nicolini
promozione: Benedetta Briglia
amministrazione: Elisa Bruno, Massimiliano Coli, Michela Medri






