Op de uitgestrekte leegte van de speelvloer ligt een jonge, licht kalende man (Peter Monsaert). Zwart gekostumeerd. En zijdelings met een bekertje tegen het oor op zoek naar geluiden. Vooraan in het midden zien we een dun laagje gruis, rechthoekig bij elkaar geharkt. Achteraan rechts, een rij zakken met kattenbakkorrels. Links, een tweeënhalve meter hoog staketsel dat aanvankelijk als doorgang, of toegang tot de scène gebruikt wordt.
Vanuit deze opening stormt plots een klassiek geklede jongeman het midden van de scène op. Verwijtend wijst hij naar het laagje gruis op de grond. ‘Madame Bontinck! Uw katten hebben weer naast de bak gekakt!’ Een meesterlijk gedreven Jan Sobrie speelt Jan, een wereldvreemde eenzaat en verkrampte egoïst die de dienst uitmaakt als conciërge van een appartementsgebouw. Met het achterhoofd in de nek en een half geronde hand naast de mond richt Jan een tirade tot een van zijn bewoners. ‘De kak naast de bak is inderdaad van uw katten!’ Vinnig rijmelend met een venijnige intonatie beschimpt Jan een zekere Madame Bontinck. Er reageert niemand. Traag duwt Jan dan maar zelf de handen het water in, tot en met de onderkant van de mouwen, die uiteraard kletsnat worden. Met een angstaanjagend getormenteerde gelaatsuitdrukking begint hij te vegen en schraapt de kattenkorrels zuinig en zorgvuldig weer samen tot de zuivere rechthoek van zonet.
De gekostumeerde man die in het gebouw geluiden opvangt, blijkt Peter, de broer van Jan. Wanneer Jan het gebouw even verlaat, kan Peter de bewondering voor zijn broer en het geslacht Van Hecke nauwelijks intomen. Na een auto-ongeluk lieten hun ouders jammerlijk het leven. Hun zonen lieten ze halsoverkop een ander leven na. En een verleden waarin ze zich met opgekalefaterde herinneringen staande houden, zoals die van de pennenhouder die Peter ooit voor Jan eigenhandig geknutseld had of van De Moor die door de voorruit van de wagen vloog.
Waar de relatie van de twee broers een bijzondere, maar weinig evenwichtige bloedband ontbloot, daar verleggen Jan Sobrie en Peter Monsaert met hun verbluffende enthousiasme de grenzen van het spelplezier, van ‘het spel dat je evengoed kan verliezen’. Op zulke momenten brengen ze elkaar als speler met een lichaam perfect in beeld en in balans. Zo klakken ze opeens en onverwacht onder rituele begeleiding van luid elektronisch gedreun en lichtflitsen als dollemannen met hun hakken op de speelvloer. Dat Jan Sobrie het duo als inspirerende aanzet voor een voorstelling waardeert, merken we reeds op uit Zolderling, gemaakt voor Bronks, in samenwerking met Antigone, en geselecteerd voor het Theaterfestival 2003. In dit stuk schetsen Jan en Joris de moeilijke, maar noodzakelijke en zelfs nastrevenswaardige band tussen twee vrienden. Waar de vriendschapsband in Zolderling als voorwaarde voor een vertrouwensrelatie boven de band met gezin en familie wordt verkozen, daar plaatst Fimosis nauwkeurig het accent op het benauwende mentale isolement van twee excentrieke broers, Jan en Peter.
Peter stelt zijn leven in het teken van dat van Jan. Van zijn kant echter leeft Jan enkel voor het appartementsgebouw en probeert hij zijn ego aan de hand van de vergane grandeur van dit gebouw op te meten. Peter lijkt zichzelf dan weer te vergeten terwijl hij het leven van zijn broer als groots voorstelt, voornamelijk tijdens een ode die uitmondt in een opsomming van weergaloze superlatieven. Jan is eerder bezig zijn broer te vergeten, dan dat hij zelf verder leeft. Het appartementsgebouw is zijn leven. Maar zijn als werkwoord veronderstelt een passief en lijdzaam ter plekke verblijven. In die zin kan Jan niet zomaar een conciërge genoemd worden, eerder een conservator; hij bewaart het huis. Jan wil een huisbewaarder zijn die de tijd in het gebouw als het ware zelf conserveert en daarbij conservatief vasthoudt aan verworven zekerheden zoals de overtuiging dat de huidige kabels van de lift beter zijn dan welk nieuwe merk dan ook. Introvert en pessimistisch staat Jan afstandelijk stil in zijn gebouw, met zijn extravagant optimisme wil Peter daarentegen onstilbaar vooruit.
De vertrouwde, maar statische wereld van Jan raakt geleidelijk ontwricht onder invloed van Peters aanwezigheid in het appartementsgebouw. Het lijkt alsof ze hun kindertijd weer herinneren en allerlei dolle fratsen willen uithalen. De scène waarin beiden met een winkelwagen rondtollen, met Peter onderaan en Jan erin, kan als uitspatting gelden voor de wervelende wijze waarop Peter Jan wil losweken van zijn eigen wereldje. Peter probeert zelfs een date voor zijn broer te regelen, maar deze daad kent een dubbele bodem. Telkens wanneer Jan als tiener verliefd werd, maakte Peter het desbetreffende meisje letterlijk ‘warm’ voor zijn broer, of beter voordat zijn broer nog maar de kans kreeg avances te maken. Peter ging met andere woorden zelf met het meisje aan de haal en kuste haar op het kerkhof. Deze bitterzoete herinnering wil Peter echter compenseren door Jan te motiveren en aan te moedigen zelf te snoepen van de liefde en het zoete leven. ‘Je moet zelf je menu samenstellen’, zou hun vader volgens Peter zo vaak beweerd hebben. Jan moet uit zijn isolement weten te breken, zowel fysiek als mentaal.
De titel en de term fimosis kunnen dan op een fysiek niveau letterlijk verwijzen naar een onfortuinlijke vernauwing van de voorhuid, waardoor elke opgezwollen vorm van genotsdrift het lichaam met pijnscheuten doorzeeft. Plots wordt stilte in de zaal gevuld door een ijle stem, afkomstig van het geanimeerde figuurtje op een signaalbord voor de nooduitgang. Het blijkt een soortgelijke, maar iets schellere boodschap dan die van Peter te verkondigen. ‘We moeten vooruit!’ Vooruitgang is geen nooduitgang meer. De ironie van het geïndexeerde teken suggereert een priapische afwijking van de penis. Het figuurtje van het nooduitgangbord krijgt de pijl niet meer de juiste richting ingedraaid, tenzij dan als een ondubbelzinnige fallische vooruitwijzing, weg van de nooduitgang. Stilstaan heeft geen zin. De driften van het lichaam opvolgen misschien wel? De drift wekt slechts pijn wanneer de penis opwelt in het geval van ‘fimose’. Mits de vereiste elasticiteit dan, van lichaam én van geest.
Op een mentaal niveau bezint Fimosis dan weer op het herkenbare, maar al te enge omgevingskader waarbinnen maatschappelijk geleefd wordt en op het geestdriftig verder borduren op verwaarloosbare details dat als een hopeloos verstorven ingesteldheid geschilderd wordt. Zowel stilstand als vooruitgang zorgen voor stof. Het ene laat het oplaaien boven de grond, het andere bedekt er elke oppervlakte mee. Dat het isolement niet alleen mentaal, maar ook fysiek in stand gehouden wordt binnen het appartementsgebouw, blijkt niet alleen uit de hilarische worsteling van Jan om zich, na de losbandige werveling, uit het winkelwagentje te wringen, maar ook uit de ironische representatie van enkele inwoners. Het staketsel dat als doorgang tot het gebouw en de scène gold, wordt centraal gemobiliseerd. De glazen flank van deze doorgang bestaat in vooraanzicht uit verschillende compartimenten met een grootte van iets meer dan een vierkantenmeter. De benauwende hokjesmentaliteit krijgt fysiek gestalte wanneer Jan een drietal karakteristieke, maar bizarre bewoners nuchter en zakelijk voorstelt en Peter elk geval een voor een, telkens achter een ander, klein raampje, treffend simultaan uitbeeldt. Zo herkennen we eerst de pose van een prostitué, daarna een getraumatiseerd oorlogsslachtoffer en tenslotte een blinde die voortdurend een flits in de richting van het publiek laat afgaan en op die wijze fotografisch wil vasthouden aan het herinneringsbeeld van de geboorte van zijn kleinzoons.
Naarmate het einde van de voorstelling nadert, blijkt de vraag of de gebroeders Van Hecke een duo dan wel een ego in stand houden niet volledig uit de lucht gegrepen. Alles wat er op scène gebeurt of door de personages herinnerd wordt, staat namelijk in direct verband met Jan. Peter leeft uitsluitend nog voor Jan, die zelf slechts bij gratie van zijn gebouw bestaat. Ook de geluiden die Peter zoekt, houden in die zin onrechtstreeks verband met het leven van Jan. Deze zouden afkomstig zijn van een ‘boktor’, een bepaalde keversoort die de houten onderdelen van het appartementsgebouw volkomen wegvreten. In een van de laatste sequensen moet Peter bovendien terloops nog bekennen dat hij eigenlijk reeds 15 jaar dood is. ‘Aangezien de eeuwigheid reeds lang afgeschaft werd,’ zo stelt hij overtuigend, ‘krijgt de mens na zijn dood blessuretijd om alle fouten recht te zetten’. Deze ongeloofwaardige opgave probeert hij tijdens de voorstelling oprecht tot een goed einde te brengen. Voor elk meisje dat hij Jan afsnoepte, heeft Peter telkens een jaar extra tijd gekregen. Verontwaardigd beweert Jan hier niets van te weten. Toch vergeeft hij Peter, ondanks het verbijsterende besef dat vergiffenis zijn broer voorgoed uit het leven zal wegrukken. Weifelend nemen ze afscheid. Slechts herinneringen van voorbijgaande aard herleefden de voorstelling van zijn broer als een al te werkelijke droom, als een rouwproces voor de verwerking van diens dood. De schimmige beeltenis van zijn broer Peter, geprojecteerd op een met schuim ingezeept raam van het staketsel, wordt door Jan met een aarzelend handgebaar weggeveegd.
In Fimosis worden de figuren van Jan en Peter met een fijnzinnige komische omlijsting uitgewerkt. Zo blijft de menselijke tragiek van de karakters angstaanjagend herkenbaar, niet ondanks, maar net dankzij hun vele neurotische trekken. Waar Peter een flamboyante flapuit is, blijft Jan een asociale angsthaas en een cynicus die elke vorm van subversie of vernieuwing probeert te neutraliseren. Stilstand en vooruitgang typeren het benauwende isolement waarin de broers overleven, strak gehouden als een weinig rekbare voorhuid. De gevarieerde stijl maakt van Fimosis een veelvuldig gelaagde voorstelling die, voorbij elke strikte genrebepaling, noch koldereske opera noch knutselwerk schuwt. Improvisatie en verdieping door repetitie lijken hand in hand te gaan. In dergelijke zin blijkt de brandende lamp op het staketsel misschien toch iets te heet om als microfoon te gebruiken. En waar het winkelwagentje plezier en vertier oplevert, worden dezelfde draaibewegingen met het grootschalige staketsel een heus waagstuk en zelfs hachelijk huzarenstuk. Beide spelers drijven hun figuren doorheen de voorstelling als het ware op de spits. De nauwkeurigheid waarmee zowel Jan Sobrie als Peter Monsaert, niet louter aan de hand van de eigen voornaam, de figuren van beide broers opvullen en vormgeven werkt voortreffelijk benauwend. Fimosis kan dan als term gebruikt worden om aan te duiden dat het de acteerprestaties injecteert en het lichaam, in het bijzonder van Jan Sobrie, koortsachtig infiltreert. Als huisbewaarder en als broer gaat Jan steeds heftiger te keer. Slechts barsten verschijnen in zijn façade. Van een soort uitbarsting tot een farce kan er geen sprake zijn. Genitaal spreekwoordelijk impotent, maar wat een geniale potentie. Dat deze veelbelovende jongeling Sobrie inderdaad in het oog gehouden moet worden, bewijst de selectie van Titus door Kopergietery voor de jeugdsectie van het Theaterfestival 2006.
Fimosis ontroert als een hilarische rouwmis. Als een macaber hooglied voor een ontmoeting met het artistieke in het leven van alledag. Niet als hallucinatie, maar als getuige van een benauwende nauwkeurigheid die zich ergens bevindt tussen waan en zin in. Tussen een reeds ontregelde wereld en een wereld die eigenlijk niet ontregeld wil worden.
Fimosis van Theater Antigone gezien op 5 september 2006 in De Brakke Grond Amsterdam, Theaterfestival Nederland / TF-1
CREDITS
Productie: Theater Antigone
Tekst: Peter Monsaert, Jan Sobrie
Spel: Peter Monsaert, Jan Sobrie
Coach: Jos Verbist
Vormgeving: Giovanni Vanhoenacker
www.antigone.be






