ENKELE NIET ONAARDIGE FILMS
Het lijkt de samenvatting van ’s mans late carrière, het maken van niet onaardige films (‘Gosford Park’ niet meegerekend, want zijnde subliem), en ook met ‘A prairie home companion’ stelt ouwe rot Robert Altman (81 jaar jong ondertussen) niet teleur op dat vlak. Anderhalf uur lang worden we ondergedompeld in een soort melancholie waar het gros van ons te jong voor is, middels een ouderwetse radioshow boordevol luchtige country- en cabaretliedjes en kleurrijke theaterfiguren, een flinterdun verhaaltje en zoals steeds degelijke regie. Niet meer en niet minder dan een aangename rit, met een meester van het vak aan het stuur.

Het beste voorbeeld van een ‘niet onaardige film’ was wel ‘Puccini for beginners’, een lesbische relatiekomedie voor fans van Sex & the City, met de obligate misverstanden, enkele slimme grapjes en driehoeksrelaties. Goed gelachen, de tijd ging vlotjes voorbij, voorspelbaar als een bal rond is, maar niet storend of vervelend, echt iets wat het grote publiek zal weten te smaken, en waar koppeltjes nog eens lekker samen naartoe kunnen, de vrouwen voor de vrouwengrapjes, de mannen voor de hot lesbo-action (die, toegegeven, ook wel redelijk braafjes was).
Veel minder braaf, en meer voor de mensen die graag een meer grondige blik werpen op het wel en wee van de herenliefde, is ‘Shortbus’, een film die we vooral onthouden voor het feit dat het hardcore pornoscènes weet te combineren met een degelijk, afwisselend hard en vertederend verhaal, en dat af en toe nog wat humor weet te injecteren, een verademing na al die ‘expliciete sex geweld vervelende sérieux’ films die ons de laatste jaren teisterden. De regisseur is John Cameron Mitchell, die enkele jaren terug al voor flink wat lol zorgde op het filmfestival met zijn uitzinnige ‘Rocky Horror Picture Show in transseksuele versie’ musical ‘Hedwig and the angry inch’.
Een film die ook zeker in deze ‘niet onaardige’ categorie thuishoort is ‘The Queen’, wat één van de eerste films moet zijn die ik met plezier uitkeek, ook al interesseerde het onderwerp me geen moer (de reactie van het Britse koningshuis op de dood van prinses Diana: gééuw!), en dat enkel en alleen dankzij een ronduit sublieme acteerprestatie van grote dame Helen Mirren, die er niet meer zo koeltjes uitzag sinds ze een stukje bil van haar gekookte man afsneed in ‘The Cook, the Thief, his Wife & her Lover’. Een perfect staaltje van casting is ze, wat niet gezegd kan worden van al de rest. Het is vooral lachen geblazen als de Tony Blair- en Prins Charles-imitatoren ten tonele verschijnen. Wel knap hoe de makers erin geslaagd zijn Blair nog meer als Bert Anciaux, en Charles als een nog suffere loser voor te stellen dan ze in het echt al zijn.
Ook wel iets meer verwacht van de nieuwste worp van de Finse minimalist tot in de kist, droogstoppel en drankorgel Aki Kaurismäki, wiens films ik altijd al gekoesterd heb, omdat ze zo droog en altijd hetzelfde zijn. Zijn laatste, ‘Lights in the dusk’ vond ik net om die redenen wat tegenvallen, wegens toch wel overdreven droog en afstandelijk, en heel erg hetzelfde als altijd. Als je tijdens een film die al maar 78 minuten duurt een paar keer hoopt dat ie nu wel gedaan zal zijn, dan scheelt er iets aan. Een nachtwaker verveelt zich, wil zijn eigen zaak beginnen, wordt versierd door een blonde (het eerste niet-lelijke personage in een Kaurismäki-film ooit, en dus door en door slecht), wordt door haar uitgeleverd aan een maffiabende, die hem gebruikt om het shoppingcentrum dat hij bewaakt leeg te roven, en vervolgens de schuld in zijn schoenen schuift. En dat alles getoond met de afstandelijkheid van een mummy, zoals altijd, maar deze keer op zo’n manier dat ik me zelf in een – slaperige – mummy voelde veranderen. Toch maar beter van wijn op wodka overschakelen Aki!

‘El Método’ dan, een Argentijns-Spaanse film, die erg naar de geest van de tijd, zes gruwelijk ambitieuze sollicitanten voor een directeursfunctie twee uur lang in één ruimte verbaal en psychologisch laat vechten voor de functie. Het zou een origineel concept zijn voor een reality soap, ware het niet dat het al gedaan is. Gelukkig draait de filmversie een stuk spannender uit, met stevig verbaal vuurwerk (hoewel twee uur lang Spaans getetter bijzonder vermoeiend wordt) en lekkere steken onder de gordel van alle kanten. Gezien ikzelf twee dagen later naar een sollicitatiegesprek moest, was het zien van deze zenuwslag een opluchting, want zo erg kon het toch allemaal niet zijn. Ach ja.
Jammer maar helaas, ook de festivalwinnaar ‘Ten Canoes’ kon niet dermate bekoren dat hij aan deze categorie van niet onaardige films zou ontsnappen. Zo is de film eigenlijk exemplarisch voor het gemiddelde festivalaanbod: niet echt verrassend, niet slecht, maar ook niet erg goed. Van ‘Ten Canoes’ kon je al raden voor hem gezien te hebben dat ie het festival zou winnen. Het is een film over een minderheidsgroep die zwaar geleden heeft onder de kolonisering (de aboriginals), voor het eerst gesproken in hun eigen taal, met esthetisch verantwoord afwisselen tussen kleur en zwart-wit, arty maar niet té, traag en niet echt toegankelijk voor een breed publiek. Op alle clihé-fronten een geheide winnaar, en dat werd ie ook. Maar desalniettemin: respect voor de aboriginals!
Over die andere populaire festivalcompetitie-film, het Oostenrijkse ‘Slumming’, zou ik graag nog wat positieve opmerkingen maken, maar helaas is de film zowat in z’n geheel uit mijn geheugen geduwd door alle andere films. Ik kan me wel nog herinneren dat ik hem niet slecht vond!
NIET ZO BEST TOT SLECHT
Gent kon dit jaar, door concurrentie tussen verschillende simultaan lopende festivals in Europa, geen grote namen of premières te pakken krijgen, en de weinigen die het wel kreeg, die stelden teleur. En dat laatste geldt met vlag en wimpel voor ‘The Fountain’, na instant cultklassiekers als ‘Pi’ en ‘Requiem for a dream’ het ‘grote geld’-debuut van Darren Aronofsky. Ik denk niet dat ik buiten de nieuwe van David Lynch de laatste jaren halsreikender heb uitgekeken naar een film dan deze. Graag had ik toch één goed woord erover gezegd: de muziek is fantastisch. En dat is het dan. Het verhaal is een soep, de toon pretentieus, en zelfs Aronofsky’s toonaangevende visuele flair faalt deze keer op alle fronten. Tijdens de als visueel overdonderend bedoelde scènes haalt ie nauwelijks het niveau van een Enya-videoclip. Volgende keer toch maar weer een bescheidener filmpje draaien, meer geld zal hij er toch niet meer voor krijgen.

Dat Brian de Palma een ietwat teleurstellende film aflevert, mag al jaren geen verrassing meer heten, dat ie dat doet met een steengoed verhaal naar een klassiek James Ellroy-boek als ‘The Black Dahlia’, dat is al wat straffer. Anderen konden deze plastieke film noir nog wel enigszins smaken, mij liet ie steenkoud, en erg verveeld achter. De Palma’s laatste degelijke film is alweer dertien jaar oud (‘Carlito’s Way’), en sindsdien lijkt hij louter nog op routine en ouwe trucjes te draaien. Tijd om op pensioen te gaan.
GOED TOT GEWELDIG
En dan nu het goede nieuws: goeie films gezien!
Van ‘A guide to recognizing your saints’ kan ik me opnieuw niet veel meer herinneren dan dat ik de film geweldig vond, bikkelhard, nerveus, maar tegelijk met een erg gestileerde en aan straatfotografie herinnerende cinematografie. Het betreft hier een autobiografische prent van ene Dito Montiel, die het verhaal van de film zelf beleefde, er een boek over schreef, het boek adapteerde tot een film en vervolgens het scenario zelf regisseerde. Het enige wat hij niet doet is zichzelf spelen, dat laat hij aan een onderkoelde maar o zo coole Robert Downey Jr. over. Erg straffe en mooi film over opgroeien in en terugkeren naar een foute buurt met foute vrienden.
Ook Amerikaans en ‘independent’, maar geheel andere koek, want dolhilarisch is ‘Little Miss Sunshine’, voor mij de feelgood movie van het jaar, boordevol zwarte humor rond een disfunctioneel gezin vol botsende weirdo’s die hun dromen in rook zien opgaan. Het is een roadtrip door het land, op weg om dochterlief te laten deelnemen aan één van die ziekelijke mini-Miss verkiezingen. Het is de enige film van de 25 die ik zag op het festival waar ik werkelijk iedereen – na wekenlang gezeur – naartoe zal sturen als ie in de bioscoop uitkomt. Het was lang geleden dat ik nog eens zo hard heb kunnen lachen in de bioscoop; en lang zou het ook niet duren vooraleer het nog eens gebeurde, maar dan nog harder.

Met ‘Borat’ als de verrassingspremière op de voorlaatste dag deed het filmfestival nog eens waar het goed in is: films tonen die een week later overal in de bioscopen te zien zullen zijn. Maar voor de rest geen klagen, voor velen zal ‘Borat: Cultural learnings of America for make benefit glorious nation of Kazachstan’ wel de komedie van het jaar worden, met een anderhalf uur durend en geen seconde aflatend spervuur aan dolle fratsen en vooral héél erg gênante situaties (Ik heb meer weggekeken bij deze film dan bij de gruwelijkste horrorfilms). Geen film voor mensen die lijden aan een gevoel van plaatsvervangende schaamte, maar voor al de rest een langgerekte bulderlach, blauwgeslagen dijen en tranen in de ogen verzekerd.
Andere koek, maar daarom niet minder genietbaar en verheffend is ‘Transylvania’, de nieuwe, in dikke zigeunersferen gedrenkte prent van Tony (Gadja Dilo) Gatlif.
Een flinterdun verhaal: jong, zwanger Frans meisje gaat op zoek naar haar het land ontvluchte zigeunervriend, vindt hem al snel diep in Roemenië, waar hij haar nog eens keihard dumpt, ze verliest de controle over zichzelf en laat zich helemaal opslorpen door het land en zijn rondtrekkende zigeuners. En dat alles gefilmd met meer tastbare sfeer en realisme dan de betere documentaire over die streken. Net als zijn van levensvreugde en vrolijke zigeunerarmoede bulkende debuut ‘Gadja Diljo’ gaat deze film gepaard met een onmisbare soundtrack die ongetwijfeld voor tal van gebroken glazen en rondslingerende flessen en vrouwen zal zorgen op het volgende thuisfeestje.

Het was de voorlaatste dag, en het festival baadde wat mij betreft nog hard in een gevoel van teleurstelling over het geziene aanbod. Een geluk dat die dag met twee erg opmerkelijke films nog een kleine draai gaf aan dat gevoel. Eerst was er het Amerikaanse ‘Edmond’, van de nobele onbekende regisseur Gordon Stuart, maar naar een scenario van toptheatermaker en –scenarist David Mamet, en met William H. Macy in de hoofdrol. Macy speelt (Fargo even vergetend) de rol van z’n leven als suffige kantoornerd die op een dag van een waarzegster te horen krijgt dat ie hier niet op z’n plaats zit; Edmond keert naar huis, zegt tegen z’n vrouw dat hij het afbolt, gaat het volgende half uur van de film op zoek naar een betaald potje seks, maar zijn gierigheid staat hem in de weg. Hij wordt overvallen door enkele zwarte straatdieven, hij koopt een jagersmes, en als je het echt niet meer verwacht, slaat de film plots om in een hondsbrutale, gewelddadig racistische, vrouw- en iedereen onvriendelijke slachting, om dan weer te eindigen als een filosofische en haast ‘romantische’ gevangenisfilm. Kortom, ik wist niet wat ik zag, mompelde meermaals verbaasd en aangenaam geschokt “wow” en “ho ho” en dat kan van niet veel films gezegd worden! Ongetwijfeld staat deze giftige prent geen succesvolle carrière in cinema’s aller landen te wachten, en zult u hem snel in de dvd rekken terugvinden.
En dan, als slot, nog een mokerslag van een film, uit Duitsland godbetert, die compleet iets anders bleek te tonen dan de korte inhoud deed vermoeden. ‘Requiem’ had makkelijk een goedkope horrorflic kunnen zijn over een jong, diepchristelijk meisje, dat bezeten geraakt en wiens demonen dienen uitgedreven te worden door heldhaftige priesters. Maar neen, absoluut geen ‘Exorcist goes Teutonic’, maar een rauw realistisch gefilmd drama naar het waargebeurde en o zo tragische verhaal van de 21-jarige Michaela, die lijdt aan epilepsie en een opstormende psychose, wat door haar fundamentalistisch gelovige ouders niet aanvaard wordt als een psychische, maar een religieuze, en dus demonische ziekte. Het hardleerse geloof van de ouders, het onbegrip en het al vroege gevoel van hopeloosheid ten aanzien van de situatie van het arme kind maken van deze film een erg aangrijpende rit, met een desolaat en verpletterend sec einde. Zeker één van de films van het jaar.
Amen.






