Zijn
naam en muziek bereikten me voor het eerst in 1996 via een remix-plaat
(Hyper Civilzado), die ik me, zoals ik wel vaker deed, at random had
aangeschaft. Vooral de tweede track intrigeerde me mateloos. Droge distorted
beats, bevreemdende klanken en vooral, een zoete, intieme stem: "Complicity
-unconscious wit - borders without borders under eyebrows - silent as scent -
hair curls like smoke - Let's talk about another kind of violence... ".
Dit werd het begin van een zoektocht naar zijn muziek, zijn achtergrond, zijn collaboraties... , een zoektocht die nog steeds voortduurt en reeds een eindeloze reeks muzikale schatten heeft opgeleverd. Arto Linday is volgens mij een van de meest integere, onvoorspelbare en intelligente protagonisten in het hedendaagse muzieklandschap. Wat volgt is een poging om ook u te overtuigen.
1953-1971: V.S. <-> Brazilië

Arto Lindsay werd in 1953 (28/05) geboren in de het zuiden
van de V.S. maar groeide op in Brazilië, waar zijn ouders dienden als
Presbyteriaanse missionarissen. Zijn tienerjaren, de jaren zestig, waren ook in
Brazilië een woelige periode: in 1964 werd een militaire dictatuur
geïnstalleerd, en dat had ook zijn weerslag op de culturele wereld. Teksten,
film en muziek werden er onderhevig aan censuur en protectionisme. Er ontstond
een culturele tegenbeweging, Tropicalismo, die zich centreerde
rond twee muzikanten van de nieuwe generatie: Caetano Veloso en
Gilberto Gil. Zij inspireerden zich op ideeën van de
Braziliaanse avant-garde uit de jaren 1920-'30, die stelden dat de Braziliaanse
cultuur in se "kannibalistisch" werkte en Europese, Afrikaanse en Amerikaanse
elementen integreerde om zo tot een nieuwe, hybride wereldcultuur te komen.
Tropicalismo liet zich inspireren door de straatpoëzie van Sao
Paulo, de pop-art van Andy Warhol, moderne klassieke muziek (van serialisme tot
John Cage) en zeker door de Amerikaanse en Britse pop- en R&B-muziek. In
zekere zin was hun muziek een reactie én logisch vervolg op de bossa
nova, de populaire Brailiaanse muziek bij uitstek in de jaren '50-'60.
Het ontstond als een combinatie van de samba-ritmes van de muziek van Noord-Oost
Brazilië en de subtiele harmonieën van de Amerikaanse cool jazz (Gil
Evans, Chet Baker, de Miles Davis van
Kind of blue...). De belangrijkste songwriters uit die periode waren
ongetwijfeld Antinio Carlos Jobim, de man die o.a. het
overbekende the Girl from Ipanema schreef, en Joao
Gilberto, die nog altijd beschouwd wordt als een van de meest
invloedrijke vocalisten ooit. Kunstenaars en muzikanten als Veloso
en Gil, maar ook Jorge Ben,
Tom Zé, Milton Nascimento, Maria
Bethania, Gal Costa, Chico Buarque
en vele anderen lieten zich beïnvloeden door deze verschillende stromingen en kwamen zo tot, ieder een persoonlijke, fusion van de archaïsche cultuur van ruraal Brazilië en de urbane, door de media gedreven popmuziek .
Arto lindsay bracht zijn jeugd
door met het luisteren naar deze intense en innovatieve muziek. Hij werd
zo ondergedompeld in een sfeer van culturele creativiteit en openheid, wat
een van de belangrijkste bouwstenen zou worden van zijn latere carrière.
"Brazilian popmusic was open to the various styles of music, because
Brazil was close, and not the middle, of everything: to us it seemed very
natural to listen and love all types of music, from the Beatles to
Brazilian folk, up to John Cage. Maybe it's because of this, that I am
what I am". Zijn complexe identiteit-situatie -opgevoed als Amerikaan
in Brazilië- zou ook zijn sporen nalaten."One thing I realized early
on", stelt hij,
"was how relative culture was. I noticed that Americans seemed to think that anything that wasn't American was unnatural in a sense . Same for the Brazilians. I just thought it was completely arbitrary. It depends where you were born... "
1971-1982 . New York, New York, ...
Na zijn
studiejaren, begin jaren zeventig, kwam Lindsay terecht in New York, op dat
moment wellicht de meest eclectische stad in de V.S.: jongeren uit alle
windstreken gingen er op zoek naar een 'golden opportunity' wat leidde tot een
blend van kunst- en (multi-)culturele stromingen, zoals bijvoorbeeld het geval
was met de Nuyorica
-beweging, die Latijns-Amerikaanse muziek mixten met soul en afro-funk.
Het waren ook de gouden
jaren voor de Underground-rock 'n' roll: mensen als Lou Reed,
Patti Smith, David Byrne en Iggy Pop
gebruikten N.Y. als uitvalsbasis voor hun muzikale uitspattingen en ook
de punkbeweging was prominent aanwezig in het New Yorkse cultuurleven, met
invloedrijke groepen zoals Television, MC5 en
The Ramones. Deze 'scene' situeerde zich vooral rond de East
Village en Soho, met clubs als The Kitchen, Max's
Kansas City en vooral de CBGB's. De muziek was er
luid, de performances confronterend, het publiek uitbundig. Lindsay was in de
late jaren zeventig een van de vaste bezoekers en aanhangers van deze scene.
Toen hij, eerder toevallig, gevraagd werd om te spelen in Max's Kansas City,
besloot hij als non-muzikant vooalsnog een band samen te stellen. Het werd
DNA met naast Lindsay als zanger-gitarist, non-drumster
Ikue Mori en keyboard-speler Robin
Crutchfield
. Over zijn opzet vertelt hij: "I
wanted to do something really extreme, I thought that was the root to
succes, which didn't turn out to be true" . De muziek van DNA was minimaal, luid en
noisy en centreerde zich rond Lindsay's dissonante, hoekige en (schijnbaar)
ongestructureerde gitaarexplosies. De groep plukte inspiratie uit de
grootstadsenergie van de Stooges en The Velvet
Underground, de atonale experimenten van modern klassieke muzikanten
als John Cage, de free-jazz van Sonny Sharrock
en Sun Ra en Braziliaanse en Afrikaanse
percussie-elementen. DNA werd al vlug een van de belangrijkste exponenten van de
de no-wave post-punk scene, waar ook grensverleggende acts als Lydia
Lunch, Glenn Branca en James Chance
bij gerekend werden. Enkele van deze groepen werden verzameld op de
door Brian Eno geproducete No New York sampler (1978),
waar DNA uiteindelijk als meest interessante naar voren komt. Nadat Crutchfield
vervangen werd door bassist Tim Wright (ex-Pere
Ubu) zouden ze in 1980 de 12" A taste of DNA opnemen, wat uiteindelijk
hun enige en laatste studio-opname zou worden : een cult-klassieker (en
quasi-onvindbaar, geloof me vrij!). Het is een beklemmend en uitdagend werkstuk,
minimalistisch, primitief-klinkend en noisy, dat een grote weerslag zou hebben
op een generatie gitaar-terroristen, zoals Sonic Youth en
The Residents. De invloed van DNA blijft nog altijd voelbaar in
de huidige muziekwereld: Rudy Trouvé bijvoorbeeld is
uitgesproken fan en laat dit doorklinken in zijn verschillende pojecten (het
meest nog in Screaming Headeache) en het getalenteerde Blonde Redhead
noemde zichzelf zelfs naar een van de DNA-songs - de bandleden zijn trouwens te horen op Lindsay's recente platen (zie verder).
1983- 1991: Ambitions...
In
1983, na het ontbinden van DNA, en verschillende zij-projecten (zie verder)
richtte Lindsay een nieuwe groep op: The Ambitious Lovers.
Lindsay wilde dit keer een andere richting uit: het geluid dat hij zocht was een
mix van een "Al Green vibe with a samba thing". Tijdens de opnames van
de eerste plaat Envy (1984) vond hij in keyboardist Peter
Scherer de ideale bondgenoot: de combinatie van Lindsay's avant-garde
roots en crooning met Scherer's klassieke achtergrond en melodieuze
keyboard-patronen, leidde tot goed in het oor liggende popmuziek. Op de
eersteling waren de scherpe randjes van de DNA dagen nog altijd prominent
aanwezig, maar de opvolger Greed(1988) (wat de titels betreft:
het was oorspronkelijk de bedoeling om zeven platen te maken, genaamd naar de
hoofdzonden) klonk aanzienlijk gladder en bevatte heel wat funky, uptempo
nummers, volledig in de geest van de Braziliaanse pop-esthetiek. Lust
(1991) klinkt zo mogelijk nog poppier en lonkt nog nadrukkelijker naar
Brazilië: er staat een mooie, swingende cover op van Jorge
Ben's "Ponte de lança Africano (Umbabarauma)" en een van de
gastmuzikanten is Lindsay's grootste idool, Caetano Veloso
.
