Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Stoffel Debuysere:
interview met Phill Nilock, 'The Forgotten Minimalist'
Christian Fennesz op zoek naar de perfecte popsong.
MUZIKALE NOMADEN 1: ARTO LINDSAY
datum 13.06.2001
rubriek Muziek
Muziek wordt meer dan ooit beschouwd als een product, onderhevig aan massaproduktie en -consumptie en de inherente economische mechanismen. Het muzikaal aanbod wordt vooral bepaald door winstverwachtingen, publieksverwachtingen, tendensen en opgeklopte hypes. In deze context is het niet evident om als muzikant integer te blijven en wars van commerciële motieven een eigen traject uit te stippelen, een internationaal publiek te vinden - en te houden. Deze artikelreeks gaat over muzikanten die daarin met verve slagen, over mensen met een avontuurlijke visie op de evolutie en sociale functie van muziek, eigenzinnig en open-minded, die in geen enkel hokje thuishoren - of in allemaal. Muzikanten met een verleden én een toekomst: de muzikale nomaden.
Arto.
Zijn naam en muziek bereikten me voor het eerst in 1996 via een remix-plaat (Hyper Civilzado), die ik me, zoals ik wel vaker deed, at random had aangeschaft. Vooral de tweede track intrigeerde me mateloos. Droge distorted beats, bevreemdende klanken en vooral, een zoete, intieme stem: "Complicity -unconscious wit - borders without borders under eyebrows - silent as scent - hair curls like smoke - Let's talk about another kind of violence... ". Dit werd het begin van een zoektocht naar zijn muziek, zijn achtergrond, zijn collaboraties... , een zoektocht die nog steeds voortduurt en reeds een eindeloze reeks muzikale schatten heeft opgeleverd. Arto Linday is volgens mij een van de meest integere, onvoorspelbare en intelligente protagonisten in het hedendaagse muzieklandschap. Wat volgt is een poging om ook u te overtuigen.

1953-1971: V.S. <-> Brazilië

Arto Lindsay werd in 1953 (28/05) geboren in de het zuiden van de V.S. maar groeide op in Brazilië, waar zijn ouders dienden als Presbyteriaanse missionarissen. Zijn tienerjaren, de jaren zestig, waren ook in Brazilië een woelige periode: in 1964 werd een militaire dictatuur geïnstalleerd, en dat had ook zijn weerslag op de culturele wereld. Teksten, film en muziek werden er onderhevig aan censuur en protectionisme. Er ontstond een culturele tegenbeweging, Tropicalismo, die zich centreerde rond twee muzikanten van de nieuwe generatie: Caetano Veloso en Gilberto Gil. Zij inspireerden zich op ideeën van de Braziliaanse avant-garde uit de jaren 1920-'30, die stelden dat de Braziliaanse cultuur in se "kannibalistisch" werkte en Europese, Afrikaanse en Amerikaanse elementen integreerde om zo tot een nieuwe, hybride wereldcultuur te komen. Tropicalismo liet zich inspireren door de straatpoëzie van Sao Paulo, de pop-art van Andy Warhol, moderne klassieke muziek (van serialisme tot John Cage) en zeker door de Amerikaanse en Britse pop- en R&B-muziek. In zekere zin was hun muziek een reactie én logisch vervolg op de bossa nova, de populaire Brailiaanse muziek bij uitstek in de jaren '50-'60. Het ontstond als een combinatie van de samba-ritmes van de muziek van Noord-Oost Brazilië en de subtiele harmonieën van de Amerikaanse cool jazz (Gil Evans, Chet Baker, de Miles Davis van Kind of blue...). De belangrijkste songwriters uit die periode waren ongetwijfeld Antinio Carlos Jobim, de man die o.a. het overbekende the Girl from Ipanema schreef, en Joao Gilberto, die nog altijd beschouwd wordt als een van de meest invloedrijke vocalisten ooit. Kunstenaars en muzikanten als Veloso en Gil, maar ook Jorge Ben, Tom Zé, Milton Nascimento, Maria Bethania, Gal Costa, Chico Buarque en vele anderen lieten zich beïnvloeden door deze verschillende stromingen en kwamen zo tot, ieder een persoonlijke, fusion van de archaïsche cultuur van ruraal Brazilië en de urbane, door de media gedreven popmuziek .

Arto lindsay bracht zijn jeugd door met het luisteren naar deze intense en innovatieve muziek. Hij werd zo ondergedompeld in een sfeer van culturele creativiteit en openheid, wat een van de belangrijkste bouwstenen zou worden van zijn latere carrière. "Brazilian popmusic was open to the various styles of music, because Brazil was close, and not the middle, of everything: to us it seemed very natural to listen and love all types of music, from the Beatles to Brazilian folk, up to John Cage. Maybe it's because of this, that I am what I am". Zijn complexe identiteit-situatie -opgevoed als Amerikaan in Brazilië- zou ook zijn sporen nalaten."One thing I realized early on", stelt hij, "was how relative culture was. I noticed that Americans seemed to think that anything that wasn't American was unnatural in a sense . Same for the Brazilians. I just thought it was completely arbitrary. It depends where you were born... "

1971-1982 . New York, New York, ...

