Op 28 september 1786 arriveerde Goethe, na 37 jaar verlangend wachten, voor het eerst in Venetië. Hij maakte zijn reizen natuurlijk ook om ze een neerslag te kunnen geven in zijn uitvoerige residagboeken – maar als het op Venetië aankomt, is er een probleem. ‘Over Venetië’, schreef hij een dag na zijn aankomst, ‘is al zo veel verhaald en in druk verschenen dat ik in mijn beschrijving niet breedvoerig wil zijn; ik vertel alleen over mijn eerste indrukken. En wat zich dan allereerst aan mij opdringt, is alweer het volk, een grote massa, een noodzakelijk, onwillekeurig bestaan.’ Die bemerkingen – die deels worden tegengesproken door de grote hoeveelheid tekst die Goethe desondanks over de kanaalstad produceert – blijven nu, tweehonderdvijftig jaar later, mutatis mutandis, op een vreemde manier overeind. En als Venetië het stedelijke embleem vormt van de relatie tussen het leven en de kunst, dan zijn de notities van Goethe meteen ook het meest fundamentele oordeel over de (huidige) architectuurbiënnale.
Alles wat er door een mens gezegd kan worden, is noodzakelijkerwijs een tautologie, schreef Borges ooit. Alle woorden zijn herhalingen. Spreken en bouwen, literatuur en architectuur, zijn ook daar naaste verwanten: er kan geen plan gemaakt, getekend of opgeschreven worden zonder dat het ergens ter wereld al bestaat of bestaan heeft. Stemmen als die van Borges of Goethe doen vermoeden dat die zogenaamde ‘volheid’ of ‘af-heid’ altijd al bestaan heeft, of althans toch sinds het begin van de moderniteit. Misschien is de moderniteit wel net de donkere gifwolk – de white noise van de algehele bepaaldheid, die door de turbulentie van het bestaan altijd op een afstandje wordt gehouden, aan de horizon. In elk geval: leren leven is – naar het voorbeeld van een grote Brusselse burgemeester – op kwesties van voorbij-zijn en herhaling, leren antwoorden met twee welgemikte snauwerige woorden – de zwarte kraalogen op oneindig, het hoofd tussen de schouder, en één voet al opgetild om weg te benen: – En dan?

2.
Architecten hebben die twee woorden van oudsher van hun bitsigheid en vraagtekens ontdaan, en in een oneidig herhaalde reeks uitgesproken, als subliem-stomme stotteraars. En dan… en dan… en dan… De projectproliferatie is de kern van de architectuur; de planmanie haar neurose. Als de wereld bekend en bevaren is, het aardoppervlak als werkbank in kaart gebracht en gedocumenteerd, heeft het leven ‘zijn geheim verloren’ – zoals Walter Benjamin schreef over het mannelijk leven na de kennisorkaan die ‘de vrouw’ met zich meebrengt. Architecten hebben die vaststelling van oudsher genegeerd. Hun genetisch materiaal is steeds sterk genoeg gebleken om aan de lopende band serotonine te produceren, en plannen te blijven maken.
Op deze Architectuurbiënnale, samengebracht onder de titel Cities. Architecture and Society, lijkt de frisheid en de autonomie van het architectenbestaan verdwenen – waar is de tijd dat architecten nog een klokkenmakerbestaan achter de rug hadden! Jarenlange inteelt op recepties, in televisiestudio’s en auditoria, heeft de depressie en het besef van de eigen onmacht alomtegenwoordig gemaakt. En als architecten – als de nagenoeg ‘Amerikaanse’ voortrekkers van de mensheid – zich deprimerend gedragen, dan is de mensheid er niet minder dan suïcidaal aan toe.
3.
Ook die vaststelling – of ze nu algemeen geldig is of niet – kan getorpedeerd worden door haar eigen boodschap. Zelfs beweren dat er niets meer beweerd kan worden, is een afgezaagd liedje geworden! Nog geen twee jaar geleden schreef Geert Bekaert in De Witte Raaf al over de Architectuurbiënnale van 2004 dat architecten ‘zichzelf [er] wel in de kijker willen stellen, maar ze zijn niet zeker, noch van het publiek, noch van zichzelf. (…) Waar een leek geneigd is te besluiten met Neil Finn – “Don’t dream. It’s over.”: de tijd van de architect is hopeloos voorbij – gaat het droomfeest gewoon door.’ Als architectuur de lakmoesproef is van de menselijke dradendang, of van de mogelijkheid van een vooruitgang, is de zuurtegraad op de Architectuurbiënnale al jarenlang zo hoog, dat enkel het beroezende van Venetië of van de bijhorende feesten en van het drankgebruik nog redding kan bieden.
Dat architectuur geen materiële plekken meer kan maken zoals het San-Marco-plein, is eveneens een bekend gegeven. Het hoeft geen probleem te betekenen. De laatste decennia heeft architectuur haar ‘publieke lichamelijkheid’ stilaan vervangen door een ‘publieke geestelijkheid’. ‘L’architecture! Comme mon esprit s’y retrouve,’ schreef de modernistische dichter Paul Valéry. Het ‘beschouwen’ van architectuur die slechts op een tweedimensionale of een verschaalde manier nabij is, slaagt erin de publieke kracht van architectuur te redden – en de Architectuurbiënnale van Venetië zou hiervan het beste voorbeeld moeten zijn. Niet meer samen met anderen in (nieuwe) architectuur, maar door architectuur. Het is precies daarin dat de Biënnale (opnieuw) op een decadente manier faalt.
4.
Als men dit kijken naar afwezige of verzonnen architectuur als het collectief staren naar pornografie beschouwt (en dat kan), dan is er in Venetië zelfs geen voorspel aanwezig. De beelden op de hoofdtentoonstelling zijn adembenemend en oogverblindend – ongetwijfeld is het zo dat de zestien grootste wereldsteden nooit of nergens beter in beeld zijn gebracht. Dit is de reality-tv van de architectuur, de Big Brother van de wereld: geen verhalen meer, geen creativiteit, geen theatraliteit – in de plaats: een ‘werkelijkheid’, een documentatie, een orgie van data, een evocatie. De aardbol omspannen door een camera, zoals een vrouwenbeen door een nylonkous. Volgens curator Richard Burdett zou dat moeten volstaan om architecten op te roepen tot ‘verantwoordelijkheid’, ‘dadendrang’, ‘politiek besef’ – tot architectuur dus.
Maar welk zinnig mens zou die grootse totale wereld, die geëstheticiseerde stedelijkheid, nog maar met een vinger willen aanraken? Mooier en ‘echter’ dan om het even welk kunstwerk, en veel succulenter gepresenteerd, spreekt er geen spat verlangen uit de ‘gegooglede’ luchtfoto’s van bijvoorbeeld Dubai, Caïro of Londen. Elk lichamelijk treffen komt voort uit de vaststelling van onvolmaaktheid en versluiering – in het geval van architectuur is dat niet anders. De stad zoals die gepresenteerd wordt op de Biënnale van Venetië is volmaakt, frigide, klaar en ongenaakbaar.

5.
Net daarom faalt de hoofdtentoonstelling. Als tentoongestelde architectuur wil slagen als ‘gedeelde literatuur’, als een ‘boekenbeurs’, dan moet ze het lef hebben om te falen als een aangeboden werkelijkheid – en moet ze de retorische vraag en dan? blijven uitspreken. Ze moet de bindingsangst die elke (lichamelijke) liefde onmogelijk maakt achter zich laten, en de resulterende melancholie (venenum est) van op voorhand al durven omarmen. ‘You cannot protect yourself from sadness without protecting yourself from happiness,’ schreef Jonathan Safran Foer in zijn laatste roman. Als architecten geen plannen maken omdat ze weten dat die plannen toch niets uithalen, dan moeten ze ook niet langer rekenen op het korstondige en wrede geluk van de architectuur – en moeten ze eerlijk zijn en dat epitheton laten vallen.
De retoriek van het aandrijven zoals die door de hoofdcuratoren wordt gevoerd, is hoopvol maar dom – althans in de zalen van het Arsenale. Er is niets mis met het voorstellen van de wereld – daarom werkt de tweedelige catalogus ook zo mooi als volgepropt boek – maar niet in de hoofdtentoonstelling, die toch steeds als een zweepslag zou moeten werken voor de rest van de Biënnale. In de laatste zaal worden nog een aantal vragen gesteld aan de architectuur, maar ook die tekst overstijgt nooit het aura van indrukwekkend behangpapier.
6.
De landenpaviljoens op de Gardini die dat documentaire aspect willen herhalen – en zo zijn er nogal wat – kunnen natuurlijk nooit hetzelfde verpletterende effect bereiken als de hoofdtentoonstelling op de Arsenale. Italië is eigenlijk het enige land dat het appel naar stedelijke architectuur beantwoordt – door een groot stadsontwerp te presenteren, dat als een studentenoefening een werkelijk terrein ergens in Noord-Italië opdeelt in een aantal vakjes voor een gelijk aantal ontwerpbureaus. In het Zwitserse paviljoen maakt Tschumi letterlijk ‘Sloterdijkse’ sferen die hij als luchtbellen op de Caraïben plaatst – terwijl architectuur op zich al sfeervormend is. Nederland duikt in de eigen geschiedenis en presenteert stadsontwerpen die iedereen ongetwijfeld al gezien heeft. Dan zijn er de paviljoens die zelf architectuur proberen te maken, en de bezoeker tot een ‘baron in de bomen’ promoveren – zoals dat van Duitsland of Frankrijk – maar die niet meer kunnen doen dan de grootsheid van de Venetiaanse lagune ontsluiten. Het paviljoen van de Verenigde Staten zoekt ontwerpmatige antwoorden op een concreet probleem: de verwoestingen van de orkaan Katrina. Het past binnen het Amerikaanse project voor de nieuwe eeuw, en werd als dusdanig ook bejubeld door de New York Times.
Het zijn valabele pogingen die desondanks verloren dreigen te gaan in het overheersende gevoel van machteloosheid en evocatie, dat als een deken over de Biënnale en het verzamelde architectuurpubliek ligt. Eigenlijk is dat vreemd – hoe kan het dat architectuur het laatste decennium een primaire culturele factor is geworden, terwijl wat algemeen als de hoogmis van die menselijke bezigheid wordt beschouwd, weinig meer dan een crisissituatie aan het licht brengt? Waar zijn de starchitects die wekelijks de voorpagina weten te halen met hun nieuwste – wel degelijk ‘echte’ en ‘materiële’ – realisaties? Hoe komt het dat de Biënnale niet op die trein springt, alsof de tentoonstellingsorganisatie het toegangskaartje verloren heeft tot haar eigen culturele domein?
7.
Tijdens het openingsweekend traden veel van die wereldberoemde cultuurproducenten met elkaar in debat in het Theatro Tiepolo. Die gesprekken brachten de mondiale tweedeling aan het licht die over de architectuurwereld heerst: het onderscheid tussen discours, onderzoek, debat, the battle of ideas, manifeste theorievorming – en architectuur. Men kan wel reflecteren over wat architectuur is of zou moeten zijn, maar de toepassing ervan op gerealiseerde projecten is altijd problematisch. Dat bleek toen Rem Koolhaas zijns ondanks weigerde om een van zijn eigen realisaties toe te passen op zijn theorievorming over architectuur en de stad. Het bewijst nogmaals dat architectuur ‘kunst’ is geworden, in die zin dat het een verbeelding projecteert van hoe de wereld zou kunnen zijn. Neem de Seattle Public Library van OMA: met manifeste klassieke stedelijkheid of materiële openbaarheid heeft dat gebouw niet veel te maken. Het bereikt wat dat betreft hoogstens de inwoners van Seattle die graag lezen of informatie verkrijgen zonder boeken te moeten kopen – en zelfs dan is het onderworpen aan de wetten van economie, corporate management of city branding. De echte publieke kracht van hedendaagse mondiale architectuur ligt in de multimediale en virtuele verspreiding ervan, en in de nagenoeg ‘pornografische’ maar collectieve verbeelding waarop het aanspraak kan maken.
Het bureau van Koolhaas heeft die splitsing in de eigen rangen doorgevoerd, door een onderscheid te maken tussen het ontwerpbureau OMA en het studiebureau AMO. In het NRC Handelsblad werd de Biënnale een exponent genoemd van de ‘Methode-Koolhaas’: gegevens verzamelen in plaats van bouwen. AMO exposeerde trouwens ook in Venetië met een nieuwe analyse van de toestand in de Perzische Golf, als zoveelste brandpunt van urgente en ‘nieuwe’ stedelijkheid. De afwezigheid van echte architectuur (en dus van OMA) wortelt in een onvermogen tot het besef dat architectuur nooit mondiaal kan zijn, nooit gereproduceerd kan worden, nooit echt grootstedelijke ambities kan hebben – maar altijd lokaal, plaatselijk, sfeervormend op de korte afstand want ruimtelijk moet werken. Het is zoals Peter Sloterdijk schreef in zijn laatste boek (Het kristalpaleis): ‘De laatste bol staat grootschalige constructies alleen toe in het horizontale vlak – wat een enkel hoog gebouw niet uitsluit.’

8.
De Belgische architectuursituatie hinkt wat dat betreft zoals steeds nog achterop. Dat hoeft niet per definitie een slechte zaak genoemd te worden. In een klein land (en klein is het, dat bleek wel uit de installatie in het Belgische paviljoen), of op de korte afstand, kan de tweedeling tussen architectuur en haar representatie wel nog in stand worden gehouden. Stationsbuurtvernieuwingen, verbouwingen, collectieve woningen, villa’s in het groen en culturele centra kunnen gebouwd worden en daarna probleemloos, binnen een kleine gemeenschap, onderwerp worden aan reflectie, receptie of representatie. Het bescheiden Belgische bouwen houdt de ontworteling, die eigen is aan een vergevorderde moderniteit, binnen de perken. De vraag en dan? treedt daardoor nooit in het volle voetlicht, omdat de noodzaak van het menselijke lokale leven architectuur nu eenmaal op een vanzelfsprekende manier noodzakelijk maakt.
Een gooi naar alomvattendheid – zowel theoretisch als materieel – zoals die in Venetië wordt betracht, kan per definitie niets met architectuur te maken hebben. Architectuur heeft intrinsiek niets met de globalisering of met Google Earth vandoen – integendeel: architectuur behelst de domesticering en dus de ontkenning van de (uitgestrektheid van de) wereld. De kleine stad Venetië is daarvan het beste voorbeeld – en eigenlijk is net daarom het organiseren van zoiets als een grote architectuurtentoonstelling op het grondgebied van Venetië per definitie een verloren zaak.
9.
Venetië! Wie is er niet krankzinnig geworden? Thomas Mann, Marcel Proust, Louis Couperus, Daphne Du Maurier (in het door Nicholas Roeg verfilmde Don’t look now) – stuk voor stuk hebben ze bewezen dat de Italiaanse vluchtelingenstad in de lagune een nagenoeg onhoudbare culminatie betekent van de eigenschappen van architectuur. Het San Marco-plein is door John Ruskin terecht de ‘navel van de wereld’ genoemd: het is een vertrekpunt, een doorgeefluik van intense architecturale ervaringen en mogelijkheden. De schoonheid van die publieke plek is zo lichtvoetig, illusioneel en diepgaand en zwaar tegelijkertijd, dat het plein erom smeekt opgevuld te worden met romantische, grote verhalen en gloeiende betekenis. Het is – om die metafoor terug op te pikken – een nymfomane vrouw waar niet mee te leven valt, maar die wel op geregelde tijdstippen en masse bezocht kan worden – en dat geldt voor Venetië (of kunst) in het algemeen.
Hedendaagse architectuur zal nooit evenveel kilometers rillingen kunnen veroorzaken, en al zeker niet bij een even groot publiek. De geschiedenis ontbreekt, net als het structurele en stilistische zelfvertrouwen, en de fluisterende sirenenstem van de moerassige plek. En dan? Als deze Biënnale al iets leert, dan staat dat enigszins los van het discours dat door curator Burdett wordt gevoerd. Ofwel kan architectuur haar ruimtelijke en materiële ambities opgeven en definitief een ‘slijpsteen voor het denken’ worden; ofwel plooit architectuur zich terug op lokale besognes en blijft ze het leven mogelijk maken waar de nood het hoogst is. Niets – en dat blijft het grandioze aan deze menselijke bezigheid, die haar van alle andere culturele producties onderscheidt – staat echter in de weg dat beide opties gecombineerd worden. Want om er voor te zorgen dat de geest zich thuis voelt in architectuur, helpt het nog steeds dat er ook ergens – n’importe où, n’importe quel, n’importe quand – een aantal lichamen zich erdoor ingesloten en omringd weten.
10.
Er is dus niks veranderd sinds de eerste reis van Goethe naar Italië. Hoeveel er ook geschreven is, hoezeer de aarde ook vol is geraakt met gebouwen, de drang naar een ‘noodzakelijk, onwillekeurig’ bestaan blijft bestaan. Daarom zal ook Venetië, alle wanhoopsscenario’s daargelaten, toeristen blijven lokken, en massa’s blijven ‘mobiliseren’.
Hetzelfde geldt voor de Architectuurbiënnale. Het blijft een goede zaak dat die tentoonstelling bestaat, het blijft een vreemd en voor een stuk onverklaarbaar genoegen om zich tweejaarlijks met gelijkgestemden te verzamelen ‘over’ architectuur, om bootgewijze te vluchten naar de vlakbijgelegen ‘echte’ architectuur als de representatie al te zeer de overhand neemt, om dan de ‘crisis’ van de hedendaagse architectuur gezellig en met een Venetiaanse spritz in de hand te betreuren. Het is een onoplosbare cirkelredenering, zoals het leven zelf – die nu en dan, kort, in de werkelijkheid of in de verbeelding, of in het schimmige domein tussen beiden, tot een echte bol geëxtrudeerd kan worden.
foto’s © Nik Naudts
Bekaert, Geert, De Witte Raaf 113, Don’t dream. It’s over (Neil Finn), De Witte Raaf 113
Hulsman, Bernard, Architecten, verbetert de wereld, NRC Handelsblad, Vrijdag 15 september 2006, p.26.
Ourousoff, Nicolai, Inside the Urban Crunch, and Its Global Implications, NY Times 14 september 2006







