Wit is altijd schoon, zeker op een negerin
Seebregs heeft nog maar pas zijn levenslange geliefde Gaëtan ten grave gedragen, en hij heeft niet het gevoel dat hem nog veel te wachten staat. Lanoye grijpt terug op een vertelprocédé uit zijn vroege werk, zoals het verslag van een jeugdliefde Kartonnen Dozen en de schelmenroman Alles moet weg. Het kaleidoscopisch panorama van Het goddelijke monster, Zwarte Tranen en Boze Tongen, waarin België het echte hoofdpersonage was, is verdwenen. In Het derde huwelijk is terug de eenling aan het woord, die vaak op een woedende, verbitterde of ronduit cynische manier verslag uitbrengt van het laatste grote avontuur uit zijn leven. Het loopt niet goed af, en wat er plaatsgrijpt is zelden fraai te noemen.
Niks haalt het bij de werkelijkheid
Met het verlies van de polyfonie uit de Monster-trilogie, gaat ook de mythomanie en de ‘onwerkelijkheid’ verloren. In die drie romans was de werkelijkheid nooit genoeg. Lanoye maskeerde de ‘actuele’ gebeurtenissen door ze een literaire draai te geven, en door glans te verlenen aan wat algemeen als de Belgische ziekte (in concreto: de Dutroux-affaire en de nasleep ervan) werd beschouwd. De doden – en die namen naarmate de cyclus vorderde, alleen maar in aantal toe – becommentarieerden de gebeurtenissen langs de zijlijn, als een klassiek Grieks koor. Mythische, onverklaarbare, unheimische en in zekere zin bijna Lynchiaanse verschijnselen traden op: de Gilles van Binche verschenen, een garnalenvisser werd meermaals door Katrien Deschryver uit haar kinderjaren terug opgehaald, de Witte Mars werd een epische gebeurtenis met een tijdloos karakter, een tapijtenfabriek vloog op een Danteske manier in brand en explodeerde, en in het laatste deel verloor Katrien haar ‘aangezicht’ en haar spraakvermogen. Het opzet van die romans was daarom ronduit allegorisch te noemen. Dat werd hen ook als zwakte aangewreven, omdat het sleutelromans werden waarvan de sleutel zoek was geraakt.
Lanoye lijkt die ‘nieuwe’ (of eerder opnieuw opgediste) poëtica meermaals te verantwoorden of te benadrukken in Het derde huwelijk. Seebregs is een locatiescout die noodgedwongen op rust is gesteld: decennialang heeft hij België ‘gescand’ op betekenisvolle mooie plekken, die als decors in films dienst konden doen. De globalisering, en de ‘woestijn van de werkelijkheid’, heeft hem overbodig gemaakt: elk landschap in een willekeurig lageloonland kan omgetoverd worden in het vereiste theater; een studio gebruiken is evidenter en goedkoper dan op zoek te gaan naar een decor in Vlaanderen, waar het trouwens altijd regent. In een passage die enigszins uit de toon valt tussen de bekentenissen van Seebregs, vergelijkt hij zichzelf met een bepaald soort Japanse dichters, die in dienst van de keizer op zoek gaan naar stenen ‘in de natuur’: ‘De keienmeester reisde het hele eiland af, op zoek naar gepaste stenen voor het rotstuintje van de tenno, zijn vorst. Men had die stenen gerust kunnen laten hakken of slijpen, naar een ontwerp van een andere kunstenaar. Zo zouden wij het doen. Maar zo werkte het niet bij de Japanners. Toch niet voor ze in aanraking kwamen met onze cultuur. Nu kan alles. Zelfs in Japan.’ Ook de verhaalstof van Lanoye verschilt in niets van de aardse, dagelijkse werkelijkheid. De sleutelscène van Het derde huwelijk is een rel op de tram in Antwerpen, die uitmondt in een vechtpartij op de Meir. (In toekomstige interviews zal Lanoye ongetwijfeld toelichten wat er het eerst was – de werkelijkheid of de fictie.) Het leven van Seebregs is ‘normaal’ – het is een leven van een ‘nicht’ met liefdesverdriet, die zich uit eenzaamheid en fatalisme laat overhalen tot een huwelijk met een ‘negerin’. In de Monstertrilogie bedreef Lanoy een gelijkaardig soort faction: er waren de schriftjes van Leo Delcroix, het bezoek van Jean-Pierre Dedecker aan Marc Dutroux, de ontsnapping van de grootste misdadiger in de Belgische geschiedenis, de Witte Mars, de begrafenis van koning Boudewijn en het tapijtimperium van de familie-Declerck. Het verschil met Het derde huwelijk is alleen maar een kwestie van stijl en literaire verbeelding. Toch is net dat de kern waarop dit boek kan beoordeeld worden – of afgerekend.
Met een zak turfmolm
Lanoye is geen adept van de ‘nieuwe zakelijkheid’ geworden à la Hemmerechts – verre van. De tragikomische tirade van Seebregts heeft meer gemeen met de passionele monologen uit de romans van Philip Roth – zijn promiscuïteit en zijn scabreuze taal moeten niet onderdoen voor die van Mickey Sabbath in Sabbath’s Theater. Zoals zo vaak het geval is geweest, gaat Lanoye nog een stap verder. Hij streeft een extreme een-op-een-relatie na met de werkelijkheid, die slechts in perspectief wordt geplaatst door het beroep, en de daarmee verbonden wrange theoretische bespiegelingen van Seebregs. Dat is geen kwestie van ironisering, want daarvoor gaat het niet ver genoeg (zoals dat bijvoorbeeld wel het geval was in Glamorama van Bret Easton Ellis, waarin elke gebeurtenis een filmset als decor begon te hebben – en de werkelijkheid in het geheel dus ook). Integendeel: het onderstreept nogmaals het nagenoeg ‘ethische’ belang dat in Het derde huwelijk wordt gegeven aan het ‘verlies van de werkelijkheid’. Dit zijn (net daarom) wrange tijden, en wrange tijden – zo suggereert Lanoye aan de hand van zijn hoofdpersonage – vragen om duidelijke, onomfloerste weergaves, ook en vooral in literatuur.
Geen surrealistische uitstapjes meer, geen stilitisch getover of superieure ironie, geen verschillende schrijfstijlen of zelfs verschillende lettertypes. Een recurrent gegeven in de Monster-trilogie waren de ‘parafix-momenten’: zoals de modernisten plaatste Lanoye meer dan eens de wereld stil, waarop hij de gedachten van zijn personages bladzijdenlang de vrije loop gaf. Het wachten van Steven Deschryver op de lift in Het goddelijke monster is daarvan het beste voorbeeld. Die techniek duikt nog een aantal keer op in Het derde huwelijk, zoals wanneer Seebregts moeizaam de trap bestijgt naar zijn slaapkamer, en ondertussen zijn gemis nog eens uitvoerig beschrijft. Maar dan nog geldt – zoals in de gehele roman – de vooronderstelde meerwaarde van de beperking en de beheersing.
De slinger slaat door: de prachtige brille uit de trilogie wordt in Het derde huwelijk een ontstellend en bij momenten onverteerbare stilistische eerlijkheid, waarbij de schuttingtaal, de volksmond of de platitude niet worden gespaard. Dat literair gegeven wordt opnieuw betrokken op de biografie van het hoofdpersonage: ‘Ik ben met de volksmond opgegroeid. Ik heb zijn hazenlip, zijn spraakgebreken. ‘Hebt ge mijn onderlijfke ergens gezien?’ Het was een zin die Gaëtan tot waanzin kon drijven.’ Het Vlaamse taalidioom is traditiegetrouw iets waar binnenlandse schrijvers mee worstelen, hoewel het – met Het verdriet van België als beste voorbeeld – tot schitterende hybrides aanleiding kan geven. In Het derde huwelijk is de grens tussen een ‘persoonlijke’ stijl en een al te gemakzuchtige overname van de ‘werkelijke (Antwerpse) taal’ soms dun. Nu en dan lijkt het of die manier van schrijven en spreken deel uitmaakt van de ‘betekenis’ en de opvattingen van het hoofdpersonage, en aldus ook ironiserend werkt – maar de verdere gebeurtenissen spreken die hypothese tegen. In Het derde huwelijk lijkt Lanoye dan ook een ‘discoursloze’ werkelijkheid aan te willen bieden – een werkelijkheid voorbij goed en kwaad, waarop geen enkele ideologie zich vastzet en die niet wordt gerecupereerd. De illusieloosheid en het fatalisme van Maarten Seebregs moeten dat ‘dirty realism’ garanderen. Om literaire schoonheid gaat het hier dan ook niet. Dat blijkt vooral uit deze zin, waarin een van de meest vermaledijde taaluitingen van de laatste jaren opduikt. ‘En ik hunkerde ernaar om eindelijk nog eens van bil te gaan. Het was niet eens geilheid. Het was seksuele heimwee. Ik had zoiets van: ik moet eenvoudig, al is het met een zak turfmolm.’ Lanoye had bij het schrijven van Het derde huwelijk duidelijk zoiets van: het is dringend, ik stileer niet meer, het verhaal en de ‘werkelijkheid’ is van tel.
AHmed, Ahmed en Adul, uit Hoboken
Men kan zich af vragen waar die werkelijkheid vandaan komt, en wiens werkelijkheid het eigenlijk is. Het derde huwelijk is ook geschreven met de hete adem van het succes van Los van Tom Naegels in de nek. Lanoye wil zijn positie als onbetwiste ‘chroniquer van la Flandre profonde’, als ‘dissecteur van de Belgische ziekte’ opnieuw innemen. Het is opvallend hoezeer die ‘werkelijkheid’ alweer is veranderd sinds de Monster-trilogie. Daarin kwam, verspreid over meer dan duizend bladzijden, maar één ‘neger’ voor, toen de tantes Deschryver urenlang stonden aan te schuiven in het verre Brussel om een glimp op te vangen van het lijk van koning Boudewijn. Na elf september, en met de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht, wemelt het in Het derde huwelijk van asielzoekers, asielcentra’s, ‘negers’, illegalen en ‘marokkaantjes’. Het verdriet over de liefde, de uiteenvallende families en de talloze beschrijvingen van de homo-scène zijn gebleven – ‘vogelen moet altijd gebeuren,’ zou Lanoye zeggen.
Natuurlijk wint Lanoye ruimschoots van het zogenaamd ‘echte verslag’, van de ‘journalistieke weergave’ van de andere Tom. Toch komt het als een teleurstelling dat hij zijn ‘literaire machinaties’, die de Monster-trilogie tot een belangrijk en immens veelzijdig werk maakten, niet heeft losgelaten op het huidige België, maar integendeel in een rauwe (en niet voor gevoelige zielen geschikte) stijl weinig meer heeft gedaan dan een groteske driehoeksrelatie beschrijven, door de ogen van een zieltogende, aftakelende en sympathieke ‘jeannet’ op jaren. De constructie van de ‘werkelijkheid’ – de raciale spanningen (in Antwerpen), het Fort Europa, het steeds rechtser wordende discours, de vluchtelingenstroom, de woekeringen van de media – wordt eerder opgevolgd dan indringend en verhullend aan de kaak gesteld en ondervraagd.
De kortfilm van mijn leven
Het blijft een lectuurbelevenis van formaat – het is op en top (vroege) Lanoye, zij het dat het cynisme en het verbale machismo (op nagenoeg elke bladzijde duikt het woord ‘kont’ op) zodanig woekert, dat het drama van Maarten Seebregs aan dringendheid en aangrijpendheid verliest. Een eenzaam leven in verval is geen one-man-show, geen perfomance vol met verbale spitsvondigheden en choquerend taalgebruik. Op de laatste bladzijden ziet Seebregs de kortfilm van zijn leven, waar hij al zo vaak naar had uitgekeken, toch nog voor zijn geestesoog verschijnen. De lezer krijgt er een stukje tragiek voor in de plaats, maar die tragiek is gehypothekeerd door de groteske en brutale (zowel thematisch als stilistisch) verschijnselen die eraan vooraf zijn gegaan. Met de ‘negerin’ Tamara, waarrond alles begonnen is, heeft Seebregs dan ook geen uitstaans meer – buiten heimwee naar het korte huiselijke geluk dat hij met haar beleefde, vindt hij dat zij uiteindelijk ook haar plan maar moet trekken. Net als de lezer dat na lectuur van Het derde huwelijk met de werkelijkheid moet doen.
Literatuur heeft van oudsher precaire maatschappelijke omstandigheden ‘verlicht’ door hen toe te lichten. Disgrace van J.M. Coetzee is daarvan een prachtig voorbeeld: op een ingehouden, stilistisch briljante manier, werd de problematiek van het leven aan het eind van de twintigste eeuw in Zuid-Afrika verhelderd, zonder dat er echte oplossingen werden aangereikt. Een andere aanpak is die van Bret Easton Ellis, die het yuppie-tijdperk van de jaren tachtig, op een meer allegorische en verwrongen wijze ook een spiegel voorhield in American Psycho. Tom Lanoye had met Het derde huwelijk hetzelfde kunnen doen – als er iemand in Vlaanderen het oeuvre heeft dat er een voorbereiding op kan zijn, dan is hij het. Maar nu is zijn zesde roman een zeer onderhoudend verslag van bekende feiten – een kei die wordt opgeblonken zonder dat er een slijpschijf aan te pas komt – alsof een ‘relnicht’ in roos latex-kostuum het avondnieuws zou presenteren. Dat is amusant, spannend en uniek in de Nederlandstalige letteren – maar mag er van literatuur niet meer verwacht worden?
Het derde huwelijk
Tom Lanoye
Prometheus, Amsterdam
prijs €19,5
337 bladzijden
ISBN 90 446 0813 4






