Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Katrien Van Langenhove:
Alle dagen zomer
'De heining' - Jan Van Loy
Over 'Kamp Jezus' van Wunderbaum
IMPRESSIES VAN OP HET TIME FESTIVAL
datum 18.05.2003
rubriek Podium
Leven en dood. Niet als de twee uiteinden van een aftandse strakke dramaturgische lijn, maar binnen één groot feest. Een Gents stadsfeest. Een onsterfelijke elfdaagse.
Officieel heette het thema van Time 2003 “Ars moriendi/Ars vivendi” (De kunst van het sterven/ de kunst van het leven). Het thema zinspeelt dan ook op extreme ervaringen of belevingen. Aan intensiteit geen gebrek. Het was het festival van de ‘experience’, dat niet alleen op ervaring, maar ook op experiment alludeert. De keuze van de gastgezelschappen, maar ook tal van motieven binnen de voorstellingen refereren ruimschoots naar de Time-thematiek. Het ‘Workcenter of Jerzy Grotowski and Thomas Richards’ laat vanaf de dood van Grotowski in 1999 deze theatermaker en -theoreticus als het ware verrijzen en opstaan temidden een groep enthousiaste acteurs – of beter- onderzoekers die vooral met experiment bezig zijn. Ervaring in de puurste theatrale zin van het woord vind je dan weer in het Labyrint van Teatro los Sentidos terug. De vergankelijkheidsthematiek in zowat elk onderdeel van de programmatie; Stof (niet toevallig de titel van Janni Van Goors dansvoorstelling) en as (waaronder de poppetjes van de marionettenspeler Ezéchiel Garcia-Romeu bedolven werden).

En zand. Al van de eerste avond was het duidelijk. Sahara Blues was de naam van een wervelend muzikaal allegaartje. Zand in overvloed, nooit een zandstorm. In het oude ACEC – fabrieksgebouw bouwde kunstenaar William Phlips een grote Mexicaanse grafheuvel in rijnzand. Het Meeting-Point even verscheiden, even bont als een strand vol onbekenden, zonnebadend.

Abbérations du documentaliste, een voorstelling van Ezéchiel Garcia-Romeu en François Tomsu, 7 mei, Nieuwpoorttheater, 22u00. In absolute duisternis begeef ik me samen met 39 anderen op weg naar het sprookjesprieeltje van deze eigenzinnige Franse theatermaker. Tasten langs lange zwarte gordijnen, schuifelen langs smalle gangen. En dan, achter een wazige afscheiding als van kippengaas, een oude voorovergebogen man (Jacques Fournier) in een ruimte met twee immense gebogen wanden vol boeken tot in de nok. Wanneer hij een soort cape afneemt zien we zijn rimpelige gezicht. Het publiek staart, met open mond, vol ontzag, als een kind in de Efteling naar dit wonderlijke decor, naar elk detail, ook in de bewegingen van de acteur. Na enkele minuten gaat de tocht verder. Dit labyrint mondt uit in het kleine universum van een documentalist. De ruimte vernauwt tot we uitkomen bij de hersenspinsels oftewel 'abbérations' van deze alwetende man. Van op prachtige smeedijzeren stoeltjes kijken we in zijn geest waar van alles beweegt. Minuscule poppetjes; een kreupele die de wereld draagt, een schrijver, maar ook allerlei bizarre voorwerpen verschijnen één voor één op het bureau van de documentalist die ons, misschien vooral zichzelf, vragen stelt over het ontstaan van de wereld. Naast een zoekende, piekerende man, lijkt deze sympathieke grijsaard ook een beetje op een god of op een goochelaar, die de poppetjes weer even snel laat verdwijnen in de luikjes die deel uitmaken van een ingenieus systeem dat is ingebouwd in het bureau. Ook de bibliotheek staat voor meer: met haar koepelvormige plafond bezaaid met sterren is zij tevens het hele universum. Diversiteit staat voorop. Er zijn niet alleen de meest uiteenlopende poppetjes te zien, we horen ook een opmerkelijke mix van verschillende soorten teksten (poëtische, astronomische, dramatische, kosmologische). De documentalist die dacht alle kennis over de wereld op een rijtje te kunnen zetten, vervalt in chaos. De rede ontspoort en maakt plaats voor de fantasie: 'abbérations' zijn niet enkel dwalingen, maar ook hallucinaties. Nog steeds met ingehouden adem wordt het publiek opnieuw het duistere labyrint ingestuurd. Op zoek, maar wel met een grote fantasieprikkeling extra dankzij deze onvoorstelbaar mooie voorstelling waarbij het genieten (van elk detail dat juist zit), het ondergedompeld worden centraal stond. Een ervaring bij uitstek.

In Too shy to stare (Random Scream) keert het labyrintmotief, hét beeld van de wandelzoektocht tussen leven en dood, terug in een meer gestuurde vorm. De bezoeker van deze donkere kamers waarin foto’s van jezelf een eigen leven gaan leiden stippelt zelf de route uit maar wordt steeds op zichzelf terug geworpen. Bevreemdend en veel minder beveiligend werd het –in tegenstelling tot het opzet van de makers- voor mij pas toen een acteur het masker met mijn afbeelding erop aftrok en me schaamtelos aanstaarde. Van een mooie soort bevreemdheid getuigde het kijken maar vooral het luisteren naar iemand die je Requiem speelt. De dood als iets zoets.