Noisemeisters die
Lindsay's vroegere werk op handen droegen, waren intussen al zeker
afgehaakt: de contradictie tussen de weerspannige experimenten van DNA en
de quasi foutloze popmuziek van The Ambitious Lovers kon moeilijk groter
zijn. Toch was deze muziek typisch Lindsay: gesofisticeerd, intelligent en
eigenzinnig. Belangrijk is dat hij intussen ook een volleerd
tekstschrijver geworden was: de gefragmenteerde cut-up teksten van DNA
hebben plaats gemaakt voor mooie, poetische lyrics. Ook hier is de
Braziliaanse invloed merkbaar: "The Brazilian thing in particular is
about poetry. It was an oral culture and people couldn't read so the
political and philosophical weight that writers have in South America went
into songs as well as books. The level of the lyrics, and what is expected
of the songwriter, is incredibly high"
. Hij zingt afwisselend in het Engels en het Portugees, een taal die hij perfect beheerst. Ook bij DNA combineerde hij beide talen, maar toen stond niemand te dringen om de teksten te ontleden...
The Ambitious Lovers hebben nooit het succes gekend dat ze verdienden: de perskritieken waren stuk voor stuk lovend, maar een slecht management en wisselende platenlabels (achtereenvolgens EG, Virgin en Elektra) fnuikten hun publieke carrière.
1993-... : new bossa nova
In 1993 kreeg Lindsay het aanbod
om een bossa-nova plaat te maken voor het Japanse Gut/For Life Records (Onder
invloed van Ryuichi Sakamoto (zie verder), die toen bij hen
onder contract stond). Het werd O Corpe Sutil/The Subtle Body (1994),
een prachtige plaat, vol met meditatieve ballads, gedreven door de typische
Lindsay-eigenzinnigheid: de bossa nova basisstructuren zijn doorweven met
subtiele electronica, samples en sonische experimenten. Ook als zanger werd hij
stillaan volwassen: hij klonk op deze plaat als een volwaardige crooner, half
fluisterend, soms zoet, soms donker, altijd weemoedig. Hij was zo enthousiast
over deze plaat dat de opvolger al snel klaar was. Mundo Civilizado
(1996) ging nog verder in de crossover tussen bossa nova, jazz, electronica
en avant-garde. De arrangementen werden nog meer uitgediept en gevarieerd:
flarden drum 'n' bass, ambient, cello en accordion, het kon allemaal en het
resultaat was schitterend. Ook Noon Chill (1997) en Prize
(1999) getuigden van een doorgedreven eclecticisme, elk met hun eigen
sfeer. Intussen heeft hij een vaste kern muzikanten rond zich verzameld, waarvan
vooral Andres Levin en Melvin Gibbs een grote bijdrage leveren. Multi
-instrumentalist Levin heeft als producer reeds gewerkt voor een hele rits
muzikanten, van Chaka Khan tot Diana Ross tot David Byrne, maar lijkt bij Arto
Lindsay zijn vaste stek gevonden te hebben. Idem voor Melvin Gibbs, die als
bassist zijn sporen verdiende bij legendarische namen als Ronald Shannon
Jackson, Sonny Sharrock, Defunkt en in een recent verleden nog The Rollins Band.
Indrukwekkende
muzikanten die, ook live, garant staan voor avontuur en passie en zodoende
perfect aansluiten bij het muzikaal universum van Arto Lindsay. In 1995 zou
Lindsay trouwens samen met Gibbs en drummer Dougie Bowne
(speelde samen met Chris Whitley, Marianne
Faithfull, the Lounge lizards, ...part-time Arto
Lindsay compaan) een interessant zijstapje maken als het Arto Lindsay
Trio. Aggregates 1-26
was gegroeid uit een aantal jams en een nostalgische bui naar de DNA jaren. Het geluid (zwalpende bassen, piepende en krakende gitaren, de hunkerende stem van Lindsay) deed inderdaad denken aan de tijd van toen, maar geeft vooral een goed beeld van hoe Arto Lindsay live klinkt (i.c. ruwer en groovier dan op zijn platen).
Wat voor vele muzikanten
halfslachtige, geforceerde of in het slechtste geval pretentieuze muziek zou
opleveren, was voor Arto Lindsay het resultaat van een spontaan proces. Zijn
huidig werk is beinvloed door verschillende muzikale idiomen (de NY avant-garde
mentaliteit, de Braziliaanse traditie, de eighties popmuziek, ... ), maar zeker
ook door de verschillende scenes, muzikantengemeenschappen die hij heeft
gefrequenteerd. In zekere zin schuilt de grootste kracht van zijn muziek in zijn
manier van werken: hij kan immers geen instrument op de conventionele manier
bespelen (hij kan woorden en melodieën schrijven, maar geen akkoorden), zodat
hij collaboraties moet aangaan. Hij laat zich bijstaan door muzikanten uit alle
uithoeken van de wereld, met verschillende achtergronden en referentiekaders,
wat leidt tot een intense intermenselijk en muzikale dynamiek. De mensen met wie
hij heeft samengewerkt zijn wellicht zijn grootste bronnen én klankborden: nemen
en geven. Een overzicht van zijn samenwerkingen verklaart heel veel. Ik heb
hierbij geopteerd voor een opdeling in zijn drie muzikale habitats: New York,
Brazilië en Japan.






