Ach, Paris wist ook dat welke beslissing hij ook nam, het achteraf de verkeerde zou lijken. Met Parijs is dat niet anders: elke keuze eist hoe dan ook een te hoge ‘tol’. De tien euro voor een bezoek aan de tentoonstelling “Il était une fois Walt Dinsey” in Les Galeries nationales du Grand Palais is daar geen uitzondering op.
De tentoonstelling gaat op zoek naar de visuele inspiratiebronnen van de Walt Disney producties. Een onderwerp dat aan elke commissaris waanzinnig veel mogelijkheden biedt: Disney spreekt een reusachtig deel van de bevolking aan, tot en met de kleinsten. Het had dus een leuk excuus kunnen zijn voor menig ‘kleine dropjes’ om hun eerste pasjes in een museum te zetten. Op dit vlak heeft de tentoonstelling echter niet zo veel te bieden: het Disneygedeelte had je in elke speelgoedwinkeletalage kunnen bewonderen. Men heeft er voor geopteerd vooral ‘action figures’ en filmstills op groot formaat te exposeren, meer dan de originele tekeningen van de illustratoren. Wat de schilderijen betreft zou onze kleine hummel met nieuwsgierige ogen een toch wel zeer eenzijdig beeld krijgen van de wereld van de verfborstels. Negentig procent van de kaders tonen negentiende-eeuwse werken, bijna allemaal symbolistisch met een romantische zweem.
Wat de geprojecteerde films betreft, zit het grote publiek dan weer met het probleem dat ze de werken hoogstwaarschijnlijk niet kennen: ‘Golem’ van Paul Wegener, ‘Faust’ van Murnau, ‘das Wachsfigurenkabinet’ van Leni, enz. zijn niet echt wijd en zijd bekend.
Een mogelijke oorzaak zou kunnen zijn dat de tentoonstelling ervoor koos niet zozeer het grote publiek aan te spreken, maar een grondig essay neer te poten over het samenspel tussen kunst(enaar) en illustrator. Ook op dit vlak raakte ik echter al vlug de draad kwijt in de labyrintherige ingewanden van Les Galeries.
Pracht en praal maar een simpele moraalDe tentoonstelling is opgebouwd uit verschillende delen, elk met een klinkende naam die ze stuk voor stuk niet waarmaken.
Het gedeelte over ‘de sage van Walt Disney’ beslaat een handvol foto’s en een paar plakkaten tekst. Ach, een beetje meer mythevorming in Parijs, we slikken het wel.
Hierna verdwijnt de bezoeker achter een doorzichtig gordijn, waar in een magisch blauw schemerende kamer het gedeelte waar de bronnen van de Walt Dinsey-animaties voor de gretige bezoekers voor het grijpen liggen. Als we de cataloog erbij nemen, blijkt dat de tentoonstelling onderscheid maakt tussen verscheidene bronnen: de Europese invloeden enerzijds, literatuur en film anderzijds. Verder vertelt de cataloog dat ook onderzoek werd gedaan naar de decors en architectuur bij Disney. In de zalen van les Galeries nationales waar de roots van de Disney-beeldcultuur uitgesteld liggen, is echter elke vorm van indeling zoek. Alles verdrinkt in het decor waar, zo lijkt het althans, meer aandacht aan is besteed dan een interessant onderzoek… another wasted chance. De Mickey- en sprookjeskasteelsilhouetten in de achtergrond en de pseudo-feeërieke lichtopstellingen hebben als enig doel dat de bezoeker zeker niet zou vergeten dat de tentoonstelling met Disney te maken heeft. Verder valt er niets op aan te merken, behalve dat Tinkerbel overduidelijk haar pot blinkers heeft laten vallen, maar soit, het is haar ROL om onhandig te zijn… Alleen jammer dat ook Disney zijn hedendaagse rol behoudt: veel pracht en praal en een simpele moraal.
Maar voor we het hier te bont maken, er is wel degelijk een interessant spanningsveld te ontdekken tussen kunst en animatie voor wie erin slaagt doorheen de bling bling te kijken. De koningin van sneeuwwitje stamt bijvoorbeeld rechtstreeks af van Gustav Klimmt’s typische vrouwenportret. Ook de simultaanprojecties van Disneyfragmenten met de scènes van de films waarop ze gebaseerd zijn leuk en soms werkelijk verrassend. Maar leuk en verrassend ligt toch nog mijlenver af van “de visuele representatie stamt duidelijk af van werken van haute culture uit de westerse kunst” zoals in het voorwoord van de cataloog gesteld wordt.
Door het decor dat alle bronnen met dezelfde glans omkranst enerzijds en anderzijds het belang van de hoeveelheid aan materiaal, meer dan de historische of wetenschappelijke relevantie wordt vooral de indruk opgewekt dat “de visuele representatie duidelijk afstamt van de visuele cultuur van toen”… maar dat hadden we zelf ook wel kunnen verzinnen.
Waar dan wel rust gekomen is in de fantasia-chaos is het gedeelte “Dali en Disney” en de zaal waar wat hedendaagse werken hangen die Disney op één of andere manier recycleren. Jammer dat dit gedeelte heel klein gehouden is, maar dat is niet het grote probleem. De weinige werken hadden meer kunnen vertellen als ze niet doodgewoon naast elkaar waren opgehangen om passief bekeken te worden. Alleen met mijn ogen en mijn kennis over de twintigste eeuwse kunst begreep ik niet goed waarom Dali voor mijn neus verscheen. Veel verband met Disney vond ik niet. Tot de cataloog toelichtte dat de heer Disney en Dali elkaar ontmoet hebben en nooit gerealiseerde projecten bekokstoofden… en wat doet de ‘Destino-reeks’van Dali dan in Les Galeries?
We kunnen besluiten dat de tentoonstelling over de vader van de hedendaagse kinderverhaaltjes er niet in slaagt haar verhaal te vertellen. Je hebt er absoluut de cataloog voor nodig en ditmaal is er geen sprake van een parisoordeel: 45 euro!
Aux sources de l’art des studios Disney
16 september 2006- 15 januari 2007.






