Het Amsterdamse Fringe Festival - ook TF-2 genaamd - brengt een randprogramma dat parallel loopt met de officiële TF-1-selectie. Absurd Dubbel, in het kleine maar gezellige Theater Perdu, is daarvan één - of liever, twee - van de resultaten. De voorstelling bundelt de producties Krantenkoorts en MEER. De eerste productie weet zeer aangenaam te verrassen, MEER is buiten enkele grappige momenten heel wat minder hoogstaand.
Krantenkoorts draait rond twee naamloze personages, vertolkt door Bernhard Christiansen en Maurits Cornelis. De ene is de zoon van een viswijf (in de letterlijke betekenis van het woord), de andere wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door zijn obsessie voor kranten. Beiden zijn bovenal eenzaam. Hun identiteit ligt grotendeels vast voor het hele stuk, maar elke scène brengt steeds een andere focus op deze identiteit naar de voorgrond. Het stuk begint met een haast ritueel declameren van middeltjes tegen het wegrotten van de darmen. Enkel een paternoster in de hand ontbreekt nog om het plaatje te vervolledigen. Het stuk speelt zich af tegen een decor dat bestaat uit geruite dekens als muur- en vloerbekleding. De multifunctionele inzetbaarheid van de rechthoekige sofakussens die op de vloer verspreid liggen, wordt optimaal benut. Helaas kan het decor van Krantenkoorts het decor van MEER, de tweede productie van de avond, niet helemaal verbergen. Het risico bestaat daardoor dat de toeschouwer afdwaalt van de voorstelling omdat hij zich vragen stelt over de functionaliteit van een deel van het decor (dat eigenlijk niets met de voorstelling in kwestie heeft te maken) waarop hij voortdurend zit te staren.
Na de openingsscène wisselen de twee personages hun alledaagse gedachten uit. Ze beklagen zich daarbij meermaals over de ‘schrijnende’ toestand van de ander. De opeenvolgende scènes zijn volgens eenzelfde patroon opgebouwd, waarbij aan het einde van een scène telkens de vraag naar boven komt of beide personages niet beter van elkaar gebruik zouden maken om zo de eigen ‘schrijnende’ isolatie trachten op te geven. Hoe dat precies in zijn werk moet gaan, is hen niet meteen duidelijk. De krantenmaniak biedt zijn diensten aan als leesmeubel, een ongelukkig voorstel aan de zoon van de visboer, die een ware fobie – krantenkoorts – heeft overgehouden aan de duizenden in kranten gewikkelde vissen die hij als kind heeft zien passeren.
In een ultieme (en extreem grappige) poging om opnieuw aansluiting te vinden bij de maatschappij, proberen deze sociaal onthechte wezens contact te leggen met het publiek. Als waren ze zelf marsmannetjes, begluren de acteurs het publiek als één entiteit. Ze weten dat het wezen dat op de tribune zit niet kan praten. Het kan wel lachen en bovendien ook op een vreemde manier geluid maken door zijn handen tegen mekaar te slaan. Het paradoxale en absurde aan deze scène is de feitelijke omkering van bühne en tribune. Opeens voelt het publiek zich de bekeken buitenstaander, de interessante attractie, de papegaai in het kooitje die een zonnebloempitje krijgt als hij ‘koko’ zegt.
Krantenkoorts eindigt zoals het begint, met een ritueel. Een ritueel zoals vele rituelen, dat in stand wordt gehouden, niet omdat het werkt, maar als een middel om te overleven. Tegen het wegrotten van de darmen, zeg maar. Of tegen het wegrotten tout court. Een vis wordt ritueel opengesneden. Onder Slavische gezangen begeleidt het publiek de voorgangers met het lijk in een dodenmars naar buiten, richting Amsterdamse grachten, alwaar het dier zijn laatste rustplaats zal vinden. Dit verrassend stukje straattheater breit een heel leuk en origineel slot aan Krantenkoorts. De hilarische sfeer die heerst op de begrafenisstoet ter ere van een vis heeft per definitie iets absurds. Zet bij dit alles twee overtuigende acteurs en je krijgt een prachtig absurdistisch stuk, dat op geen enkel moment dreigt te vervallen in nihilisme.
Spande het zeer gesmaakte Krantenkoorts onrealistisch hoge verwachtingen voor MEER? Het zou kunnen. In ieder geval biedt het skelet waarrond MEER is opgebouwd niet voldoende materiaal om een inhoudelijk interessante voorstelling rond op te bouwen. De rode draad doorheen het stuk is de ondergang van een zielige, perfectionistische ambtenaar op het nutteloze Ministerie van In Onbruik Geraakte Spullen. De man leeft voor en op zijn werk. Hij beleeft de hoogtepunten van zijn leven telkens wanneer er een nieuw toestel wordt binnengebracht dat moet worden gestockeerd op het ministerie. Met de machinale precisie waarmee tekenfilmfiguren van Warner Bross dagdagelijkse handelingen uitvoeren, werkt de ambtenaar elk dossier af. Wanneer de teller – die slechts twee cijfers telt – op 99 komt te staan, is het laatste uur van de ambtenaar geslagen. Het magazijn is bijna vol, slechts één doos is nog leeg: de doos waar hijzelf in past. Het ministerie, waarvan hij de enige werknemer is, wordt opgedoekt. De man die steeds ‘nieuwe’ oude spullen binnenbracht, ziet het als zijn morele plicht om het levenswerk van de ambtenaar verder te zetten. De teller komt opnieuw op nul.
MEER levert zeer geslaagde scènes op, maar kan als geheel nooit echt overtuigen. Het Amsterdamse publiek leek er zich niet aan te storen en lachte enthousiast mee, ook met de bijwijlen erg gemakkelijke slapstickhumor. De grappen doen denken aan een mix van invloeden, gaande van een versie van The Office uit de jaren zeventig, over Mr. Bean en Laurel and Hardy tot Looney Tunes of de al eerder aangehaalde Warner Bross tekenfilms. Dat is allemaal wel leuk om eens naar te kijken, maar MEER bundelt te veel van dat alles in een klein uur. Wat we te zien krijgen wordt daardoor nauwelijks meer dan een opsomming van grappige of pseudo-grappige scènes. De serieuze ondertoon die in potentie wel aanwezig is, wordt er te zeer door naar de achtergrond verdrongen. Krantenkoorts gaat veel uitgekookter om met de spanning tussen ‘sérieux’ en humor en weet net daardoor een geslaagd absurdistisch stuk af te leveren. Het tragisch, haast zielig menselijke zoeken naar een uitweg schemert er voortdurend in door. Elke grap vertrekt dan ook functioneel vanuit dat gegeven. Het is net deze terugkoppeling naar het diepmenselijke die veel te weinig wordt uitgespeeld door Spullenmannen, waardoor MEER eigenlijk beperkt blijft tot een interessante vingeroefening.
Krantenkoorts en hun makers verdienen dubbel en dik hun plaats op de podia en zouden wellicht ook door een Vlaams publiek zeer gesmaakt worden. De Spullenmannen hebben duidelijk talent voor dit soort van absurdistische voorstellingen, maar dienen een betere balans te zoeken in hun werk dan hetgeen ze in MEER laat zien.
Absurd dubbel: Krantenkoorts en Meer gezien op 5 september 2006 in Perdu te Amsterdam, Theaterfestival Nederland TF-2 Fringe
CREDITS
Krantenkoorts door Absurd Nederland
Tekst: Bernhard Christiansen
Spel: Bernhard Christiansen en Maurits Cornelis
Dramaturgie: Maurits Cornelis
Regieadvies: Harmen Zijp
Productie: Absurd Nederland
www.koorts.ervaring.nl
Meer door de Spullenmannen
Idee: Harmen Zijp, Jelle de Bruijn, Tristan Kruithof
Uitvoering: Jelle de Bruijn, Harmen Zijp, Robbert Kamphuis
Regie: Stefan van Wieringen
Advies: Klaus Jürgens
Productie: Absurd Nederland
www.spullenmannen.nl