Na zijn studiejaren, begin jaren zeventig, kwam Lindsay terecht in New York, op dat moment wellicht de meest eclectische stad in de V.S.: jongeren uit alle windstreken gingen er op zoek naar een 'golden opportunity' wat leidde tot een blend van kunst- en (multi-)culturele stromingen, zoals bijvoorbeeld het geval was met de Nuyorica -beweging, die Latijns-Amerikaanse muziek mixten met soul en afro-funk.
Het waren ook de gouden jaren voor de Underground-rock 'n' roll: mensen als Lou Reed, Patti Smith, David Byrne en Iggy Pop gebruikten N.Y. als uitvalsbasis voor hun muzikale uitspattingen en ook de punkbeweging was prominent aanwezig in het New Yorkse cultuurleven, met invloedrijke groepen zoals Television, MC5 en The Ramones. Deze 'scene' situeerde zich vooral rond de East Village en Soho, met clubs als The Kitchen, Max's Kansas City en vooral de CBGB's. De muziek was er luid, de performances confronterend, het publiek uitbundig. Lindsay was in de late jaren zeventig een van de vaste bezoekers en aanhangers van deze scene. Toen hij, eerder toevallig, gevraagd werd om te spelen in Max's Kansas City, besloot hij als non-muzikant vooalsnog een band samen te stellen. Het werd DNA met naast Lindsay als zanger-gitarist, non-drumster Ikue Mori en keyboard-speler Robin Crutchfield . Over zijn opzet vertelt hij: "I wanted to do something really extreme, I thought that was the root to succes, which didn't turn out to be true" . De muziek van DNA was minimaal, luid en noisy en centreerde zich rond Lindsay's dissonante, hoekige en (schijnbaar) ongestructureerde gitaarexplosies. De groep plukte inspiratie uit de grootstadsenergie van de Stooges en The Velvet Underground, de atonale experimenten van modern klassieke muzikanten als John Cage, de free-jazz van Sonny Sharrock en Sun Ra en Braziliaanse en Afrikaanse percussie-elementen. DNA werd al vlug een van de belangrijkste exponenten van de de no-wave post-punk scene, waar ook grensverleggende acts als Lydia Lunch, Glenn Branca en James Chance bij gerekend werden. Enkele van deze groepen werden verzameld op de door Brian Eno geproducete No New York sampler (1978), waar DNA uiteindelijk als meest interessante naar voren komt. Nadat Crutchfield vervangen werd door bassist Tim Wright (ex-Pere Ubu) zouden ze in 1980 de 12" A taste of DNA opnemen, wat uiteindelijk hun enige en laatste studio-opname zou worden : een cult-klassieker (en quasi-onvindbaar, geloof me vrij!). Het is een beklemmend en uitdagend werkstuk, minimalistisch, primitief-klinkend en noisy, dat een grote weerslag zou hebben op een generatie gitaar-terroristen, zoals Sonic Youth en The Residents. De invloed van DNA blijft nog altijd voelbaar in de huidige muziekwereld: Rudy Trouvé bijvoorbeeld is uitgesproken fan en laat dit doorklinken in zijn verschillende pojecten (het meest nog in Screaming Headeache) en het getalenteerde Blonde Redhead noemde zichzelf zelfs naar een van de DNA-songs - de bandleden zijn trouwens te horen op Lindsay's recente platen (zie verder).

1983- 1991: Ambitions...

In 1983, na het ontbinden van DNA, en verschillende zij-projecten (zie verder) richtte Lindsay een nieuwe groep op: The Ambitious Lovers. Lindsay wilde dit keer een andere richting uit: het geluid dat hij zocht was een mix van een "Al Green vibe with a samba thing". Tijdens de opnames van de eerste plaat Envy (1984) vond hij in keyboardist Peter Scherer de ideale bondgenoot: de combinatie van Lindsay's avant-garde roots en crooning met Scherer's klassieke achtergrond en melodieuze keyboard-patronen, leidde tot goed in het oor liggende popmuziek. Op de eersteling waren de scherpe randjes van de DNA dagen nog altijd prominent aanwezig, maar de opvolger Greed(1988) (wat de titels betreft: het was oorspronkelijk de bedoeling om zeven platen te maken, genaamd naar de hoofdzonden) klonk aanzienlijk gladder en bevatte heel wat funky, uptempo nummers, volledig in de geest van de Braziliaanse pop-esthetiek. Lust (1991) klinkt zo mogelijk nog poppier en lonkt nog nadrukkelijker naar Brazilië: er staat een mooie, swingende cover op van Jorge Ben's "Ponte de lança Africano (Umbabarauma)" en een van de gastmuzikanten is Lindsay's grootste idool, Caetano Veloso .
Noisemeisters die Lindsay's vroegere werk op handen droegen, waren intussen al zeker afgehaakt: de contradictie tussen de weerspannige experimenten van DNA en de quasi foutloze popmuziek van The Ambitious Lovers kon moeilijk groter zijn. Toch was deze muziek typisch Lindsay: gesofisticeerd, intelligent en eigenzinnig. Belangrijk is dat hij intussen ook een volleerd tekstschrijver geworden was: de gefragmenteerde cut-up teksten van DNA hebben plaats gemaakt voor mooie, poetische lyrics. Ook hier is de Braziliaanse invloed merkbaar: "The Brazilian thing in particular is about poetry. It was an oral culture and people couldn't read so the political and philosophical weight that writers have in South America went into songs as well as books. The level of the lyrics, and what is expected of the songwriter, is incredibly high" . Hij zingt afwisselend in het Engels en het Portugees, een taal die hij perfect beheerst. Ook bij DNA combineerde hij beide talen, maar toen stond niemand te dringen om de teksten te ontleden... The Ambitious Lovers hebben nooit het succes gekend dat ze verdienden: de perskritieken waren stuk voor stuk lovend, maar een slecht management en wisselende platenlabels (achtereenvolgens EG, Virgin en Elektra) fnuikten hun publieke carrière.

1993-... : new bossa nova

In 1993 kreeg Lindsay het aanbod om een bossa-nova plaat te maken voor het Japanse Gut/For Life Records (Onder invloed van Ryuichi Sakamoto (zie verder), die toen bij hen onder contract stond). Het werd O Corpe Sutil/The Subtle Body (1994), een prachtige plaat, vol met meditatieve ballads, gedreven door de typische Lindsay-eigenzinnigheid: de bossa nova basisstructuren zijn doorweven met subtiele electronica, samples en sonische experimenten. Ook als zanger werd hij stillaan volwassen: hij klonk op deze plaat als een volwaardige crooner, half fluisterend, soms zoet, soms donker, altijd weemoedig. Hij was zo enthousiast over deze plaat dat de opvolger al snel klaar was. Mundo Civilizado (1996) ging nog verder in de crossover tussen bossa nova, jazz, electronica en avant-garde. De arrangementen werden nog meer uitgediept en gevarieerd: flarden drum 'n' bass, ambient, cello en accordion, het kon allemaal en het resultaat was schitterend. Ook Noon Chill (1997) en Prize (1999) getuigden van een doorgedreven eclecticisme, elk met hun eigen sfeer. Intussen heeft hij een vaste kern muzikanten rond zich verzameld, waarvan vooral Andres Levin en Melvin Gibbs een grote bijdrage leveren. Multi -instrumentalist Levin heeft als producer reeds gewerkt voor een hele rits muzikanten, van Chaka Khan tot Diana Ross tot David Byrne, maar lijkt bij Arto Lindsay zijn vaste stek gevonden te hebben. Idem voor Melvin Gibbs, die als bassist zijn sporen verdiende bij legendarische namen als Ronald Shannon Jackson, Sonny Sharrock, Defunkt en in een recent verleden nog The Rollins Band. Indrukwekkende muzikanten die, ook live, garant staan voor avontuur en passie en zodoende perfect aansluiten bij het muzikaal universum van Arto Lindsay. In 1995 zou Lindsay trouwens samen met Gibbs en drummer Dougie Bowne (speelde samen met Chris Whitley, Marianne Faithfull, the Lounge lizards, ...part-time Arto Lindsay compaan) een interessant zijstapje maken als het Arto Lindsay Trio. Aggregates 1-26 was gegroeid uit een aantal jams en een nostalgische bui naar de DNA jaren. Het geluid (zwalpende bassen, piepende en krakende gitaren, de hunkerende stem van Lindsay) deed inderdaad denken aan de tijd van toen, maar geeft vooral een goed beeld van hoe Arto Lindsay live klinkt (i.c. ruwer en groovier dan op zijn platen).

Wat voor vele muzikanten halfslachtige, geforceerde of in het slechtste geval pretentieuze muziek zou opleveren, was voor Arto Lindsay het resultaat van een spontaan proces. Zijn huidig werk is beinvloed door verschillende muzikale idiomen (de NY avant-garde mentaliteit, de Braziliaanse traditie, de eighties popmuziek, ... ), maar zeker ook door de verschillende scenes, muzikantengemeenschappen die hij heeft gefrequenteerd. In zekere zin schuilt de grootste kracht van zijn muziek in zijn manier van werken: hij kan immers geen instrument op de conventionele manier bespelen (hij kan woorden en melodieën schrijven, maar geen akkoorden), zodat hij collaboraties moet aangaan. Hij laat zich bijstaan door muzikanten uit alle uithoeken van de wereld, met verschillende achtergronden en referentiekaders, wat leidt tot een intense intermenselijk en muzikale dynamiek. De mensen met wie hij heeft samengewerkt zijn wellicht zijn grootste bronnen én klankborden: nemen en geven. Een overzicht van zijn samenwerkingen verklaart heel veel. Ik heb hierbij geopteerd voor een opdeling in zijn drie muzikale habitats: New York, Brazilië en Japan.

Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie