Het was de derde keer dat ik naar het verre Oudenaarde trok, diep in de Vlaamsche Ardennen (“iedereen staat er scheef”), om er het enigszins kneuterig benaamde Feest in het Park bij te wonen. Van de vorige twee edities kan ik mij voornamelijk herinneren dat we geen enkel optreden zagen, heel veel pinten hebben gestolen en dat ik er me voor de rest nog maar bitter weinig van kon herinneren. Dat moest veranderen, vond ik, en daarom had ik besloten deze keer de volle drie dagen te gaan, om het laatste festival van de zomer glans- en eventrijk te kunnen beleven.
Resultaat: nauwelijks een optreden gezien, geen pinten gepikt, en bitter weinig herinneringen. Hoe is dat nu kunnen gebeuren? Ik heb zo enkele hapklare verklaringen. Vooreerst, muzikaal valt er op Feest in het Park al bij al niet zo bijster veel te beleven eigenlijk, ik heb werkelijk waar geprobeerd zoveel mogelijk optredens bij te wonen, maar nog niet met de beste wil in de wereld ben ik er in geslaagd ook maar één optreden volledig uit te kijken, steeds maar weer leek rondwandelen, zeveren, pinten drinken en volk tegenkomen een interessantere optie. Ten tweede: van Feest in het Park word je extreem lui, zeker de campeerders wordt het niet makkelijk gemaakt, wat het volgende hopelijk kan illustreren.
De eerste nacht, donderdag, veel te laat op het festivalterrein gearriveerd, twee uur voor het daar gedaan was, niks gezien wat echt op iets leek, allemaak suffe jaren 80 reggae, wel al met een serieuze waggel terug naar de camping gesukkeld, die om een of andere reden mijlenver van het terrein lag, en bestond uit een grote zandvlakte, daar de afterpartytent ingesukkeld met een fles whisky, waar ook nog eens reggae gedraaid werd, en er serieus wat afgelachen kon worden met al die zatte mensen die zichzelf wanhopig recht probeerden te houden in al dat zand, en dan plots m’n tent ingedoken, om twee uur later gewekt te worden door m’n linkerburen, die al op waren, en die tot m’n eigen afgrijzen een gettoblaster meehadden, waardoor ik op dat schrikbarend vroege uur een héle cd van fucking Radiohead heb moeten aanhoren. Geef mij dan maar liever een gruwelijk tastbare nachtmerrie waarin ik van kop tot teen opgevreten wordt door een roedel dolle honden. Een uur of twee later opnieuw gewekt, deze keer door m’n rechterburen, een groepje Hollandse festivalgangers op leeftijd die luid discussieerden omtrent fiscaliteit, de beursgang en de toestand van het huidige bedrijfsleven in Nederland, dat ging mij echt wel wat te ver, en toen merkte ik plots ook op dat m’n tent belegerd werd door mieren, die ongetwijfeld met honderden werden aangezogen door die chocovlekken die nu al een jaar lang m’n binnenzeil sieren (zie Oscariteiten op Dour). Meteen werd mij duidelijk dat de chocotent onleefbaar moest verklaard worden en de volgende nacht ergens anders moest doorgebracht worden.
Maar die volgende nacht was nog erg ver weg, het was nog maar elf uur ‘s morgens, slapen zou niet meer lukken, en het eerste optreden van de dag stond gepland voor negen uur later… en dan ga je je toch wel afvragen wat je in godsnaam verondersteld wordt om met al die tijd ertussen aan te vangen. Het antwoord bleek verrassend simpel: niks.
Meer dan een volledige werkendag werd gevuld met koffie drinken, roken, naar scheve mensen kijken, wat in het zand liggen, een voor een even indommelen, vragen hoe laat het ondertussen is, dan eens naar de wc gaan, nog een jointje roken, nog wat in het zand gaan liggen, tot m’n armen er van openlagen, en tegen dat het eindelijk acht uur ‘s avonds was eigenlijk geen zin meer hebben in de openingsact, het anders live nog erg te pruimen Le Peuple de l’ Herbe, aangezien tegen dan al zo tam dat rechtstaan alleen al een half uur tijd vraagt. Soit, tegen negen uur zijn we er toch geraakt, meteen het zuur gekregen door iets te lang naar Zita Swoon te kijken, god, wat kan diene Carlens een pak zagen, vervolgens wat aan het rondsloffen geweest, op zoek naar de mysterieuze lekkernij ‘Oereflap’ genaamd, waarvoor ik een bonnetje op de grond gevonden had, na twee uur zoeken pas gevonden, en wel bijzonder goed bevonden, maar waarom een pannekoek met brocoli en champignons een Oereflap moet genoemd worden, dat heb ik dan weer niet geleerd uit deze queste (en de dag erop leek het een leuk nieuw scheldwoord opgeleverd te hebben, roepend van "zeg, waar zitten al die voze flaphoeren hier?")
Nu goed, eenmaal gegeten bleek alweer de laatste act bezig te zijn, het ook al overal presente Squadra Bossa, wat nog wel meeviel, tegen dan was iedereen al weer goed beschonken, lagen Freaky en Pitrak te worstelen en passanten lastig te vallen, lag Soya fulltime "strijk" op de grond van het lachen en begon Sharlo wild te paaldansen, om af te ronden met haar bekende act waarbij ze haar gezicht volsmeerd met mayonaise, om het vervolgens, in een moment van spijt, er weer af te vegen…met droog gras en stof.
En dan was het daar weer allemaal afgelopen, terug naar de camping, voor deel twee van de nacht, alwaar ik in bedenkelijke toestand rond 4 uur ‘s nachts nog een mierloze tent heb rechtgezet, om daarna weer met de whiskyfles ter hand de afterpartytent te bestormen, of samen met Freaky de mannen van de sigarettenstand gaan vragen of ze zich niet stonden te vervelen en te generen met hun zilverkleurige Johnnyvesten aan, waarom ze ons vervolgens een pint cadeau deden weet ik niet meer, net als weerom het slot van de avond uit die grijskleurige krochten in m’n kop verdwenen is, waarna een opnieuw veel te korte nacht volgde, opnieuw niet veel meer dan een viertal uurtjes slaap, opnieuw een lange lome namiddag voor de boeg, en een verwerkingsproces dat wel eens tot diep in de volgende nacht kon duren, wat ook het geval was.
Zaterdag was veruit de meest tamme dag van de drie, al na enkele uren van in een half bewuste toestand op een bankje hangen was ik elk besef van tijd verloren, wat mij betrof kon het op dat moment evengoed 39 februmaartie 3219 geweest zijn. We hielden onszelf enigszins wakker door lang te discussiëren over de vraag hoe relatief alles wel niet is, het relatieve inbegrepen, en er onszelf heel erg druk in maken dat er zo weinig gerelativeerd wordt in de wereld. Later mezelf nog wat in het zand neergelegd, want ik vond dat dat al lang geleden was, en mezelf gebogen over de vraag of ik niet evenveel plezier had kunnen beleven door diezelfde dag naar Rimpelrock af te zakken, tussen de ouwe knarren staan kunstheupwiegen op Helmut Lotti en Freddy ‘Brel’ Birset uit Genk, even in een klapstoeltje naast Guy en Jos gaan zitten, goedkeurend fluitend naar de stroom aan zilverkleurige dames in strakke korsetten, waarop de Jos dan zal zeggen "jaja, kijken, dat doeme nog geiren, maar den deze gaat er niemeer achteraan gaan lopen", en dan zeg ik "maar allez Jos, en uw jachtinstinct dan?", en de Jos dan lachen, "jachtinstinct? Ha! Mijn pijlen zijn al lang verschoten, van mij moet dat allemaal niet meer, ik zal nog wel nekeer goe loeren, maar den deze blijft wel schoon op z’n gat zitten, dan verslijten mijn knieën niet zo rap als al de rest", en ik knik dan en bedenk dat de Jos gelijk heeft.
En dan doorbreekt het geluid van honderden schreeuwende Westvlamingen mijn suffe gedachten, en blijk ik weer bedolven te zijn onder het zand, en is de openingsact van de laatste dag, ‘t Hof van Commerce, al begonnen, en heb ik plots niet zo veel zin meer om nog naar optredens te gaan kijken. Toch mezelf naar daar gesleept, om met het eerste optreden, dat van The Herbaliser, meteen weer neer te gaan liggen, net niet in slaap vallen, dan weer verslepen naar de andere tent, daar wat op de grond gaan liggen, een paar uur later, tijdens Jimi Tenor, het meest interessante optreden op de affiche, toch al recht kunnen staan, tegen een paal leunend weliswaar, maar na een klein half uur al koppijn krijgen van al die luide blazers, moedeloos worden, niets wil lukken vandaag, zou ik gaan slapen? Ook raggaman Sizzla interesseerde me geen fluit, nog wat rondgeslenterd, en plots was daar een drum&bass-feestje, ergens in een verdomhoekje van het festival, een serieus afhellend stuk grond achter de wc-hokjes, die een voor de hand liggende rotgeur verspreidden, maar toch, zo een uurtje staan springen op een goeie ouwe breakbeat sleurde mij er weer helemaal door, het is nu eenmaal het ritme van m’n lijf, helaas dat we daarna de cruciale fout maakten om ‘uit nostalgie’ naar The Orb te gaan kijken, een groep die destijds hun tijd zo ver vooruit waren dat ze al die jaren erna nooit door hebben gekregen dat de tijd hen al heel snel weer ingehaald had, zodat ze nu ongeveer even vooruitstrevend klinken als een New Beat groepje op het Sonar-festival, bijna zo boeiend als een cd van Céline Dion, geremixed door Enya...
Bref, net op tijd die comateuze toestand ontvlucht, eerder toevallig in de achterste tent beland, alwaar TLP z’n trukkendoos met veel show stond te verkopen, wat zoals steeds een stomend Feest oplevert. Begrijp me niet verkeerd, het heerschap kan wel degelijk een goed potje mixen, maar moet hij nu echt zo’n arrogante rotbek trekken telkens hij twee platen vlekkeloos aaneenmixt, en ondertussen met z’n vinger wijzen naar z’n platendraaiers? De mens moet wel ooit eens in een cokeroes zijn blijven hangen, sindsdien heeft ie al z’n colberts uit z’n collectie mogen verwijderen, if ya know what I mean.
En dan was het daar weer gedaan op het terrein, en konden we eindelijk beginnen aan het enige waar ik die dag wél zin in had, namelijk afterpartyen. Onderweg naar de camping liep het nog wel even mis, toen we een shortcut namen door de bosjes, stijl naar beneden, in totale duisternis, met aan het uiteinde een diepe beek, en net dat laatste was ik eventjes vergeten, ik waande mij al veilig aan de overkant toen ik met één voet lichtjes achterover schoof, en vervolgens traag maar zeker tot aan m’n schouders de beek inzakte, waar ik zo nog even bleef staan, nog niet helemaal bewust van wat er gebeurde, tot grote hilariteit van de omstaanders. Zeiknat de rest van de weg afgelegd, droge kleren vol dode mieren aangetrokken, m’n door onverlaten zo goed als volledig leeggezopen whiskyfles onder een auto gevonden, en dan eindelijk kunnen gaan feesten, met doorweekte schoenen. Maar, en dit is het mooie aan het hele verhaal, ondanks al die rampspoed toch nog veruit de beste afterparty ooit op een festivalterrein meegemaakt, wat de heren Mush en Mushka daar doorelkaar stonden te mixen grensde aan het onmogelijke, reggae met Leila K met hardtek, jungle, drum & bass, electro en godweetwatnogallemaal, waanzinnig gewoon, ondanks de zich opstapelende blaren op m’n voeten staan springen alsof er hete kolen in m’n schoenen zaten, en helaas iets te snel al m’n laatste centen opgedronken, voor het merendeel besteed aan spa, geloof het of niet, de gedachte alleen al aan nog één zo’n gore Liefmans pils deed me kokhalzen. Dat gaf dan wel het probleem dat ik vroegtijdig platzak verplicht was om relatief nuchter in m’n tent te kruipen, die op 50m van de partytent stond, die zo’n enorm zware bassen over de camping joeg dat het zeil van m’n iglo aan het trillen was. Vreemd idee eigenlijk, zo’n feesttent in het midden van een drukbevolkte camping plaatsen, en dan tot halfnegen ‘s morgens de hardst denkbare muziek draaien die je je maar kan inbeelden, om dan een half uur na het einde van het feest te beginnen met de afbraak, het geluid van camions die vlak naast m’n tent af en aan rijden, de omheining die zeer luidruchtig naar beneden gehaald wordt, en zondagse motortoeristen die meteen beginnen crossen in de zandvlakte. Slapen heb ik met andere woorden niet of nauwelijks gedaan, net als de twee vorige nachten, en dat begon toch wel zo stilaan z’n tol te eisen. Na alletwee m’n tenten te hebben afgebroken, alles met veel moeite ingepakt en m’n kop bijeengeveegd te hebben gelukkig meteen mee in een wagen richting Gent kunnen springen, richting warme douche, richting zacht bed, en richting de laatste post-festivalkater van het jaar…
Besluitend, zoals al eens werd opgemerkt na het laatste pintje op de laatste dag van de Gentse Feesten: "eentje teveel is net genoeg", onzin met een wolkje zin, maar ook dat is, zoals reeds gezegd, relatief. Hoe dan ook, tijd om m’n pantoffels vanonder het stof te halen en nog eens een goed boek te lezen. En wat leest een mens dan in zo’n boek: “Escaping reality to go into simplicity is just what I do, except I regard reality as being simplicity” (Jack Kerouac), en verdomd als het niet waar is! Fuck pantoffels en laat ons nu alvast het glas heffen op het Festivalseizoen van 2004! Dat het zo wild, onverantwoord, waanzinnig, bezopen en ronduit krankzinnig mag zijn als die van 2003. Daar teken ik voor. Tot die tijd verblijf ik, met hoogachting, uw aller,
Oscar






