Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Daan Goor:
Testament, Abattoir Fermé
Blindelings - Blindenrestaurant
Platform van NTGent
Maar geef mij in godsnaam wel een eigen zoon!
U bent mijn moeder door HETPALEIS
DAAR VOORBIJ VALLEN LEVEN EN TIJD NIET MEER TE RIJMEN MET LEEFTIJD...
datum 19.09.2006
auteur Daan Goor
rubriek Podium
In de jaren tachtig is Joop Admiraal een gevierd theateracteur in Nederland. Zijn eerste lof oogst hij met U bent mijn moeder. Een autobiografische solo die dateert van 6 november 1981 en die bekroond wordt met de prestigieuze Louis d'Or. Met een sublieme dubbelrol portretteert Admiraal in dit stuk niet alleen een zoon én zijn dementerende moeder. Tegelijk pleit hij voor het recht op waardig ouder worden én zelfbeschikking. Sien Eggers en HETPALEIS presenteren hun Vlaamse versie op het Theaterfestival in Nederland.
Ongeveer 25 jaar na de eerste voorstelling van U bent mijn moeder, op een vrijdagavond in maart, zal Admiraal zijn nieuwste komedie Uit liefde voor de laatste maal spelen. Dit speelt zich een half jaar eerder af, in dezelfde zaal van de Amsterdamse Bellevue als waar de recente Vlaamse bewerking door HETPALEIS aan het Nederlandse publiek van het Theaterfestival 2006 voorgesteld wordt. Zaterdagochtend zal Admiraal reeds vreedzaam gestorven zijn. Ten gevolge van een hartstilstand, op 25 maart jongstleden. Het NRC Handelsblad prijst hem die maandag erna als een ‘broze bedachtzame engel’. Kan er een half jaar na dit overlijden nog sprake zijn van een ode? Natuurlijk wel. Maar blijft de voorstelling van HETPALEIS met Sien Eggers als moeder én dochter niet slechts een voorbode van een meer overtuigende ode aan het ambachtelijke acteurschap van deze man?   

Niet alleen de Vlaamse bewerking door HETPALEIS van U bent mijn moeder, ook de verfilming van het oorspronkelijke toneelstuk door Jan Ritsema in 1984 wordt eerder op de dag in dezelfde zaal van de Bellevue getoond. Joop Admiraal ziet er met zijn naalddunne benen bijzonder tenger en feminien uit. Onder zijn hoog voorhoofd pronkt een koppel grote ogen. Zijn beheerste gebaren vertragen waardig wanneer hij in de huid van zijn bejaarde moeder kruipt, wanneer hij zich met een natuurlijke verbeeldingskracht tussen haar rimpels heen beweegt. Tegelijk intiem en afstandelijk, tegelijk hard en soepel. Soms acteert Admiraal volgens het versnelde staccato ritme van een slinger, van de krachtige vuurvaste intonatie van de dochter naar de krakende maar heldere stemtrilling van de moeder. Gaandeweg merken we als toeschouwer dat de verschillende overgangen tussen beide personages haast vervagen. In het beste geval staan we versteld van het uitzonderlijk zorgvuldig en teder vakmanschap van Admiraal.   

Met een grote koffer naast haar staat Sien Eggers te wachten op de schemerige scène. De eerste lichtinval onthult een sjofele dochter die op de grond omringd wordt door enkele speelse krijttekeningen. Achter haar, verheven op een hoge, grote sokkel, prijkt een orgel. Achter dit machtige instrument heeft een musicus (Yves Senden) plaatsgenomen die de eerste noten aanslaat waarmee de voorstelling aanvangt. Niet alleen de tekeningen en het orgel, maar ook het typische Vlaamse taalgebruik en de keuze voor een dochter in plaats van een zoon, zijn specifieke bewerkingen door Stefan Perceval van Admiraals originele stuk. Eggers verleent met een ijzersterke présence als het ware een intiem, kleinschalig karakter aan het scènebeeld. Haar tekst zelf is grotendeels hetzelfde gebleven, op enkele plaatsnamen na. Zo vertelt ze onder meer over haar voorliefde voor het openbaar vervoer en over haar moeder naar wie ze nu op weg is voor een bezoek in de ‘kliniek’. De eerste maal dat Eggers de gedaante van haar moeder aanneemt, staat ze met de rug gekeerd naar het publiek. Zachtjes gekromd en licht bevend. Wanneer ze zich omdraait blijkt haar gelaat verzakt, onder een grote antieke bril, en haar uitdrukking vervallen. ‘Wie is daar?’ – kreunt ze nieuwsgierig. ‘Uw dochter’ – laat ze even later wat vlotter van de tong glijden. Ook in de film van Ritsema keert Admiraal als de zoon aanvankelijk de camera de rug toe. Over het lege bed van zijn moeder heen gebogen ontstaat er een eerste gesprek waarin hij even vinnig, maar toch met een meer nauwkeurige en beklijvende tongval van personage wisselt.   

Dat de toneelvoorstelling van Admiraal niet zomaar de ontmoeting van een dementerende vrouw en haar kind portretteert staat buiten kijf. Ook de vraag ‘wie ben ik?’ vat U bent mijn moeder niet zomaar samen. Het spreekwoord ‘zo moeder, zo dochter’ gaat al zeker niet op, daarvoor verschillen jong en oud te veel van elkaar. Of toch niet? ‘Je verandert weinig als je ouder wordt’, zei Admiraal tweeëneenhalf jaar geleden. ‘Je ogen tranen als het waait, dat is vervelend. Maar verder blijf je altijd dezelfde. Op je twintigste heb je geen zin om af te takelen en dood te gaan. Op je zeventigste heb je daar nog steeds geen zin in’. Geen zin om af te takelen betekent niettemin de dood als het einde van een leven, als een vreedzame wijze om een einde te maken aan een lijdzaam mensenleven, niet te onderkennen, en desgevallend zelfs te bevestigen. De woorden van Admiraal ‘ik voel me zo licht worden’ uit de verfilming van Bernlefs Hersenschimmen aanvaarden het laatste moment van een onschuldige, dementerende man zonder enige doodsangst of verbittering. De gelijknamige theatervoorstelling van Guy Cassiers, die ook geselecteerd werd voor het Theaterfestival 2006, illustreert deze woorden letterlijk wanneer het decor zelfs begint te zweven. In U bent mijn moeder uit Admiraal het respect voor het leven van zijn moeder door haar een zachte dood toe te wensen. Deze wens vormt bovenal een voorwaarde voor de verstrengeling van zoon en moeder op scène, voor de kinderlijke trekken van de moeder en de zwaarwichtige verantwoordelijkheid die de zoon te beurt valt. Misschien zal hij het zijn, die tijdens dit doordeweekse afscheidsritueel over het leven van zijn moeder moet beslissen. Deze wens en de gevolgen ervan voor de verhouding tussen kind en moeder worden in de bewerking door Perceval in opdracht van HETPALEIS op zijn minst onderkend. De echte harde woorden uit de oorspronkelijke tekst worden zelfs miskend, want uiteindelijk stelt Admiraal als de zoon ‘dat moeder beter dood kan zijn’. Dat Perceval voor een dochter kiest, kan op zich niet betreurd worden, integendeel zelfs. Hoewel leven en tijd mooi tegenover elkaar worden afgewogen door de verdienstelijke prestatie van Sien Eggers speelt de leeftijd haar voor deze rol nochtans parten. Doordat Eggers niet meer van de jongste is, vervaagt het opmerkelijke contrast met de moeder en verschuift de klemtoon in de bewerking van Perceval naar het beeld van een oudere, aftakelende vrouw. Het kind wordt dan slechts een beeld dat herinnert aan het verleden van de moeder. De verschillende overgangen tussen beide personages verlopen daardoor niet altijd even indrukwekkend en vlot. Zowel op het vlak van de stemintonatie als de mimiek intrigeert Eggers niet op dezelfde minutieuze en diepgravende manier als Admiraal in zijn U bent mijn moeder. In de oerversie helt de balans tussen jong en oud juist voortdurend en verbluffend over, van de ene naar de andere kant, heen en weer. Niet de ballast van de ouderdom, niet de levendige herinneringen zijn het belangrijkste, wel de leegte die de ene bij de andere achterlaat. En wel terwijl ze zichzelf opvullen met loze woorden. Want eigenlijk luisteren moeder en kind al lang niet meer ‘echt’ naar elkaar. Tijdens de scène waarin het kind de moeder aankleedt en de moeder zich tegelijk laat aankleden, gebeurt voor het kind alles op een routineuze manier, terwijl de moeder de souplesse van de meest routineuze bewegingen verliest. In de film van Ritsema laat Admiraal duidelijk blijken dat ze eigenlijk niet meer naar elkaar luisteren. De moeder niet, omdat ze alles toch vergeet. Het kind niet, omdat zijn moeder alles herhaalt, omdat hij weet wat ze gaat zeggen en wat ze zal vergeten. En toch kan er sprake zijn van een liefdevolle, zelfs vertederende band tussen de twee. Maar wel voor het gezonde leven zolang dat nog rest. Niet voor dat wat in het verleden reeds verloren werd.

