En ja, het moet gezegd: Voici/Kijk overtuigde niet. De Duve wou de
'Actuele' Kunst aan het ruime publiek gaan openbaren als een toch niet
zo hermetische discipline. Intussen lijkt het toch wel overduidelijk dat
dit wel het geval is, en dit omwille van de theoretische lading, of toch
in substantiële mate. Wat echter niet veronderstelt dat een waarderend
kijker de theoretische basis dient aangereikt te krijgen om enige vorm van
appreciatie of waarde te gaan ontwikkelen voor het object an sich.
Het opzet was de bezoeker te overtuigen dat het kunstobject het al
altijd over hen heeft gehad en dit doorheen drie thema's: Me Voici/Dit ben
ik, Vous voici/Daar ben je en Nous voici/Hier zijn wij. Kortom presentatie
en representatie in hun volle glorie. (Enige nuancering is vereist. Heeft actuele kunst het ook wel niet heel erg veel over kunst in het algemeen en het object zelf?) De titels suggereren een natuurlijke
band tussen object en kijker, een omarming als het ware maar dan vanuit
het kunstwerk zelf, die ene richting, want het kunstwerk spreekt tot de
kijker. Komt het echter tot een natuurlijk gesprek? Waarschijnlijk niet.
Of hoe verklaar je dat koptelefoons door middel van bezwerende woorden het
binnenoor van de kijker hoeven te kietelen? Waar is die uiteindelijke
absolute relatie, het alleenrecht van kijker en object, naartoe, als er
een derde actor het canvas bewandelt?
De inkomhal was het startpunt van het parcours, Me voici/Dit ben
ik, en ze toonden zich met of zonder voetstuk, de rode draad doorheen dit
hoofdstuk. Manzoni en Duchamp, weggestopt, ergens tussen twee zuilen,
middenop de trap naar de eerste rotonde. Twee kanjers van werken die het
juist voorbijgestapte veld, rijk aan elkaar confronterende beelden en
enkele expliciet duidende werken, overschaduwen. Wat staat die Manzoni
daar nu te doen, dat ding heeft een functie, eentje die de toeschouwer
beter aan den lijve zou ondervinden, nu ja er is nog altijd iets als
conservatie, behoud dat leidt tot een stille dood van het object, nooit
ofte nimmer meer terug te vinden in de oorspronkelijke functie, en als een
of andere vreemde zeeaal die besproken wordt doorheen het speakersysteem
in een aquarium aan de zee, lonkend naar vrijheid. Het voetstuk zou die
kijk-bezoeker de enige echte dé-clic gegeven hebben.
Het parcours en de achterliggende tactische overwegingen bevatten
tal van dubbelzinnigheden. Of wat dacht je van dit: om de natuurlijke band
tussen kijker en object wat te helpen leek het gunstiger om van de
tentoonstelling geen show te maken, dit door van een aantal kunstenaars
niet de meest gekende of representatieve werken te etaleren (Mondriaen).
Een zinnige redenering, ware het niet dat er nog altijd iets bestaat als
naamplaatjes. De regelmatige museumbezoeker zal ooit wel al eens het
kijkgedrag van de andere onder de loupe genomen hebben. Daaruit blijkt dat
naar alle waarschijnlijkheid de wandelende kijker zich kort fixeert op een
werk, om dan het naamplaatje te bekijken, en pas dan de echte confrontatie
met het werk aangaat. Het is dus nogal nutteloos om als je de naamplaatjes
laat hangen, niet evidente werken van die ene of andere te kiezen. De
neutralisatie van de tactische overweging ligt dus volledig bij het niet
doordenken van de strategie.
Kijk/Voici is, ondanks wat er misschien beweerd wordt, geen
tentoonstelling met een vernieuwend concept. Kunst kan niet meer naar
periode getoond worden, nee, het thema staat aan het roer van de
overwegingen van de curator, zoals Hoet graag speelt met confrontatie, nu
opnieuw met de tentoonstelling Tuymans - De Keyzer. Komt men dan niet
ongewild tot de confrontatie, relatie van de kijker en een verzameling van
objecten, werken? Wie spreekt er dan uiteindelijk: de curator of het
kunstwerk zelf? Of is deze vraag al teveel gesteld?






