
In 1977 migreerde Kundera, op de vlucht voor het onsympathieke regime, vanuit Praag naar Parijs. Eenmaal in Parijs bezoekt hij een tentoonstelling waar Three Studies of Henrietta Moraes (1969) hangt. De triptiek imponeert. Bacon sleurt met een brute hand een vergeten herinnering, een misplaatst verlangen, uit Kundera. Kundera publiceert meteen zijn misplaatst verlangen in het tijdschrift L’Arc - het vormt de basis van zijn later werk Boek van de lach en vergetelheid.
‘Een beroemde schrijver ontmoet in een geleende flat een meisje. Niet voor een amoureus afspraakje, maar om een gezamenlijke strategie te bepalen ten aanzien van de geheime politie, die hen volgt. Normaal is het meisje een toonbeeld van zelfbeheersing, maar nu heeft de angst haar opengesneden, als de gespleten romp van een vaarskalf aan een slagershaak. En ineens voelt hij het absurde verlangen in zich opkomen om haar te verkrachten.’
Bacon leest het artikel en bazuint rond dat het een van de weinige teksten is waarin hij zich herkent. Door hun wederzijdse appreciatie, hoewel ze elkaar nooit ontmoet hebben, schrijft Kundera, vier jaar na Bacons dood, een essay annex het voorwoord van Portraits and selfportraits.
Beide mannen worstelen met de vraag “wat is een mens?”. Beide onderzoeken de grenzen van het ik. In welke mate is de mens een individu, en in welke mate een onderdeel van de massa?
Kundera weegt Bacons visie – en tegelijkertijd zijn eigen visie – af tegenover Beckett, Husserl, Picasso, Shakespeare, Tolstoj,…
Het essay draait niet rond de pot: Je hebt twee soorten mensen. Enerzijds de mensen die een vrije wil opeisen en anderzijds mensen die totale determinatie proclameren. En daartussen? Wel daartussen positioneert Kundera zich – net als Bacon, Beckett, Husserl, Picasso, Shakespeare, Tolstoj, enzovoorts.
Het brute gebaar van de schilder
Milan Kundera
Amsterdam, stichting Voetnoot, 2006
prijs €7,00
36 bladzijden
ISBN 9071877957






