Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Gunther De Wit:
MARS speelt 'Sunday Smile'
Over 'De Versie Claus' van Het Toneelhuis
Over Zand erover!? van Victoria Deluxe
Over Mefisto for ever en het hernieuwde belang van de belangrijke mening.
HORROR IN DE KERSENTUIN
datum 17.11.2006
rubriek Podium
Mefisto for ever maakt, zoals de titel al doet uitschijnen, meerdere cirkels rond. Van toneel naar maatschappij en weer terug. Van vroeger tot nu en weer terug. Een grimmige Back to the Future-hellride. Een vast aantal stations, haltes, eveneens andere contexten van tijd en plaats zal u tegenkomen, maar niets belet u om de rit helemaal uit te zitten tot het terug naar af is. Dat komt er immers ooit van. Tot dan biedt deze opener van het nieuwe Toneelhuis-seizoen u alle mogelijkheden aan, van alle gezindten thuis, al wordt de toeschouwer toch wel lichtjes een bepaalde richting in gedwongen. Van dan af krijgt de toeschouwer weer vrij spel. Gaat dit stuk over vroeger of nu? Of kunnen beide? Wat levert dat op aan meerwaarde, en welke dimensie lijdt daaronder, welke verrijkt zich? Deze voorstelling zie je noodgedwongen met oogkleppen op, de toeschouwer wordt hier als vanzelf mee voor veroordeeld, uitgenodigd tot Love thy neighbour, goed wetende dat de buurman in een oven duwen nog altijd beter theater oplevert.


De voorstelling begint met een sololoqui van een voor de gelegenheid tot Kurt Köppler omgedoopte Heinrich Höfgen, op zijn beurt gebaseerd op de echt bestaande figuur van Gustaf Gründgens. Een voortreffelijke Dirk Roofthooft sluit het stuk op dezelfde monologerende manier af, alsof hij – Köppler – de sleutelmomenten om zich te beraden over zijn daden, ideologie en identiteit, pas herkent als ze in het script staan. Hoe herkennen wij ons niet in hem, en in Hamlet, zijn compagnon de route  die de hele tijd expliciet, maar evenzeer impliciet aanwezig is: als een steeds omineus overhangende schim die schimmen ziet maar ze toepast voor eigen gebruik. Met de goede hulp van Guy Cassiers, regisseur maar minstens evenveel op de voorgrond als directeur bij deze voorstelling, die de sociaal-artistieke kroon en take-off van zijn theaterseizoen voorziet van een alweer zeer niet-mis-te-verstane magic touch (die geest van Hamlets vader!), gul zwiert met mist maar altijd ontwapenend ontmaskert. 
Er valt namelijk niet naast te kijken. Gedurende elk afzonderlijk moment in de voorstelling kan er plots, in alle willekeur (zoals de geschiedenis zelf) een dubbel bewustzijn over de toeschouwer komen dagen, dat hem op plagerige toont influistert dat deze actuele voorstelling historisch is en omgekeerd, en dat, op een tweede niveau van tweeledigheid, deze voorstelling gaat om het maken van een voorstelling. Voor iedereen met twee hersenhelften, quoi, en zoiets mag vandaag de dag zelfs doorgaan voor vernieuwd elitair theater (zie interview met Cassiers: http://www.urbanmag.be/php/artikel.php?id=1435)

Gemengd dubbel

Ondanks deze praktijkgerichte aanpak, die de (oplettende) toeschouwer altijd een houvast biedt, verbiedt de voorstelling echter niet zichzelf tot atmosferische, haast metafysische hoogtes op te krikken, want laten we niet vergeten dat het hier om universele toestanden gaat, voor een publiek dat liefst zo universeel mogelijk is.  Af en toe nogal zweverig, krijgt dit stuk de gedaante van een ‘kroniek van een niet voorgevallen koningsdrama’, van ‘een ongeboren monster’, maar meer nog: van de overwinning van gezond verstand. Verbeten, overlevend links tegen de rechtse, uit zijn bek stinkende want afgrijselijk mooie beloftes makende, rechtse pitbull. U kent het verhaal, u leest de kranten.

Die ambiguïteit van de lelijke schoonheid krijgt zijn uitwerking a fortiori in de taal, een even fundamentele pijler van deze voorstelling als van de maatschappij in het geheel. De taal is onze barometer, en laat dat dan vooral pech zijn voor wie in de ver doorgedreven renaissance ervan, (van de meesterlijke hand van Tom Lanoye), daar geen snars van begrijpt. De referenties aan de verzamelde theatercanon, en dus ook aan de theaterpraxis, zijn niet min: de reeds aangehaalde Hamlet passeert geregeld de revue, verlaat die eigenlijk nooit, maar evenzeer van de partij zijn hele flarden en zelfs ensceneringen van De kersentuin en Julius Caesar. Citeren uit deze stukken, is vaak de enige manier van de personages die slechts acteurs zijn, om met elkaar te communiceren, of om met de gruwelijke en confronterende werkelijkheid om te gaan. Het beste voorbeeld vindt plaats wanneer Köppler zijn vorige baas Victor (Vic de Wachter), thans door de nazi’s uit zijn ambt gezet vanwege ‘onverzoenbare meningsverschillen’, probeert te overtuigen van het aloude adagio der slimmeriken ‘if you can’t beat them, join them’. Een credo waar hij zelf aan ten onder zal gaan; niet lijfelijk, maar pijnlijk artistiek.
Of ook: theatermensen en hun isolement? Acteurs en hun onvermogen? Hun aandachtsverslaving, waarmee ze zich sowieso buiten de louter nuttig functionerende maatschappij plaatsen? En dan maar jammeren? Of overgaan tot vele mooie woorden, en slechts weinig daden? In die interpretatie is Kurt Köppler wellicht het minste blaaskaak, het meeste man des volks, en in dat opzicht ook het sympathiekst. Met een beetje doorgedreven redenering zit een beetje analist algauw op een trein zonder einde, en elke wagon ontkent de vorige, er mag niet gerookt worden, slechts uitgerookt. Maar het stuk is niet onverdeeld lief voor de cultuurminnaar met oogkleppen, en dus ook niet voor de analist die in zijn trein blijft zitten; tenzij die ook eens een raampje opendraait om frisse lucht in te halen. En zolang hij zich niet bedient van navelstaarderige, slechts voor een nerdy incrowd bestemde metaforen – entschuldigung, ich habe es nicht gewusst…
Gelukkig is er nog de compenserende neutraliteit, in de persona van het moedertje (Gilda De Bal), die slechts vragen of we het niet te koud hebben, onze lijven en leden beschermt omdat het in wezen de hare zijn, onze boterhammen smeert en ons overlaadt met liefde op een bankje in moeilijke momenten. Al kan zoveel nuchterheid ook wel eens irriteren, hoeveel tegengewicht aan de overtrokken krachtpatserijen/spielereien/grote gelijken het ook biedt…

Echter, niet alleen het Grote, Want Eigenzinnige, Onconventionele En Dus Betere Theater krijgt hier zijn vrije loop, nee, de vijand mag evenveel van onze tijd en aandacht innemen. Niet alleen rechtstreeks uit de monden van zij die het in cultureel opzicht slecht met ons menen, wat alleen maar vanzelfsprekend is wanneer je een complex, Groot Want Eigenzinnig, Onconventioneel En Dus Betere Voorstelling beoogt (vergeef me wanneer ik ironisch klink; ik wil slecht Groot en Eigenzinnig CUT!). Wat ik maar wil zeggen: doordat Tom Lanoye die sleutelpersonages from the other side de juiste, want hun eigen woorden in de mond legt, niet onder maar nààst die andere juiste (want juiste) woorden, volgt hij zijn eigen, uitgestippelde, uitstekende discours, en Guy Cassiers volgt hém. Maar soms gaat dat te gebalanceerd evenwicht aan het kantelen: nazi’s revolteren dan en krijgen een geweten, en brengen dat onder woorden op een manier die je van zwijnen van hun gestalte niet gewoon bent. Het geldt ook andersom: de verzuchtingen en kreetjes van Köppler hebben op hun beurt, op onbewaakte momenten (dat had hij gedacht!) iets weg van Heidi in Tirol, kortom niet eigen aan een Groot Want Links Maar Toch Vooral Onafhankelijk Kunstenaar. Al staat dat allicht niet volledig los van zijn evenzeer kantelende geweten…



‘Het nieuwe einde’


Zoals al uitschijnt, heeft Tom Lanoye, de tekstschrijver, veel verdienste aan de gelegde nuances, omwentelingen, en rechte of afwijkende paden die dit stuk én zijn personages maken. Diegene die we te horen krijgen én diegene die ze stilletjes denken. Hij heeft, meer dan in het boek (Klaus Mann) of in de film (Istvàn Szabó), de nadruk gelegd op de twijfelende, genuanceerde, veeleer grijze dan zwart-witte mens, die wel nooit zal veranderen, ook al bekent hij (politieke) kleur. Dit krijgt extra effect doordat Lanoye het stuk verlengt in de tijd: we krijgen ook te zien wat er met Köppler gebeurt na de val van het nazi-regime. Even krijg je het gevoel dat die extra scène een beetje verbleekt bij de rest van de voorstelling, er het nakomertje en aanhangsel van is. Een goed excuus voor het showen van een onconventioneel theatraal trucje, denken we ook: het doek terug ophalen nadat het eerder al gevallen was voor de climax, in de vorm van monoloog plus zelfmoord van de Minister van Cultuur, alias Den Dikke (een alle aandacht naar zich toe trekkende, in een speeltuin van spanning opererende Josse De Pauw). De bloedspatten op het alweer gruwelijk realistische, lelijk-mooie doek zijn een voorbode van de pro-formarehabilitatie die Köppler krijgt na de bevrijding, want eigenlijk vinden ze niemand beter, is zijn opportunisme een risicoloze gok, en ach, men heeft wel andere kopzorgen dan theater. Maar op respect van zijn peers, die opgehouden zijn dat te zijn vanaf het moment dat Köppler het nazi-staatstheater ging bestieren, hoeft hij alvast niet meer te rekenen.
    Dit nieuwe einde dient een aantal doelen (er wordt nadruk gelegd op het falen van Köppler net in datgene wat hij, op zijn manier en ondanks alles, zo goed mogelijk trachtte te redden), maar mist er ook eentje. Of: dat hangt er maar vanaf. Waar u met uw gedachten zat tegen die verstreken tijd, bijvoorbeeld. Moraliserend is het einde, uitgesproken tragisch – of krijgt de foute theaterblik slechts een laatste stuiptrekking, maar dan wel een beslissende? – maar misschien nuttig om de achtergebleven broeder-toeschouwer een zetje te geven over de Berlijnse muur die inmiddels een ingezakte, vetmakende pudding blijkt te zijn.   

Pinokkio

Het beeld van de muur komt terug, let op, omdat hij nu eenmaal aardig dient voor Cassiers’ onderhand gekende multidisciplinaire taal. Omdat de beelden ín de muren zitten, in deze Bourla, een venster op de werkelijkheid tegelijkertijd vormen, alsook, we mogen eens overdrijven, een teletijdmachine (laat Cassiers’ iets doen met strips, daar zit muziek in, ik méén dat).
De explicitering van de maatschappijkritiek in dit stuk kent verschillende vormen. Verholen, gesublimeerd, maar soms ook pijnlijk direct. Bij monde van het personage van Stefan Perceval in het deel voor de pauze, krijgen we een goed idee van hoe extreem-rechts in alle geledingen van de maatschappij voet aan de grond heeft gekregen. Hij is een hatelijke intrigant, en bovendien onvermijdelijk ook. Hij ontbreekt elke vorm van talent of van zin voor collegialiteit, al is hij – uiteraard – altijd netjes op tijd. Als de nazi-sympathisanten dan toch eens eendimensionaal geportretteerd worden, dan is het dat ze het volgende stigma krijgen opgekleefd: ze hebben van de kunsten bepaald geen kaas gegeten. ‘Den Dikke’ mag dan nog zo gezellig meekeuvelen over theater, in de regel voeren ze er grotesk reactionaire, en dus misplaatste theorieën over op. De heer Goebbels in het deel na de pauze (eveneens Stefan Perceval, in één van Cassiers’ meesterlijk geconcipieerde, antithetische maar tegelijk synthetische rolwissels), bijvoorbeeld, komt zich als Minister van Propaganda moeien met het bestuur van het Staatstheater waarover Köppler de leiding heeft gekregen. Of hij niet wat meer gezinsvoorstellingen wil plannen? Tijl Uilenspiegel, Pinokkio,… Naast de obligatoire Schiller en Goethe natuurlijk. Wat? Voelt hij zich daar te elitair voor? Luister eens, het volk komt naar het theater om zich te amuseren, niet om naar de klaagliederen van ene Shakespeare of naar die idiote Ibsen te luisteren… Ja het kan goed zijn dat de zalen vol zitten, en dat hij, Goebbels, de bezorger van Blut und Bodem und das Herrenvolk, maar zelf een mankepoot, dus zichzelf tegenspreekt. Dat kan allemaal goed zijn. Maar luister dan maar eens naar mijn beroemde ‘Totalen Krieg’-speech, zet de rationele logica op nul en huiver… Doen we, doen we…
Laatstgenoemde scène is een van de absolute hoogtepunten, door de spectaculaire visual wall die achter de ‘Totalen Krieg’-speech door Cassiers wordt opgetrokken. Het onder- of bovenliggende politieke thema wordt meer naar de voorgrond geplaatst dan op eender welk ander moment, en is zo ondraaglijk dat we nadien even tijd nodig hebben om weer op de pluchen rails van de Bourla te gaan zitten om de koeienhersenen voorbij te zien gapen. Het is dat soort uitblazen dat ons na het zien van de wild orerende Goebbels buiten adem stelt, en, inderdaad, ons redelijk vermogen heeft uitgeschakeld. Wij denken niets, wij voelen niets, want dat wordt ons niet gepermitteerd: er heerst een verbod op gedurende enkele minuten. Theater voorzien van oren en poten. Wij kunnen slechts trillen, en dat zo stil mogelijk, want in zo’n donker stuk barok als de Bourla kan een beetje Gestapo-lid zich uitstekend verdekt opstellen, vooraleer elke andersdenkende luid boe!-roepend de zaal en de ziel uit te jagen.
Wat dit langgerekte horrormomentum extra pervers en schizofreen maakt, is de beslissing deze alternerend te ensceneren met twee keuvelende vrouwtjes die het over niets bijzonders lijken te hebben, maar wel van hun eigen Belang overtuigd zijn. Uiteraard. Maar we horen hen ook niet goed. Er wordt vaak gefluisterd in deze voorstelling, dat is nu eenmaal poëtisch. Schelden en roepen en akelig concreet zijn hoort er ook bij. Er zit veel ruis op de zender, want dat is… realiteit. En die realiteit is alleen maar welgevaren met de hoeveelheid talent in dit huis, dat op geloofwaardige en virtuoze manier gestalte geeft aan de preoccupaties van de mens, aan zijn onderliggende lagen, aan zijn bedrieglijke en grimlachende surface, en aan de complexe condition humaine waaraan haar publiek zich dient te gewennen. Omdat het publiek in het huis zit, het huis in de realiteit, en het publiek eveneens.

Verzin uw eigen picnic

In de wandelgangen, tijdens de pauze, vonden enkele oudjes met een twintigjarige staat van verdienste als KNS-abonnee de aanpak van Cassiers maar niks. Deze als belachelijke bourgeois verklede, veredelde ‘68-ers of salonintellectuelen zijn óók het volk dat de nieuwe artistieke leider zo graag wil verleiden. Het is dan ook een wolf in schaapsdracht. Maar bedoelt hij, als hij het over ‘elite voor een groot publiek’ heeft, dit soort kwezels?  Ben ik door het verkondigen hiervan een onverdraagzame fascistoïde? Ongetwijfeld, maar is dat relevant? Meer dan ooit laat een gezagdragend liefhebber (voor àlles!) van de kunsten zien dat een mening verkondigen kan, dat er mag geshockeerd worden zonder goedkoop te zijn, en dat er gerust zuurverdiend belastinggeld mag rondgestrooid worden in de hoedanigheid van rode papiersnippers. Zij stellen immers De Kersentuin voor. En daar, collega-theaterminnaars, zijn we in Antwerpen nu in aanbeland. Enjoy the ride, bepaal waar u eruit gaat, klaar om uw eigen perfide picnic te creëren. Omdat u niet anders kan. We zijn allemaal kinderen van Kurt Köppler als we even niet opletten, maar dit stuk leert ons uit de aanwezigheid van bliksem af te leiden dat er donder en sturm und drang op komst is, het liefst wanneer de zon schijnt op uw zorgeloos uitgestrekte, vredige dekentje. Volksopvoedend theater? Het beste in jaren.

Gezien op 21-10-06 in de Bourlaschouwburg te Antwerpen.

Credits

Vrij naar: Klaus Mann
Regie: Guy Cassiers
Tekst: Tom Lanoye
Spel: Dirk Roofthooft, Stefan Perceval, Gilda De Bal, Vic De Wachter, Katelijne Verbeke, Ariane Van Vliet, Abke Haring, Josse De Pauw
Dramaturgie: Erwin Jans
Scenografie: Marc Warning
Licht: Enrico Bagnoli
Geluidsdecor: Diederik De Cock
Video: Arjen Klerckx
Kostuums: Tim Van Steenbergen
Productie: Toneelhuis
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie