Decorte maakt de vreemde keuze om & in het Engels te spelen, wat met zijn accent onvermijdelijk uitmondt in een vreselijke Antwerpse variant ervan. De keuze roept wel vragen op. Moeten we dit stuk in Amerika situeren? Of wil Jan Decorte de Engelse taal louter gebruiken om zo een afstand met het publiek te creëren, bijvoorbeeld omdat hij vanuit een soort van hogere, autoritaire instantie het publiek wil toespreken? Dat had zeker gekund in een goedgekozen Nederlands, een taal waarin Decorte al heeft bewezen wel voortreffelijke teksten te kunnen schrijven, maar dit bastaardtaaltje wekt vooral irritatie op. De korte fragmenten in het Duits zijn alleszins een pak functioneler dan de vloedgolf Antwerps Engels die Decorte over zijn publiek heen gooit, zo getuigt onder meer de zinsnede “Befehl ist kein Befehl” (met een vermanend vingertje naar de rijkswachters die verantwoordelijk waren voor de dood van Semira Adamu).
In alle thema’s die & veel te anekdotisch en vrijblijvend aanhaalt, zit de rode draad van het hele stuk: geweld. De krachtigste illustratie daarvan is niet de tekst, wel het gebruik van de verschillende ‘instrumenten’ die vooraan op het podium liggen. Decorte gebruikt een holle ijzeren paal als gong, blaast op fluitjes en neemt een trom, accordeon, jachthoorn en nog wat andere blaas- en percussie-instrumenten ter hand. De ‘instrumentale’ intermezzo’s tussen de gedeclameerde tekst geven het geheel de structuur van eredienst.
Het is een vertrekpunt met potentieel: een prediker op het toneel die zijn homilie over geweld houdt. In plaats van de liederen zoals die in een katholieke eredienst aan bod komen, zorgt Decorte voor een muzikale opvulling die veeleer primair is – primitief ook – maar wel zeer dicht bij de boodschap van zijn preek zit. Dat hij geen van de instrumenten die hij gebruikt degelijk kan bespelen, is daarom eerder een troef dan een handicap. Maar Decortes preek over geweld is geen donderpreek met hart en ziel. Het is geen verkondiging van de Apocalyps. Er zit zelfs nauwelijks emotie in, of hij brengt die alleszins niet over. Een gevoel van bezorgdheid bijvoorbeeld om waar deze wereld – vol van al dat actuele geweld dat hij aanhaalt - naartoe gaat, ontbreekt volledig. Enkel in de muziek horen we enigszins het geweld, de angst ook, die in combinatie met een sterke tekst iets hadden kunnen overbrengen op het publiek.
Niet dus. Jan Decorte is geen rasacteur, laat staan een acteur die van een zeer middelmatige tekst nog iets goeds kan maken. In een interview met De Standaard vorig jaar zei hij nog: “Ik verbeter mijn werk nooit en ik kijk het nooit meer na. Ik schrijf nooit in het klad. Direct in het net.” Misschien had Decorte dit keer toch maar beter eerst wat vellen kladpapier aangeschaft.
Dan komt Burgaudine, gespeeld door Sigrid Vinks, heel wat beter uit de verf. Op het podium zijn drie rechtopstaande panelen te zien, bedekt met takken. Drie schuilplaatsen, in een wereld waarin het nodig is om op je tippen te lopen, waar angstig zijn dagelijkse kost is. Als een bange wezel komt Vinks’ personage tevoorschijn vanachter de takken waar ze zich verborg. Even houterig als het materiaal waaruit haar schuilplaats is opgebouwd, begint ze te dansen.
Het is wat bevreemdend, een vrouw van tegen de zestig die in zwarte jurk onbeholpen en alleen staat te dansen. Ze doet duidelijk hard haar best, erg sensueel ziet het er evenwel niet uit. Daarvoor is haar personage te opgejaagd, te verstijfd van de schrik, die haar lichaam broos en breekbaar hebben gemaakt. We zien hier iemand op de vlucht, mogelijk in oorlogsgebied. De vrouw sluipt van de ene beschutting naar de andere, laag tegen de grond, behoedzaam. Even geeft ze haar beschutting op om haar verhaal te doen. In tegenstelling tot Jan Decorte, doet Sigrid Vinks dat wel met veel gevoel en emotie.
Opnieuw speelt muziek een zeer belangrijke rol. De muziek - een Lied à la Schubert, door een tenor gezongen – schalt door de boxen. Zeer aandoenlijk is de choreografie die Vinks hierbij uitvoert. Net als Decortes personage geen accordeonist was, is dat van Vinks geen danseres. Even primitief als zijn muziek zijn haar bewegingen. Ze krimpt ineen en begeeft bijna onder de doordringende muziek die haar eigen verscheurdheid blootlegt.
Tekstueel is ook Burgaudine veel te zwak. De titel wordt in het begin vingerdik verduidelijkt via de Engelse vertaling, mother of pearl. Verder doet de Franse tekst (met Engelse fragmenten) qua vocabularium een beetje denken aan de Franse poètes maudits uit de tweede helft van de negentiende eeuw, dit zonder evenwel ook maar in de buurt te komen van hun poëtische zeggingskracht. Bovendien is het Antwerps Frans van Sigrid Vinks zowaar nog ergerlijker dan het Engels van haar echtgenoot. Gelukkig maakt zij dat wel goed door haar niet-talige spel. Wanneer Vinks op breekbare wijze helemaal alleen op dat grote podium een integrale Dancing Queen van ABBA ten berde brengt, valt op hoe pijnlijk contrasterend zo een happy tekst werkt bij een personage als het hare. Burgaudine is vormelijk en zintuiglijk veel genietbaarder dan &, maar mist een inhoudelijk een stevige poot om op te staan.
“Salut les copains”, zo beëindigt Vinks haar monoloogje. Wat we gezien hebben was maar theater, we kunnen weer verder met onze levens. Podiumlichten uit, zaallichten aan, ogen weer op de dagdagelijkse beslommeringen gericht. Zo stuurt Decorte ons weer de wijde wereld in, blijkbaar zonder enige bekommernis of er al dan niet iets van deze voorstelling bij het publiek blijft hangen. Het ei is gelegd. Wanneer men er niet meer naar omkijkt is het echter snel gebroken.
Gezien op donderdag 19 oktober in STUK, Leuven.
CREDITS
Tekst, scenografie en regie: Jan Decorte
Met: Jan Decorte en Sigrid Vinks
Productie: Bloet vzw
Met de steun van Kaaitheater.