Anders dan in de Norbertijnerkapel van Het Huis van Alijn, waar Stephen Sacks projectiebeelden de dood in een totaal ander daglicht plaatsen. In deze vervallen kapel komt het daglicht immers maar met mondjesmaat binnen en krijgen allerlei demonische figuren vrij spel. De tentoonstelling Fantasmagoria laat een reeks spookbeelden zien in een uniek en uitermate geschikt kader.

Van een kader kan men met betrekking tot Enrique Vargas’ labyrint bezwaarlijk spreken. Als je het labyrint binnenkomt betreedt je een andere wereld en die laat voor eeuwig sporen na. Hoogst persoonlijk, hoogst zintuigstrelend is deze reis langs allerlei kamers waar intrigerende figuren wonen. In het donker kruip je, voel je, en snuffel je als een hond. Toch is dit de meest diep-menselijke theaterervaring die ik ooit ervoer. Enkele beelden zijn onsterfelijk. Een vrouw die eindeloos rondjes draait aan een rad en je uitnodigt met haar mee te duwen. Een zandvlakte als een maanlandschap met een vrouw die je uitnodigt om samen met haar mannetjes in het zand te houwen. Een spinvrouw in wiens web je kruipt en aan wiens buik je voelt, tot ze je wenkt en aanmaant tussen haar benen door te kruipen. Een donker holletje. Maar dan ontdek je een uitgang. Een smalle tunnel. Je tast. En voelt handen, heel veel handen. Ze grijpen je, je streelt ze. Was theater ooit zo sensueel? Handen dansen met je, maar laten je ook weer los. Het leven met tal van hindernissen, momenten waarop je valt. Als in een zwart gat. Maar dan blijkt dat je in een soort bootje zit, een kuip, en je wiegt mee. En het kriebelt in je buik. Je valt, maar komt toch steeds op je pootjes terecht. Soms moet je kiezen, zoals bijvoorbeeld tussen drie verschillende deuren, maar voor twijfel en onzekerheid is er geen plaats. In deze wereld vol mooie geluiden, muziekjes, geuren en beelden, voelde ik me heel geborgen. Aan het eind van dit sprookjesuniversum waar ik wel een uur in bleef dwalen maak ik een tekening in een kamer met heerlijke geuren. Ik wil niet weg, maar de gedachte aan een soort tussen-sprookjeswereld met lemen ovens, kleine poppentheaters, feestenbouwers als de Gentse groep Cirq en waar elke dag gratis heerlijk vers brood wordt uitgedeeld, troost me. Ik laat mijn ballonnetje vliegen, kijk het even na en rep me naar tussenwereld Meeting-Point waar later op de avond enkele mensen van Teatro los Sentidos benieuwd waren naar mijn bevindingen en ik weinig meer kon doen dan breeduit lachend mijn blauw bestempelde duim, die in de eerste kamer haar sporen verdiende, op te steken en nog wat na te glunderen.

Het zand dat in het labyrint steeds terugkeert en waarop een voetafdruk even gemakkelijk verschijnt als weer verdwijnt, vind ik ook in de tweede voorstelling van Garcia-Romeu. Het zand is nooit weg. La Méridienne, Ezéchiel Garcia-Romeu, 9 mei, Arca, 21u00. Kleinheid is de boodschap. Het machtige decor van in Abérrations du documentaliste maakt plaats voor een miniatuurtempel, een klein stoeltje voor een zinnenstrelend heiligdommetje met een kijkgaatje is alles. Maar het is heel veel, en voor iedereen iets anders, blijkt uit het gesprek voor, tijdens en na de vijf minuten waarin je het meesterlijke marionettenspel mag aanschouwen. Dat is eigenlijk de echte voorstelling. Zes mensen die aan een tafel met wat wijn en wat lekkers praten over wat ze hebben gezien en zo samen tot een geheel, een verklaring, een puzzel die mooi in elkaar past, willen komen. Dat blijkt niet zo eenvoudig. Garcia-Romeu wil je doen filosoferen. Het is wel bijzonder leuk, verrijkend, verrassend. Vijf onbekenden geven al gauw hun kijk op het leven. Op wat ze gezien hebben. Een klein poppetje; een monnik voor de een, een schrijver voor de ander, een cartograaf, een filosoof en een schilder voor nog anderen. Of gewoon voor ieder van ons, denk ik. Zoekend alweer, en tegelijk schrijvend. Of schilderend, maakt het wat uit? Het popje kruipt voorzichtig van onder het zand te voorschijn, het probeert krampachtig en telkens opnieuw het zand van zijn lessenaartje te vegen. Op het eind komt er een grote echte mensenhand, wat niet alleen een schitterend surrealistisch beeld oplevert, maar ook de meeste vragen oproept. De hand: deus ex machina. God? De inspiratie, de hand van de kunstenaar, de tijd, de vergankelijkheid. De hand strooit immers zand in het rond tot het poppetje en het lessenaartje voorgoed bedolven worden onder een heuse zandhoop. Maar niet voor lang, want daar gaat het gordijntje al weer open voor de volgende tafelgenoot die precies hetzelfde, maar dan anders ziet. De Maratoscoop, wordt dit heiligdom genoemd, en het mag terecht een klein wonder heten. Dat het van veel lef getuigd om zoiets te maken, werd aan mijn tafel gezegd. En dat er misschien wel zand in onze ogen wordt gestrooid, telkens opnieuw. En dat een zandloper een mooi beeld is. En dat zand kan kriebelen tussen je tenen.

Brood en spelen. Het Time festival vindt in het schilderachtige Meeting-Point opnieuw het stadsfestival uit, zoals we dat kennen uit de Middeleeuwen. Poppenkast en vlooiencircus; eeuwenoude en pure vormen van vermaak. Back to the basics, leem en lekker donker brood gaan hand in hand met dé dramatische vorm van dit festival bij uitstek; Het Laatste Avondmaal. De kunst van het leven, de kunst van het sterven is nergens zo opvallend en puur aanwezig als tijdens deze soms rijkelijke, soms sobere maaltijden. Het samen aan een tafel zitten is hét beeld voor feest, de ervaring die Time 2003 meer dan ooit wou voorop stellen. Bovendien roepen deze Laatste Avondmalen vaak onmiddellijk een volkse sfeer op, die in het Meeting-Point niet minder flagrant is dan op een schilderij van Brueghel. De massa verzameld rond de oven, veel bier en een poppentheater in de hoek. Het mag weer even gewoon, feesten net als toen. Vooral tijdens het Laatste Avondmaal van Eric De Volder werd dit volkse element nog extra in de verf gezet. Grote poppen worden aan een tafel gezet, gevoederd, bespot, vermoord, met water overgoten, en tenslotte begraven. Samen met de hele familie, compleet met handjes schudden en al. Een heuse rouwstoet begeeft zich naar buiten en begraaft de poppen op het ACEC-terrein. Theatraler, echter en volkser kan haast niet.

Voor elk wat wils. Aan de ene kant heb je theater dat het volk beweegt, dat ontspant, amuseert, ontroert, doet lachen en dat het contact met het publiek als doel vooropstelt en soms zelfs zonder dat contact gewoon niet bestaat. Dit laatste is het geval met Les puces savantes van Compagnie des Petits Miracles oftewel het Vlooiencircus. Aan de andere kant heb je theater dat onderzoek voorop stelt, dat zich vragen stelt bij het contact met het publiek, dat het theater verder wil vormen, in vraag stellen, theater dat zich wil bezinnen over het theater. Dit laatste is het geval met het werk van het ‘Workcenter of Jerzy Grotowski and Thomas Richards’ dat verbonden is aan het Italiaanse Pontedera Teatro en het werk van Grotowski verder zet. Deze laatste twee vormen van theater zijn hier overgebleven omdat ze de twee extremen van het festival kunnen worden genoemd, lijnrecht tegenover elkaar. Het festival begon voor mij al vroeg met de begeleiding van dit Italiaanse gezelschap dat geen afgewerkte voorstellingen bood, maar wel open repetities in het Gravensteen waar het publiek mocht kijken naar gracieuze bewegingen en luisteren naar magistraal gezang maar er op geen enkel moment rekening mee moest houden dat de acteurs het publiek in de gaten hield of zelfs maar toonde dat ze zich er bewust van waren dat er wel degelijk een publiek was. Dit gezelschap oefent, traint en werkt aan teksten en doet dat elke dag precies op dezelfde Grotowskiaanse manier, ongeacht of er een publiek is of niet. Toch vinden zelfs mensen die totaal niet vertrouwd waren met het werk van Grotowski in deze “voorstellingen” (Action en Twin geheten) iets herkenbaars. De acteurs deden wel voor en na de bijeenkomsten in het Gravensteen erg goed hun best om de toeschouwers uit te leggen wat hun onderzoek precies inhield. Afspraak in La Veniziana, het Italiaanse ijssalon tegenover het Gravensteen, waar elke dag zowel vóór Action als vóór Twin een acteur een inleiding gaf, een verhaal vertelde, waarna hij het publiek mee loodste naar een grootse ruimte in het Gravensteen die zich uitstekend leende tot rituele handelingen en funeraire gezangen. Ingetogenheid en ontzag primeerden en meer dan eens kregen mensen even kippenvel in het Gravensteen. Geen applaus. Nooit. Het publiek dat er geen is werd immers gevraagd zich zo discreet en onopvallend mogelijk in de ruimte te gedragen. Heel wat anders dus dan bij het Vlooiencircus, waar het vaak erg jonge publiek van het begin tot het eind met grote ogen gaapt en het uitgiert van het lachen. Directer contact is zeldzaam.

Zo is deze Time als een labyrint, waarin iedereen in de meest verschillende kamers vindt wat hij of zij zocht en dat ook voor iedereen een ander, maar steeds uitermate en boeiend traject is. Of als een zandstrand, bevolkt met mensen van overal, even samen lekker in het zand.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie