We krijgen bij aanvang tekstprojectie op een scherm. Daarop verschijnen boodschappen aan het publiek die rechtstreeks op hun situatie, meerbepaald die waarin ze nu verzeild zijn geraakt, van toepassing zijn, en wordt de sfeer meteen gezet voor wat nog zal volgen. Bijdehands, arrogant, van manifeste aard. Terwijl die tekst over het scherm rolt, staan enkele jongeren op de scène te gniffelen en naar het publiek te wijzen, wat gaandeweg opgevoerd wordt, ook tijdens het klaarzetten van enkele belangrijke rekwisieten die het ruimtelijke kader scheppen waarbinnen hun pleidooi vorm dient te krijgen. Het betreft enkele tafels die tegen elkaar worden gezet, waarop schotels met groenten en fruit aan verder snijwerk zullen worden onderworpen. Dat rituele bereiden van de eetwaren is dan het uitgangspunt voor het nonchalante, schijnbaar spontane discours waarin een soort hyperrealiteit verkondigd wordt, alsook het totale verdwijnen van de (ruimtelijke) grens tussen publiek en spelers, die voor hen voortaan denkbeeldig wordt.
Stel het u eens voor: iemand zit een oranje meloen fijn te hakken, en springt gezwind van achter de werktafel om in te pikken op wat zijn voorganger meteen daarvoor tegen het publiek heeft zitten verkondigen. Vaak gaat het dan inderdaad om een goedklinkende parafrasering van de voorgaande gedachte, af en toe wordt een nieuw element toegevoegd dat de perpetuum mobile van de cirkelredenering waarin zij zichzelf vastwroeten, een voorlopig nieuw elan moet geven. Maar: altijd met een brede, kamervullende glimlach, en met een licht irritante zalvende toon, alsof het de blanke bastaardkinderen van Gandhi betrof. Daardoor krijgt de voorstelling als vanzelf een speels karakter. Een grap als ‘we kregen een theaterprijs door niet te spelen’ is misschien weinig subtiel maar wel vol in de roos. En wanneer een van de jongeren op het podium (4 jongens, 1 meisje, maar geen chef) een meervoudige hardnekkige , en vooral ook lawaaierige poging onderneemt om met een mixer een pot krieken (of olijven, de meningen verschillen) te lijf te gaan, dan wensten wij niet alleen dat een van de anderen hém te lijf ging – een zeer welkom geheten tempowisseling had zulks kunnen teweegbrengen – , maar ook dat Piet Huysentruyt dat hele zootje ongeregeld dringend eens wat tafelmanieren in hun vers afgestudeerde eihoofden zou komen kloppen. Of dat we af en toe gewoon konden wegzappen, zoals dat tenminste mogelijk was met de échte Teleshoplijn. Maar het meeste deed deze voorstelling mij in zijn beginfase denken aan het al even belerende en gezapige ‘1000 seconden’, maar dan met vijf matig tot overmatig irritante Jamie Olivers, in plaats van één Herwig van Hove.
De momenten dat deze voorstelling irriteerde waren legio, maar dat is onvermijdelijk zo met verwaande beginselverklaringen. Zeker als ze op zo’n quasi vanzelfsprekende, bijna blasé manier worden gebracht als hier, en zeker als ze de godganse voorstelling beslaan. Hoefde deze voorstelling dan een pak ingekort? Van zijn schillen en pitten en ander afval ontdaan en op de composthoop? Het antwoord luidt – vreemd genoeg – ‘nee’. Wel integendeel: de elementen in deze voorstelling , zo voorspellen wij het afstudeerproject van deze lichting Dora van der Groen’ers, gaan een langer en boeiend leven tegemoet dan het rottingsproces van de gemiddelde tomaat. En wel om een aantal redenen.
Eerst en vooral spat het spelplezier van de acteurs van de scène. Terwijl ze nauwgezet groenten zitten te snijden, een activiteit die gaandeweg de vraag oproept welke ze nu precies als doel heeft (het bereiden van de eigen receptie achteraf? het opzeggen van de les tijdens een uitgesproken blokritueel in de examenperiode?), bestoken ze ons met theater- en identiteitgerelateerde inzichten en vraagstukken, veelal existentialistisch van inslag, of alleszins van die aard dat de mens al sinds zijn bewustwording er nog geen antwoord op heeft kunnen poneren. Boven alles pretenderen ze niet te spelen, maar: op enkele momenten, nadat het discours een heel andere wending heeft gekregen, spreken ze zichzelf toch weer tegen. Het is dan aan de toeschouwer om het inwendige alarmlampje in werking te zetten. Daarnaast herinneren tal van uitgesproken referenties aan het theater ons aan het proces waarin ze tegen en wil en dank toch inzitten, hoezeer ze ook anders mogen beweren. Als iemand zijn tekst vergeet, kijkt hij gewoon even in het draaiboek dat op een leesgestoelte centraal op het podium staat opgesteld, of, nog flagranter, hij slaat een heel stuk tekst over, waarover een andere acteur hem dan openlijk interpelleert. Enige tijd later gaat het over precies die toneeleigen wetmatigheid, ‘het onthouden van tekst’, of liever: het vergeten ervan en de mogelijkheid dat te simuleren. De acteur die het (opzettelijk?) overkwam voegt op het einde sluw geamuseerd toe: ‘Zoals een halfuur geleden’.
Feit is dat het inderdaad nooit duidelijk is of er nu net wel of net níet gespeeld wordt. Daar gaat het in deze voorstelling ook grotendeels om. Metatheater, om zomaar een genreaanduiding te gebruiken, dat echter ook zinnige dingen tracht te zeggen met betrekking tot de samenleving in het algemeen. Is dit dan een sociologisch stuk? Filosofisch? Daar wordt erg mee – jàh zeg – ‘gespeeld’. Verschillende theorieën van grote filosofen passeren de revue, en als dat al niet louter willekeurig gebeurt (een mogelijkheid), dan vermoedelijk via een planmatig samplen dat perfect in de strategie van de spelers past. Want hoewel er zogenaamd geen grens meer is tussen het publiek en henzelf, behouden ze ten allen tijde de macht waar ze zich maar al te bewust van zijn, ook van de privileges die eraan verbonden zijn. Zíj hebben de touwtjes stevig in handen, en de enige steek die zij laten vallen is het keukenmes, waarmee opzichtig wordt gejongleerd teneinde hun (gevaarlijke) macht te demonstreren. Net zoals met die begrippen uit de filosofie dus. Hiervoor spelen zij leentjebuur bij Hegel (dialectiek als wordingsproces van een voorstelling, meteen Bourdieu aan een denkbeeldig kruis nagelend), Derrida (de consequente deconstructie van hun eigen betoog, maar ook dat van anderen), Levinas (maar dan de anti-versie, elke individuele entiteit wordt met klem ontkend, er zijn slechts collectieve patronen), Socrates (de Allegorie van de Grot) en ten slotte Aristoteles. Via een doorgevoerde en behoorlijk ver heen gaande analyse van wat zij doen komen ze automatisch uit bij zijn klassieke eenheid van tijd, plaats en handeling. De conclusie luidt: ‘dit is dus een klassiek stuk’. En of ze ongelijk hebben!?
Paradoxen komen we nog wel vaker tegen. Zo is Publikumsbeschimpfung een theoretische taaie brok, waardoor de aandacht meer dan eens ontsnapt en het déjà vu vervelend wordt, vooraleer opnieuw fascinerend te worden; maar het is bij momenten ook lichamelijk, bijvoorbeeld wanneer de acteurs het publiek lichamelijke orders meegeven in een soort aerobicles voor de oogleden (met als objectief, een ode aan de dérde dimensie: de verbeelding).
Verder stellen de acteurs zich over het algemeen én geïsoleerd én interactief op. Zij spelen met het publiek maar niet vóór het publiek, want hoewel ze ertegen praten zien zij de toeschouwers in wezen niet staan, in figuurlijke zin dan. Wanneer aan het begin van de voorstelling iemand zegt dat de toeschouwer niet aan zijn lot zal worden overgelaten, wordt die regel op het einde duchtig met voeten getreden, in de vorm van het receptie-eten (even ervoor nog geïntroduceerd met een ‘Walters verjaardagsshow’-showtrap), dat schaamteloos aan de neus van de toeschouwer voorbijgaat, en voor zijn ogen wordt omgevormd tot een vormeloze, smaakloze en schaamteloze braspartij.
Deze voorstelling is heel even Jan Fabre, maar veel meer nog mikt het op méér. De ratio wordt aangesproken, en daarmee wordt behoorlijk inventief omgesprongen. Het verlies van concentratie, een onvermijdelijk gevolg van hun aangehouden toon en discours, is nooit definitief, want eens de draad terug opgepikt biedt het stuk weer nieuwe perspectieven, invalshoeken, inzichten en indrukwekkende acteerprestaties. De geschepte afstand en het hoogcerebrale karakter gaan hand in hand met olijkheid en rechtstreeks mikken op de borststreek, zoals routine met occasionele improvisatie, zoals autoritair theater met publieksparticipatie. Maar vooral: zoals transparante waarheid met misleidende illusie die om beurten worden opgeheven, maar met een glimlach na de doordenker.
Gezien op 5 september 2006 in Theater Compagnie Amsterdam, Theaterfestival Nederland TF-2
CREDITS
Toneeklas Dora Van Der Groen
Spel: Thomas Ryckewaert, Jonas Van Geel, Oscar Van Rompaey, Barbara Vanwelden, Fran Verstegen, Ward Weemhoff
Coach: Peter Van den Eede
Tekst: Peter Handke