Tussendoor wekken de gevarieerde orgelklanken in de enscenering van Perceval een vreemde cerebrale sfeer. Maar de organist zelf blijft afzijdig boven op zijn platform zitten, met de rug naar het publiek. Af en toe kijkt hij weinig betekenisvol om, maar enkel om op het juiste moment de juiste toon aan te kunnen slaan. Via de instrumentale muziek wordt hij niet echt een tegenspeler voor de gebeurtenissen op scène. Eerder een onbenoembare gids die de toeschouwer en Eggers begeleidt doorheen de wereld van beide personages en er enkele innerlijke snaren van beroert. In een interview duidt Perceval de organist aan als mogelijke vertegenwoordiger van de dood. Maar de invulling van deze figuur blijkt vooral veel te vrij om de specifieke thematiek van Admiraal, zoals afscheid en een waardig overlijden, kracht bij te zetten. Bovendien brengt de inschattingswijze, waarbij hij sporadisch over de schouders heen Eggers in de gaten houdt, weinig verheffing. In een andere voorstelling op het Theaterfestival 2006 in de randprogrammering Fringe, werd eveneens geopteerd voor de nadrukkelijke aanwezigheid van een muzikant. Namelijk in Biest door De Wetten van Kepler dwaalde onophoudelijk een operazanger over de scène. Bij elke monoloog trad deze doodsengel uit de schaduw en vormde een onbestemde tegenstem voor de afschuw die de personages van moeder en dochter tijdens hun dialogen opstapelden. Deze ingreep getuigt van een specifieke keuze. Een vaststelling die niet opgaat voor het gebruik van het orgel in U bent mijn moeder van HETPALEIS.

In Biest lijkt de dreiging van de dood veel indringender aanwezig, vooral omdat de dochter haar moeder werkelijk dood wenst. U bent mijn moeder daarentegen handelt over waardig sterven. Joop Admiraal zelf ging negen jaar lang op bezoek bij zijn moeder die dement aan het worden was. ‘Ik hoopte toen dat ik niet zou hoeven doorstaan wat zij doormaakte,’ zo liet hij twee jaar geleden in het NRC Handelsblad optekenen, ‘en ik hoop dat nu nog steeds’. U bent mijn moeder is geen vertederend portret van een dementerende vrouw en haar kind, maar een stille kreet voor een waardig levenseinde, een oprecht pleidooi voor euthanasie. Tijdens de bewerking van HETPALEIS blijkt de moeder plots alleen in haar kamertje gestorven. Ze heeft dan maar zelf de beslissing genomen de dood te verwelkomen.

Verfilming van het theaterstuk dat Joop Admiraal voor het Werktheater solo op de planken bracht (1981) gezien op 6 september 2006 in Theater Bellevue Amsterdam, Theaterfestival Nederland / TF-1 (randprogrammatie)
Voorstelling door HETPALEIS gezien op 6 september 2006 in Theater Bellevue Amsterdam, Theaterfestival Nederland / TF-1
Voorstelling door De Wetten van Kepler gezien op 7 september 2006 in De Brakke Grond Amsterdam, Theaterfestival Nederland / TF-2 Fringe

CREDITS

U bent mijn moeder door het Werktheater(film)
Regie: Jan Ritsema (1984)
Met: Joop Admiraal

U bent mijn moeder door HETPALEIS
Tekst: Joop Admiraal
Bewerking en regie: Stefan Perceval
Spel: Sien Eggers
Live-muziek: Yves Senden
Vormgeving: Jan Strobbe
Lichtontwerp: Chris Vanneste
www.hetpaleis.be

Biest door De Wetten van Kepler
Tekst: Herman van de Wijdeven
Regie: Jos van Kan
Spel: Marlies Hamelynck en Wendell Jaspers
Zang: Jan Kullmann
Compositie: Wiebe Gotink
Dramaturgie: Berthe Spoelstra
www.wettenvankepler.nl
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie