Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Gunther De Wit:
MARS speelt 'Sunday Smile'
Over 'De Versie Claus' van Het Toneelhuis
Over Zand erover!? van Victoria Deluxe
Pukkelpop 2006
THE PERFECT D(R)AFT
datum 14.07.2006
rubriek Muziek
Deze bijdrage over het beste festival van Vlaanderen, of althans het festival met de beste pop- en rockmuziek in Vlaanderen, is natuurlijk alleen tot stand gekomen met het doel om ooit, one day, een perskaart te bezitten en dit soort leukigheid als job te mogen doen. Maar ter zake: op kortere termijn dient dit stukje vooral als reactie op dat soort journalisten en reports die liever een non-item aan Pukkelpop wijden (lees: enkel over erreurs de parcours als Michael Franti en Keane berichten omdat die mensen gemakkelijk interviews geven) dan toe te geven dat ze beter zijn in het uitzenden van badpakkenspecials. Of die Scissor Sisters in hun topdrie zetten.
Gelukkig valt in de muzikale dagbladjournalistiek toch één ding op, en daar mag gerust het predikaat ‘eindelijk’ bij staan. Pukkelpop is geen alternatief festival meer, in de zin dat het een festival zou zijn louter voor schuimbekkende alternativo’s met een voorkeur voor zwart en een piercing door elk lichaamsgat. Wie een dag of drie ter camping vertoeft, weet dat die wel degelijk aanwezig zijn maar het mag ook iets normaler – alleen: verdienen headliners als Radiohead, Massive Attack en Daft Punk wel het adjectief ‘normaal’? Doet die eigenschap niet af aan hun algehele eigenzinnigheid, die ondanks hun grootsheid mee bepaalt wie ze zijn en tot wat ze zijn uitgegroeid? De vraag stellen is ze beantwoorden, of een andere vraag stellen: dienen ‘kwaliteit’ (goede muziek) en ‘kwantiteit’ (toegankelijk voor een groot, breed, maar ook gevarieerd publiek) elkaar uit te sluiten? Retoriek!

As we speak ben ik een blog aan het bekijken, waarop de passage van de French house grootheid Daft Punk in Barcelona te zien valt. Neem gerust een kijkje, het lijkt als twee druppels Pukkelpop-water… (http://www.goldensociety.com/site/?page=goldentv&id=8). Ondanks de exclusiviteit van hun optreden hier kan ik me ook nu niet van de indruk ontdoen dat het langverwachte, reikhalzende uitkijken naar hun show (tien jaar, beste mensen) beter was dan het eigenlijke meemaken ervan. Op een wankele amateurvideo ziet het er allemaal oneindig veel cooler uit dan in het echt. De statische setup – de twee superstar robot-dj’s in het midden van een lichtpiramide – spoorde vooral in het begin aan tot ontzag, zodanig zelfs dat ik even een revérence in de modder overwoog voor zoveel art in art-house. Maar toen hield het op. De vele kleuren die het duo en hun productieteam hadden uitgekozen om de tracks visueel gestalte te geven, gaven meer aanleiding tot hoofdpijn of lichte misselijkheid – roze naast geel, groen en purper, kan u nagaan. De constant aan- en uitfloepende lichtbakens waren dan wel met opzet dissonant en niet-harmonieus, maar dat was de muziek ook. Vaak waren hun beats onzorgvuldig gemixt of samengebracht in een ondoordringbare wall of sound, waarin het moeilijk onderscheiden was welke nummers nu weer juist ten gehore werden gebracht. Natuurlijk past dat alles in des Dafts experimentele, weerbarstige kraam, maar slechts zelden resulteerde deze wanboel in spontane en oprechte zompige-dansvloerpret (een van die uitzonderingen: de stampercombinatie ‘The Brainwasher’ – ‘Rollin’ & scratchin’’).
Ik begrijp nu iets beter waarom Faithless Daft Punk ten tijde van hun plaat Discovery (en waarvan het anagram ‘very disco’ ook nu nog iets te dominant meespeelde) ‘platte kak’ noemde, en geloof me, ik was en ben een grote fan. De tour die een hommage moest zijn aan de dancegenieën, is uiteindelijk een beetje dommage geworden.  

Indrukwekkendste (licht)shows
Als eerste uitsmijter: laten we het in eerste instantie meteen níet over de muziek hebben! Wat waren de bangelijkste, ooglidthrillendste must-see bands op Pukkelpop 2006? Let’s see:

1.    Beck
2.    Daft Punk
3.    Massive Attack

Ondanks het gebash hierboven, toch zilver voor Daft Punk. Ik ga het geen derde keer zeggen: ze zijn en blijven een cool hebben, die Maxi Jazz van Faithless nog niet op zijn blote buik kan schrijven. Statisch, pedant of kitscherig: als tijdens hun ‘Crescendolls’ de loops volledig synchroon met de lichtshow rollen, dan is er tevredenheid en love en peace met de universe.

Massive Attack was op de tweede dag, ondanks Radioheads heerlijkheid en Daft Punks lekkerheid, mijn grootste ankerpunt van het hele festival. Op voorhand toch. Toen het zover was, en 3D en co. een veelbelovende start hadden genomen met het heerlijke ‘Rising son’, vervlakte de show af en toe en werd het bijwijlen zelfs een beetje vervélend. Nooit gedacht dat zoiets van mijn hand zou komen. De door hen meegebrachte ‘angel’ Liz Fraser was opvallend minder bij stem dan tijdens hun vorige doortocht hier, waardoor toppers als ‘Teardrop’ en vooral typische afsluiter ‘Group Four’ wat fletser werden. Het kan ook aan mijn voor de gelegenheid gerecupereerde groene zakje liggen (niet voor recyclage/publicatie) natuurlijk. 3D – wie anders – had het merendeel van de nummers ook in een nieuw jasje gestoken, wat geen kwaad kan om in een best of-tour de beschuldigingen van kwalijk geldgewin de loef af te steken. Dat deed ook hun lichtshow, letterlijk dan: geen groene of infrarode dataverzameling die van een groot achteropgesteld scherm rolde, maar sobere panelen die afwisselend roze, groen, rood of blauw kleurden (maar nooit allemaal tegelijk, Daft Punk) en meevibreerden met bassen en andere trillingen. Mede hierdoor blies ‘Inertia creeps’ al wie goed of minder goed oplette van hun sokkel, verplichtte het tot houterige stampbewegingen en ander geschokschouder, handig geholpen door de voor één keer energieke frontman, die het voorbeeld gaf door af en toe uit te barsten in een aardig staaltje martial arts of schaduwboksen, al naargelang hoe u het interpreteert.
Acht nummers uit ‘Mezzanine’, waarvan vijf goed tot zeer goed; het beste of meest bekende uit al de rest, maar geen ‘Karma Coma’ of ‘I against I’: een goed gemiddelde, en lome beats voortaan elk weekend please.
 
Geheel andere koek was Beck op donderdag. De blanke Prince en meester van veel stielen en maar dertien ongelukken, had ik twee jaar eerder al eens bezig gezien en goed bevonden, maar laat u daar vooral niet door leiden, ik geraak de tel gemakkelijk kwijt en dan vooral op Pukkelpop. Deze keer overtrof Beck echter zichzelf en iedereen. Hij had zowaar een marionettenchoreografie in elkaar gestoken, die volledig simultaan en op hem en zijn muzikanten gelijkend, op de zijschermen werd geprojecteerd. Een dure stunt, als u het mij vraagt, maar een duidelijke meerwaarde voor een Beck-optreden dat sowieso altijd grappig is (al vanaf dat daar een nummer als ‘Where it’s at’ inzit, ja, ik ben snel tevreden). Zowel bij de heftige gitaarnummers (‘E-pro’) als bij de funky stuff (‘Guero’, ‘Black tambourine’, ‘Clap hands’), maar ook tijdens intiemere momenten (‘The golden age’, ‘Paper tiger’) deed deze uitgekiende visualisatie zijn werk en werd het gehele vertoon meer dan eens psychedelisch. En dan hebben we het nog niet over de plaatsvervangende bis-wachttijd gehad! Het publiek kreeg daarin vooraf ingeblikte filmpjes te zien waarin de marionet-alter ego’s de wei afschuimden, vuilbekkend, en op zoek naar vulgaire opportuneiten en ‘Belgian waffles’ (marionet-Beck aan wafelkraam: ‘Who do you think you iz? I ain’t payin’ no 5 dollars for no stinkin’ Belgian waffle!’). Dat ze daarbij het prototype van de Amerikaanse cultuurbarbaar en hillbilly aardig te kakken zetten, was handig meegenomen, maar leuk was het in elk geval (nog één: ‘Hey dudes, let’s go see Baby Shambles, I heard they’re fucking genious!’).
Alsof dat niet genoeg was, kwam er ook nog eens een on stage-pokerpartij aan te pas die ontaardde in een jamsessie met fruit en keukengerei, evenals een guest appearance van twee beren – dat Jan Lauwers dààr niet opgekomen is! Alhoewel Becks vocale prestatie wat ondermaats en nogal letterlijk bleekjes bleef (close-ups verraadden één of meer redenen), kan ik al wie in het lastige dilemma op dat uur toch voor DJ Shadow gekozen heeft (naar verluidt een mengeling van opwinding en navelstaarderij), in alle eerlijkheid zeggen dat hij/zij terdege iets gemist heeft. Clap hands!

Volgende in de rij was Radiohead. Over hun uitzonderlijk lange optreden kan ik kort zijn: subliem staat aangestreept in alle kleuren die ook zij gebruikt hebben in een magistrale lichtshow. Het zou de band echter oneer aandoen ze enkel voor dat feit te roemen, want bij Radiohead is het nog altijd: de muziek eerst, en daarna pas de visuele aankleding. En laat ze nu net al mijn én uw favoriete nummers gespeeld hebben: van de uitbundige klassiekers (‘Paranoid Android’, ‘Just’) tot de meer ingetogen (‘Fake plastic trees’, ‘Karma police’, ‘Exit music’), over die nummers die Radiohead met hun geheel eigen passie en zelfs bezetenheid tot klassiekers mààkt, ook al hebben ze die eigenschap in se geheel niet. Of vindt u ‘The gloaming’ een lekkere meezinger misschien?
De asymmetrisch geordende beelden op de zijpanelen, of de vierdelige close-up op Thom Yorkes getormenteerde tronie tijdens het zeldzaam live gebrachte ‘You and whose army?’: pure klasse in popland. Die laatste versie mocht misschien nog wel balanceren op de rand van de pathethiek, ‘How to disappear completely (and never be found)’ deed dit geheel niet, en zorgde voor een wei waar je een speld kon horen vallen (op de effectief tegen de regen aangelegde bergen hooi). Elke leemte werd echter gevuld tijdens dit optreden, want afsluiter ‘Everything in its right place’ is in live-uitvoering een heus party-monster dat de tot dan toe vooral op de bekende melancholie en jammerklachten grazende kudde, zelfs heel even existentieel aan het dansen bracht.

And now for something completely different:
Opmerkelijkste covers
(N.B.: het volledige ‘oeuvre’ van Scissor Sisters is nochtans mee in beschouwing genomen)

1.    The Dresden Dolls – Le port d’Amsterdam (Jacques Brel)
2.    The Raconteurs – Bang bang (I shot you down) (Nancy Sinatra)
3.    José Gonzalez – Teardrop (Massive Attack)

Hallo! Kent u The Raconteurs al? Zij zijn de nieuwe supergroep van opperrockgod Jack White, of die status hebben zij toch definitief verworven na hun felgesmaakte Pukkelpop-optreden. De gierende gitaarsolo’s en door catchy drums aangedreven hamers van nummers zijn niet zoveel anders dan bij The White Stripes, maar is dat erg? Ook The Raconteurs offeren wat graag een of twee van hun eigen songs op om met overtuiging een cover te kunnen spelen, die zij besprenkelen met dezelfde dramatiek als The White Stripes deden met ‘Jolene’, om die vervolgens vakkundig door uw strot duwen – het liefst in drie bedrijven. Het enige punt waarin ‘de vertellers’ zowel op plaat als live verschilden van Whites andere project, en daarmee meer dan hun naam waarmaken, is hun mogelijkheid om op-het-eerste-gezicht niemendalletjes/balladjes geloofwaardig te brengen, als waren zij een viertal uit Liverpool in een ander en beter tijdperk. Dat White vooral dàt als een forum en uitlaatklep zal beschouwen, is een reden te meer om met deze groep door te gaan – en voor u om ’s mans talent ook op het gebied van het lichtere lied dringend te gaan checken. Dringend!
The Dresden Dolls zijn níet uit Duitsland afkomstig, en dat maakt hen nog veel toffer. Waar ze dan wel vandaan komen, peu importe zoals Dirk Roofthooft het zou zeggen, maar wàt een versie van Brels zeemanslied. Samen met Beck de enige groep die enige research heeft gedaan vooraleer naar ons landje af te zakken. En dat ze daarbuiten ook goede, want in allerlei stijlen en sinistere samenzangen uitbrekende muziek maken, is een extra troef om hen in de ranking van

Ongelooflijkste ontdekkingen (het van hot naar her rennen waard)
onder te brengen.

1.    Gogol Bordello
2.    65 Days of Static
3.    The Dresden Dolls

Met hun hoempapa-rock ’n roll walsten de zigeuners van Gogol Bordello (een dode Russische schrijver in de groepsnaam levert extra punten op) de Marquee plat, en veel meer heb ik daar niet aan toe te voegen, behalve dan dat ik geheel nuchter was – de ideale toestand om een concert in te beoordelen, maar een mens moet ook eten.
Gelieve ook 65 Days of Static een luisterbeurt te gunnen voor er twee maanden om zijn, anders vergeet u het misschien. Hun post-rock is beter – en vooral minder statisch – dan wat de Schotten van Mogwai zoal produceren, en dat zeg ik alleen maar omdat de groep daar vervelens toe mee vergeleken wordt. Net buiten de topdrie gevallen: !!!, dat weliswaar al enige bekendheid geniet in theorie maar nog niet écht voet aan Belgische grond heeft gekregen, verdient uw oprechte aandacht en meest inventieve danspassen op de zo gegeerde brug tussen rock en dance, die ook de volledig Belgische band Foxylane met succes bewandelt, overigens. Zolang u het maar van tevoren aankondigt met bijpassend geschreeuw.
Niet zoals Joan As Police Woman doet dus, de frêle maar niet op haar mooie bekje gevallen gelegenheidsverpleegster, die ik omarmde als een nieuwe Joan Baez ook al ken ik die enkel van faam en uit de film ‘Forrest Gump’. Als u die informatie irrelevant vindt, weet dan dat ik bij die film gehuild heb, een zeer exclusief feit dat zich voorlopig net niet herhaalde zo in en even buiten de Club-stage die dag – nét niet.

Obscuur of niet, al deze toppers zijn me bijgebleven. My Morning Jacket mag daar nog gerust bij; net zoals The Magic Numbers (slechts een natgeregende kloot grond mét kromme pikket in als hart hebben, rechtvaardigt het tegendeel); de volstrekt terechte comeback van Urban Dance Squad (hoewel een beetje vroeg op de middag); en ook Coldcut en Arctic Monkeys krijgen een eervolle vermelding. Leuk, leuker, leukst. Bij dat laatste optreden vroeg een mens zich – totdat de regen met bakken uit de lucht viel – wel eens af of de band een volledig uur kon vullen met maar één uitgebrachte cd van 40 minuten, maar dat is nog altijd beter dan het einde afwachten tijdens Pukkelpops grootste soffen. Stelden onder meer teleur: Eagles of Death Metal, jammer genoeg niet meer dan de Clement Peerens- of, véél erger, The Darkness-versie van Queens of the Stone Age. Dat frontman Jesse Hughes over een aangename, zeer grappige dronk en dito snor beschikt, maakt nog geen goed optreden. Belle and Sebastian kan erover meespreken, al zorgde geen van de bandleden daar voor plezanterie: zij waren doodernstig, en suckten. Zo simpel is het, en ook al is en blijft ‘Dear catastrophe waitress’ een all-time favoriet album, B&S heeft niet genoeg force in huis om de nochtans gemakkelijk mee te krijgen Marquee, euh, mee te krijgen.
Dat de teleurstelling stilaan overslaat op het taalgebruik, mag een signaal heten: u was een geweldig publiek, tot volgend jaar, maar nu eerst een extreem kort vuurwerk – en oh ja, een nogal domme luchtchoreografie met niets terzake doende astronauten, vooral als die tegen ons beter weten in niets te maken heeft met de Daft Punk-show (en zo kan u weer van vooraf aan beginnen). 

Gunther De Wit

Festivalweide Kiewit, 17-19 augustus 2006
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie