Die kleine man is Georges Vermeersch (Bert Luppes), die vrouw naar wie hij op zoek is zijn vrouw Jeanne (Elsie de Brauw). Georges is vervroegd thuisgekomen uit de gevangenis, waar hij gezeten heeft voor incestueuze handelingen met zijn dochter Christiane (Yonina Spijker). Jeanne, met verbazing geslagen, weet niet goed wat te doen, want onderwijl heeft zij het aangelegd met de beste vriend van Georges: Erik (Fedja van Huêt) en is van diens kind, Elizabeth ofte Lilli, bevallen. Waar zijn wij allen in terechtgekomen? In een hoop ‘miserie’ zo blijkt, maar op een goede vrijdag wordt alles opgelost… Nee, dit is geen oorlog van wraak en haat maar een strijd om liefde. ‘Het is verleidelijk om vanuit de haat te spelen, dat bleek twee dagen voor de allereerste première toen Johan ons vroeg: ‘Voelen jullie nog wel de liefde?’ Alles draait rond de liefde.’ Zo klinken de overtuigende woorden van Bert Luppes en Johan Simons. Inderdaad Vrijdag is niet meer het rauwe verhaal waar het mes op de tafel ligt, maar hier wordt het zakmes meermalen dichtgeklapt en weggestopt in de broekzak om de liefde niet in gevaar te brengen. Het werpt een volledig ander licht op de zaak, het maakt zelfs de komische kant in Claus’ tekst wakker.
Georges en Jeanne bevinden zich in de intieme ruimte die afgesloten wordt door rode doeken omsloten. Een kleine spleet ertussen laat vermoeden dat er achter wat we te zien krijgen een wereld schuilgaat. De plattegrond van het podium is uitgebouwd in de vorm van een kruis dat reeds wijst op een dramatische gebeurtenis waarbij de personages gekruisigd zullen worden om uiteindelijk gelouterd en vergeven uit de strijd te komen. De kruisvorm loopt uit tot een stuk in de toeschouwerruimte. Enerzijds verhoogt dit de intimiteit tussen de personages onderling en tussen personage en verhaal door het gevoel van afzondering. Anderzijds - ironisch genoeg - stelt het de personages volledig tentoon aan de buitenwereld, onbeschut wordt hij/zij overgegeven aan de priemende blikken en de venijnige tongen van de toeschouwers/het dorp. Zij lijken tentoongespreid op een ‘catwalk’ waar elke lustige toeschouwer keurt, bekeurt, goedkeurt of afkeurt.
In deze ruimte ontvouwt zich gedurende het eerste uur van het stuk de relatie tussen Jeanne en Georges. Dat deze relatie op losse schroeven staat wordt niet alleen duidelijk in de dialogen, maar ook in de enscenering. De woonkamer wankelt op haar grondvesten. Omsloten door de deinende beweegbare doeken verwoordt ze de labiele en onzekere situatie waarin de personages zich bevinden. Als vreemden moeten ze opnieuw elkanders grenzen aftasten, elkaar van voor af aan leren kennen met in gedachten flarden van het verleden, van vroegere (betere?) tijden. Ook de gestiek en mimiek van Jeanne toont die onzekerheid. Hoewel ze naar buiten treedt als een moderne karaktervolle vrouw (ten tijde van de jaren 60-70) die het leven in handen heeft genomen toen haar man achter de tralies zat, lijkt ze toch even te wankelen op haar rode hakschoenen. Men kan zich natuurlijk afvragen of dit komt door onzekerheid of door dronken te zijn van liefde. Half dansend van plezier zo lijkt wel, half geslagen door de verrassing zwiert Jeanne over de scène terwijl ze steeds opnieuw terugzoekt naar de Georges zoals zij die zich herinnert als haar grote liefde. Dat de twee van elkaar vervreemd zijn is niet onnatuurlijk als je te horen krijgt dat Jeanne en Georges in al die gevangenistijd elkaar nooit gesproken of gezien hebben. Het is dan ook niet vreemd dat Jeanne als zelfstandige vrouw zich een ander man heeft aangemeten. Iets wat Georges bij aanvang tegen de borst stoot maar gaandeweg wordt opgelost of liever aanvaard als een rechtzetting. Dit blijkt wanneer hij zegt ‘We staan quitte. Ik heb iets misdaan en nu hebt gij ook iets misdaan.’
De rode decordoeken wijzen echter, naast de onzekerheid, ook nog op een ander aspect binnen het stuk, namelijk naar de wet van de privacy. Doorheen alle dialogen hoor je steeds opmerkingen over het dorp, die kleine gemeenschap waar de monden nooit zwijgen. Door de keuze voor dergelijke wankele en manipuleerbare afsluiting in plaats van stevige muren wordt meteen ook verwezen naar de zichtbaarheid en hoorbaarheid van het gezin. De gordijnen zijn de flinterdunne wandjes tussen het gezin en de buitenwereld, waar op elke hoek van de straat een kwade tong zijn gal uitspuwt over het gezin Vermeersch, althans die indruk krijg je toch. De personages met hun kostuums in rode tinten lijken wel te willen verdwijnen in het decor om zich aan het oog van de toeschouwer, van de dorpsgemeenschap te kunnen onttrekken. Ze trachten één te worden met het gordijn, met de sofa, maar ondanks hun pogingen blijven ze gefixeerd. Ook aan de andere zijde van het toneel is er duidelijk gewerkt met de factor van sociale controle. Zoals reeds vermeld is de uitbouw van een ‘catwalkachtig’ platform hierin een belangrijk element. De personages worden vaak alleen wanneer zij het kwetsbaarst zijn willens nillens tentoongesteld. Daarbij komen de directe aansprekingen en het spel met het publiek door de acteurs, waarbij je als toeschouwer niet gemakkelijk kan wegzakken in je luie stoel, maar gedwongen wordt een partij in het verhaal te kiezen: voor of tegen Georges. Je wordt op sleeptouw genomen door het verhaal en tot de doeken vallen heb je de neiging je bij Georges aan te sluiten uit ‘compassie’. Pas als het doek valt blijkt dat je op het verkeerde been bent gezet.
De gordijnen zijn gedurende het eerste deel van de voorstelling niet alleen symbolen geweest voor de onzekerheid, de sociale controle, maar ook en voornamelijk voor de bedekte waarheid. Nu blijkt dat al die tijd Georges gelogen heeft over zijn affaire met Christiane, dat zij wel de waarheid vertelde. Geen echte schok voor Jeanne zo blijkt (‘ik wist het. Je wende je ogen van me af, ze blonken’). Pas nu kan het ganse proces van heling in gang worden gezet. Nu kan iedereen gelouterd worden en een nieuw –oud – leven bouwen. Aan het eind van het stuk klinkt dan ook hoopvol het lied ‘Here comes the sun’ uit de luidsprekers terwijl Jeanne liefdevol het haar van Georges begint te wassen wat uitmondt in een enige, en eerste omhelzing van de geliefden. Het lijkt wel een happy end, maar men kan zich toch de vraag stellen of we niet terug aan het begin van het verhaal staan met moeder, (stief)vader en (stief)dochter. Is de cirkel niet schrijnend rond en klaar om nogmaals bewandeld te worden?
Een twee en een half uur durende voorstelling die geen minuut verveelt daar zorgt een sublieme cast, een sterke mise-en-scène en een ontcijfering van de symboliek voor. Zowel het stuk van Claus als de mise-en-scène van ZT Hollandia staan bol van symbolen, een pracht van een voorstelling waar soms zelfs nog geheimen voor de acteurs, regisseur en decorontwerper in verborgen liggen zo bleek in de nabespreking. Kortom, het is een voorstelling die blijft nazinderen.






