
Wat dit echter tot een van de meest besproken bijdragen aan deze editie van de Architectuurbiënnale maakt – het paviljoen waarvan velen nu al beweren dat men het de Gouden Leeuw ten onrechte niet zal toekennen in november – is niet zo zeer wat er aan architectuurontwerpen te zien is, als wel de multimediale installatie die er wordt getoond. Brodsky bouwde de statige tentoonstellingsruimte om tot een nocturama waarin hij zijn even ontluisterende als affectieve visie op de stad evoceert, met als sluitstuk een door spiegels omgeven flatgebouw uit ijzerdraad, waarvan de vensters met lcd-schermen zijn ingevuld. Ieder van deze schermen toont zwart-wit fragmenten uit een stomme film waarin vier personages aan een keukentafel eten, vrijen of op de vuist gaan. De basale taferelen worden eindeloos herhaald. Er lijkt geen uitweg aan deze habitus van primaire gedragingen.
Aan het andere uiteinde van de tentoonstelling worden eendere straatbeelden geprojecteerd. Ieder shot wordt langer aangehouden dan een toeschouwer er redelijkerwijze aandacht voor op kan brengen. Als er al verhalen met deze plekken zijn verknoopt, zijn het de particuliere herinneringen van moskovieten – in Venetië niet te achterhalen. Elke poging om achter het beeld te grijpen, mislukt.

In het centrale vertrek van de tentoonstelling zijn vijf objecten samengebracht die ieder eigen vragen oproepen, maar waartussen de thematische resonanties eveneens formeel zijn onderstreept. Het meest in het oogspringende object is een goot draaiorgel dat als basis dient voor een aquarium, op de bodem waarvan een triviale modernistische woonwijk in maquette is weergegeven. In alle woonblokken brandt er licht. Wie er omheen loopt, wordt al snel tureluurs van de stad, die kronkelt door de lichtbreking in de vloeistof. Opnieuw wordt een sentimentele verbondenheid gesuggereerd met een ongearticuleerde woonomgeving die dichtslibt zonder zich te laten toe-eigenen. Dezelfde uniformiteit wordt humoristisch geduid met een ander werk, in de tegenovergestelde hoek van dezelfde ruimte. In ieder van de zesendertig cellen van dit meubel bevinden zich een lasagnevlootje met wat melk en de fecaliën van de afwezige bewoner. Enkel het metabolisme vindt een onderkomen in dit raster dat op ieders behoeften hetzelfde antwoordt biedt. Hier wonen geen sprokkelaars die zich ophouden in hun solide referentiekader, maar zij die romantisch rouwen om things past.
De andere diagonaal van de ruimte wordt door twee langgerekte beelden bezet: een vlieger die met elkaar doorsnijdende silhouetten van voetgangers is gearticuleerd, en zo de vluchtige ervaring in de massa suggereert, en een pastiche van One hundred block: Stan Douglas’ nachtelijke panorama van West Hastings Street, een van Canada’s meest verpauperde wijken. Brodsky toont een gelijkaardig beeld, maar de straat is hier vervangen door en wateroppervlak. Beide tonen een verlaten omgeving maar Brodsky geeft ze niet documentair weer. Hij onderlijnt die verlatenheid met het emblematische beeld van een blank gezette stad. Deze echo van Venetië is een weerkerend motief in het werk van Brodsky, die eerder al gondels liet varen in een verlaten metrotunnel in New York en in een van zijn bekendste installaties een modelstad in ongebakken klei in een bad vol zwarte olie plaatste. De onoverbrugbare eenzaamheid van een individu dat slecht op zijn herinneringen terug kan vallen, schemert in alle werken door.

Dat die eenzaamheid ook groots kan zijn, van zodra ze het resultaat is van een bewuste keuze, of gevoelig wordt vormgegeven, maakt Brodsky duidelijk door een piepkleine cabanon op ooghoogte tegen een nooduitgang in de achterwand te timmeren. Een kistje met een bed, een tafel en een stoel op poppenkastformaat, dat architecten onwillekeurig aan de laatste rustplaats van Le Corbusier in Monte Carlo doet denken: een rustieke blokhut, zorgvuldig geproportioneerd, en voorzien van een venster waarmee de bewoner zich het uitzicht voorbehoudt. Ook hier maakt de kleine uitsnede in de achterwand van de tentoonstellingsruimte, die onverhoopt een prachtig zicht op de lagune laat, een overweldigende indruk. Dit is wellicht het paradigma van Brodsky’s ontwerppraktijk, of op zijn minst een van haar belangrijkste motieven. Het is tegelijkertijd het beeld van zijn kunstenaarschap, de inzet van zijn werk en het enige dat op deze tentoonstelling aan zijn ontluisterende mensbeeld ontsnapt. Brodsky koos als geïnformeerde antagonist in de marge van de architectuurdiscipline vrijwillig voor de op zichzelf besloten wereld van de kunst. Dat er nu wel eens iets van hem wordt gebouwd, wil nog niet zeggen dat hij dat isolement heeft opgegeven. Het is veeleer zo dat de fragmenten van zijn oeuvre, en het eiland waartoe hij zijn toevlucht zocht, door de erkenning die hij krijgt stilaan worden gerecupereerd.
foto’s © Nik Naudts






