
En daar is niets mis mee. Het grote publiek dat met een zekerheid van gifinname zijn weg naar de tentoonstellingsruimte (het Caermersklooster te Gent) zal vinden, krijgt een zeer toegankelijke, bijna tastbare brok filmcultuur voorgeschoteld. Hapklaar, als het ware. Verwacht geen kinoplex dat doorlopend alle films weer uitzendt; dat is een brug te ver, en daar heeft het randprogramma van het Filmfestival zélf al voor gezorgd. Alleen al om die reden jammer dat het festival er alweer opzit, but hey, life goes on. Hoe grimmig ook, datzelfde leven krijgt een open forum om al zijn gedaantes aan het publiek te openbaren, zoals het zich ook – lang geleden, vermoeden we – ook aan de meester zelf moet openbaard hebben. En dat zijn er, met excuus voor de platgetreden paden, nogal wat.
Deze mozaïekvoorstelling van een leven in films, en van films over het leven, is de eerste blikvanger. Een televisiemuur laat enkele van de meest legendarische scènes loopen. De paardenrace uit ‘The Killing’, Jack Nicholson in de loungebar van zijn gedoemde hotel in ‘The Shining’, de drilscène uit‘Full Metal Jacket’, de slow uit ‘Eyes wide shut’. Een appetizer voor de bezoeker, die in het beste geval vóór al deze films gekomen is, en in het meest realistische scenario toch voor een drietal. Na een korte introductie op hoe Kubrick in het vak geïntroduceerd werd, of liever, dat volledig zelf deed met de hem kenmerkende volharding (via fotowerk en documentaires tot de real deal; vergeet ook het authentieke schaakbord niet als u binnenkomt), waarin u ’s mans authentieke regisseurstoel op een verhoogje de hele expo, euh, regisseert, vervolgt de tentoonstelling in een open ruimte.
Daarin worden niet minder dan drie films samengepropt, gescheiden door een halve fotomuur. Meteen wordt het opzet van de expositiemakers duidelijk, en het is er alvast geen chronologische. Afgezien van de gang met het allervroegste werk, volhardt de tentoonstelling in het concept van de televisiemuur die de bezoeker bij het binnenkomen als eerste aantreft. ‘The Killing’, ‘Spartacus’ en ‘Lolita’ worden broederlijk naast elkaar behandeld.
De eerste indruk is er dan ook een van aangename verrassing. Een molentje die door het hoofd speelt: van welke film(s) zal de volgende zaal de rekwisieten, originele decorstukken, affiches, brieven en draaiboeken tonen? Voor de echte kenners of liefhebbers wordt het dan al gauw een aftelsommetje: die en dié hebben we nog niet gezien. Bovendien had een meer thematische indeling geen kwaad gekund, want het had meer inzicht in de persoonlijke obsessies en professionele drijfveren van de cineast kunnen opleveren. Moeten opleveren. Komt daarbij dat door een dergelijke concentratie (drie films in één ruimte) na de verrassing ook verwarring doet gevoelen, een gevoel van onvolledigheid en willekeur. Het toppunt daarvan vormt de screeningsruimte van scènes met bijhorend commentaar uit ‘A Clockwork Orange’, die abrupt en zonder enige aankondiging wordt afgebroken om plaats te ruimen voor (weliswaar amusante) faits divers uit ‘Dr. Strangelove’. En graag hadden wij ook wat meer ‘Barry Lyndon’ gehad: de film is ronduit ondervertegenwoordigd, en wordt weggemoffeld achter het nooit-voltooide-maar-erg-obsessief-voorbereide Napoleon-project. De enige denkbare reden voor die asymmetrische samengang is de categorie ‘kostuumfilm’.

Een méér categorische indeling had de tentoonstelling goed gedaan. De oorlogsfilms bij de oorlogsfilms bijvoorbeeld (‘Fear and Desire’, ‘Paths of Glory’, ‘Dr. Strangelove’, ‘Full Metal Jacket’). Hetzelfde voor de weirde futurische samenlevingsportretten (‘2001: A Space Oddyssey’, ‘A Clockwork Orange’, ‘A.I.’). Dat dit niet gebeurd is, levert een soort doelloze onbestemdheid op, een desoriëntatie. Die vormt weliswaar het geheime ingrediënt dat als een soort rode draad door het oeuvre loopt en in die zin dan weer wél te verantwoorden valt, maar dat valt jammer genoeg niet altijd samen met een wenselijke rode draad doorheen de tentoonstelling zélf, en die wordt hier toch onder de kritische lens gehouden. En dat de makers soms wat weinig fantasie aan de dag leggen door élke film van duiding te voorzien aan de hand van beeldmateriaal uit het standaardwerk ‘A Life in Pictures’ (tijdens het openingsweekend gewoon te zien op Canvas!), doet het genie van Kubrick ook dat beetje minder eer aan dan algemeen kon worden verwacht.
Toch mekkeren wij niet. De onvoorwaardelijke fan en Kubrick-adept in ons sprong meerdere gaten in duistere luchten bij het zien van de veeltallige concretiseringen van wat voorheen slechts in onze dromen, en in onze favoriete films voorkwam. Zo zijn we meer te weten gekomen over de nooit opgenomen scènes uit ‘Dr. Strangelove’, die oorspronkelijk met een groots kolderesk taartengevecht in de War Room had moeten eindigen. Over onze favoriete minderjarige stoot, Lolita uit ‘Lolita’, en over hoe beleefd de katholieke lobbygroepen van die tijd hun ongenoegen aan Kubrick adresseerden. Tot daar het nog milde enthousiasme. Wanneer wij de bijbel annex Russich vertaalwoordenboek tegenkwamen uit ‘Dr. Strangelove’; de erotische tafels, wandelstok en volledige outfit van Alex uit ‘A Clockwork Orange’; de geassorteerde jurkjes van die angstaanjagende spookzussen uit ‘The Shining’, alsmede een maquette van het doolhof daaruit, of de verschillende bijlen die tijdens de opnamen zijn gebruikt: ja, dan worden wij heel stil. En gapen naar al die lekkere verontrustende, psychotische, Freudiaanse of zwartkomische vervlezelijkingen uit films die heel vaak over vervlezelijking gaan. Van collectieve façades en illusies, van onwarme verlangens.

Het absolute hoogtepunt van de tentoonstelling vormt echter de volledige vleugel die aan het sf-epos ‘2001’ is gewijd. Van het apenkostuum tot de fysische voorstudies en storyboards; van de hostessenpakjes tot het roze salon of de speciaal overgevlogen sanitaire cabine; van de zwevende pen tot het grote metafysische masterplan dat Kubrick met de film voor ogen had, en wat trouwens vrij begrijpelijk wordt geëxpliceerd aan de minder begaafde toeschouwer. HAL 9000, die trouwens lijfelijk aanwezig is, heeft dat heel goed gedaan. Wij wachten nog steeds op de enorme loer die hij een of andere toeschouwer vroeg of laat zal draaien.
De tentoonstellingsruimte wordt afgesloten met ‘Eyes wide shut’, waarvan we enkele originele maskers (‘as worn by Mister Tom Cruise’) en affiches te zien krijgen, maar jammer genoeg niet veel meer. Dan loopt het door tot aan de schetsen voor de fictieve wereld van ‘A.I.’, de film die Kubrick, eveneens jammer genoeg, aan Steven Spielberg heeft cadeau gedaan, én is er zelfs nog plaats om hulde te brengen aan het dada van het Gentse filmfestival, in de vorm van een zeer leerrijk exposé over de diversiteit, de verschijningsvormen en functies van muziek uit zijn films. Blij toch dat we naar huis konden, het zou nog een bevreemdende tramrit opleveren.
Gezien op 21-10-06, in het Caermersklooster te Gent.






