‘Ceci tuera cela’ draait in essentie om de notie van het monument, de entiteit die een herinnering kan vasthouden en een gedachte kan uitspreken. Plat gesteld, is Hugo geïnteresseerd in de betekenisdimensie van de architectuur, en gaat hij er van uit dat, tot de uitvinding van de boekdrukkunst, die dimensie in de architectuur even vanzelfsprekend aanwezig was als in de boeken die na dat cruciale moment worden verspreid. Meer nog, volgens Hugo is de architectuur zelf ontstaan omdat de mens herinneringen wou externaliseren en uitdrukken; bij Hugo geen primitieve hutten of imitaties van vogelnestjes – architectuur is in essentie monumentaal, en wanneer monumenten niet langer van steen moeten zijn, sterft de architectuur.
Het Oase-nummer over architectuur en literatuur, stelt scherp op de periode die een kleine eeuw na Hugo aanvangt, vanaf de vroege twintigste eeuw. In deze periode, zo stelt de inleiding van het nummer, is het overduidelijk geworden dat de literatuur en de architectuur de wereld verschillend benaderen. Geconfronteerd met tot dan toe onvoorstelbare gebeurtenissen en cataclysmen, zoals de eerste wereldoorlog, en zowel bedreigd als gefascineerd en gemotiveerd door een steeds verder voortijlende moderniteit, gaan de literatuur en de architectuur elk hun weg om, op de een of andere manier, in deze nieuwe, en door nieuwheid gekenmerkte, omstandigheden te overleven en productief te zijn. De twee-eenheid van literatuur en architectuur die Hugo haast dwong om de ene de andere te doen doden, is nu opgeheven: als pas gescheiden siamese tweelingen staren architectuur en literatuur, elk van hun kant, verdwaasd de moderne wereld in het gelaat. Een wereld, bovendien, die misschien helemaal geen literatuur of architectuur nodig heeft.
Zoals de inleiding betoogt, en wat het nummer in z’n geheel goed aantoont, is dat de relatie tussen literatuur en architectuur nu per definitie veelvormig is en, vooral, indirect. Het lijkt niet langer mogelijk, en zeker niet wenselijk, om uit te gaan van een eenvoudige analogie tussen architectuur en literatuur. Zoals wordt aangegeven, leek de aanwending van literaire “materialen en technieken” door een aantal architecten uit de jaren 1980 even op een interessante uitweg uit functionalisme of historicisme, maar, aldus de inleiding op dit nummer, dergelijke pogingen bleven marginaal, om vervolgens langzaam weg te kwijnen in de kweektank van het architectuuronderwijs.
Wat kunnen literatuur en architectuur dan voor elkaar betekenen; of, misschien preciezer, wat kan literatuur vandaag voor architectuur betekenen? Mijns inziens presenteert dit Oase-nummer twee hypothetische antwoorden op deze vraag.
Een aantal bijdragen aan dit nummer betogen of suggereren dat literatuur beter toelaat om aandacht te hebben voor, inzicht te verwerven in, en productief om te gaan met bepaalde aspecten van de realiteit, zoals het zintuiglijke, de ervaringsdimensie, de echo’s van complexe geschiedenissen, … dan de architectuur. Architectuur is steeds gedreven door een project, fixeert zich in een plan, is stom; de literatuur, vrij van de illusie van het project, haakt in op een gedeelde ervaringswereld die per definitie meervormig, complex en subjectief is; precies daarom is de literatuur een uitstekend seismograaf van de beleving van de gebouwde omgeving. Daarenboven zoekt de twintigste-eeuwse literatuur naar vormen en technieken die precies de meervormigheid van de moderne ervaring uitdrukken of weerspiegelen, en lijkt ze zo vat te krijgen op een realiteit waarbinnen de architectuur steeds ambitieus maar ook hulpeloos zichzelf staat te zijn.
Als volgens deze eerste hypothese, misschien iets te lapidair gesteld en toch enigszins paradoxaal, de literatuur beter dan de architectuur toegang geeft tot de niet-talige aspecten van onze realiteit, dan luidt de tweede hypothese als volgt: de literatuur biedt aanknopingspunten om de betekenisdimensie van de architectuur opnieuw vorm te geven. Volgens deze hypothese kan de architectuur weer leren spreken als ze zich spiegelt aan de literatuur. Monddood gemaakt door het modernisme en de verafschuwing van het ornament, of van referentiepunten beroofd door ‘het einde van de grote verhalen’, moet de architectuur in de literatuur op zoek gaan naar gedachten, associaties, interpretaties die zich, als inscripties of scenografieën of programma’s in haar lichaam vastzetten, en haar aan de verstomming onttrekken. In de termen van Hugo uitgedrukt, als de literatuur de architectuur heeft gedood, kan ze haar even goed weer nieuw leven inblazen.
De vraag die dit nummer oproept, is of de eerste en tweede hypothese verenigbaar zijn: of een ‘literaire’ omgang met de werkelijkheid, in de architecturale analyse en het architectuurontwerp, aanleiding geeft tot het openbloeien van een typisch literaire betekenisdimensie in diezelfde, al dan niet ontworpen, werkelijkheid. Soms schemert in dit nummer de suggestie door dat, als de architectuur kan ophouden met ‘alleen maar’ architectuur te zijn en zich openstelt voor wat de literatuur te bieden heeft, er ook in de architectuur zelf nieuwe en tot nu toe onbenutte mogelijkheden ontstaan, die aangrijpen op die aspecten van onze ervarings- en denkwereld waar de architectuur anders vaak aan voorbijgaat. Dergelijke suggestie steunt zich op de gedachte, die in dit nummer een paar keer wordt verwoord, maar ook herhaaldelijk wordt genuanceerd, dat architectuur en literatuur fundamenteel van elkaar verschillen als een productieve en een reflexieve activiteit. Bijgevolg zou de reflexiviteit van literatuur soms een verrijking van de architectuur kunnen betekenen, net zoals een reflexieve auteur anders te werk zal gaan dan een auteur die uit is op productie of affirmatie.
Het lijkt mij alvast perfect denkbaar om zowel de reflexiviteit van de literatuur, als de productiviteit van de architectuur (van elke architectuur) te relativeren. Beroepen we ons voor een laatste maal op Victor Hugo (die per slot van rekening mee aan de wieg van de moderne roman stond), dan zien we dat in zijn visie de literatuur pas zinvol en belangrijk wordt wanneer ze zich bedient van het project dat intrinsiek de eigenheid van de architectuur bepaalt. De inverse relatie, die in dit nummer herhaaldelijk aan de orde komt, waarbij de architectuur zich van de literatuur moet bedienen, is dan ook meer dan een vrijblijvend voorstel voor een mogelijke synergie tussen literatuur en architectuur. Het poneren van die inverse relatie impliceert dat de architectuur ergens, ooit, een pijnlijke dood is gestorven en zich van veel wat wezenlijk is heeft afgesloten. Zo bekeken rest, bij mij althans, de vraag of die dood ook werkelijk is, of een literaire fictie.
Reactie op Oase 70, Brussel, Passa Porta, 20 oktober 2006.






