Ondanks de middeleeuwse muziek, is de voorstelling alles behalve historiserend. Het is eerder een interessante poging om een hedendaags gevoel – hier overduidelijk geweld – te koppelen aan een muziekgenre uit vervlogen tijden. Zo komt een wisselwerking tot stand waar de opera nog veel van kan leren. De muziek wordt ingezet als een katalysator van gevoelens en daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoge en lage cultuur. Ordinaire popdeuntjes zijn evenwaardig aan de schitterende polyfonieën. De zang vormt een bindmiddel tussen de dansers, waar de bewegingstaal eerder die van aantrekken en afstoten is. De dans is heel fysiek en daarin gaat men tot het uiterste. Manipulaties stuwen de dansers voort als een perpetuum mobile en geven het gebrek aan zelfcontrole prachtig weer. Het desolate landschap –een claustrofobische ruimte die is opgebouwd uit twee torenhoge betonnen muren- draagt eveneens bij tot het gevoel van machteloosheid.
De voorstelling staat bol van betekenaars. Die worden zonder al te veel associaties naast elkaar geplaatst. Op die manier wordt een hels ritme gecreëerd waarbij de toeschouwer gedwongen wordt om zich te laten leiden door beelden en niet door een verhaal. De titel Foi, is het Franse woord voor geloof. Die noemer valt heel breed te interpreteren. Voor mij lijkt het alsof er in barre tijden toch nog een houvast kan zijn. Hier en daar wordt gerefereerd aan engelen, beschermers. De polyfone muziek wordt niet voor niks engelengezang genoemd.
Grensvervaging is een constante in het werk van Cherkaoui. Naast geschoolde dansers, zien we een mindervalide acteur van Theater Stap. De 18 performers vormen stuk voor stuk sterke persoonlijkheden, maar soms zijn de typetjes nogal doorzichtig. Het gebrul van Erna Ómarsdóttir, die de solo My Movements are alone like streetdogs van Jan Fabre danste, wordt hier gretig ingezet. De vraag is of het Cherkaoui’s bedoeling was om te refereren aan andere voorstellingen. Soms lijkt het eerder op het onvoorwaardelijk inlassen van uiterlijk vertoon, zonder betekenis voor de uiteindelijke inhoud van de voorstelling. De truc met de lange haren komt bijvoorbeeld nogal slapjes over, vooral omdat die in Rien de Rien ook al te zien was.
Desondanks mankeert het de voorstelling niet aan sterke momenten. Het is gewoon jammer dat de betovering nu en dan doorprikt wordt door net iets te letterlijke beelden. Of is dat een verwijzing naar de harde realiteit? De scène waarbij de dansers op het ritme van gehamer en een a-capellalied geforceerd worden tot een ware uitputtingsslag, is heel beklemmend. De dansers sparen zichzelf niet: Lisbeth Gruwez deelt zichzelf klappen uit wanneer ze een Ijslands wiegelied zingt, terwijl ze ervoor als zwaan te pletter stortte in een olievlek. Anderen worden aan de haren over het podium gesleurd of onophoudelijk in de maag gestompt. Nu en dan wordt een menselijk gebaar ingelast. Dat zorgt voor een enorm contrast, waardoor een simpele omhelzing een ongelofelijke kracht krijgt. Darryl Woods zorgt met zijn vertolking van drag queen dan weer voor een komische (soms cynische) noot die al het geweld wat dragelijker maakt. Wie van een eclectische stijl houdt, blijft hier zeker niet op z’n honger zitten.
Het lijkt alsof de choreograaf een overvloed aan inspiratie had, maar niet alles kon inpassen in een voorstelling van anderhalf uur. De samenwerking met de muzikanten van het Gentse Capilla Flamenca was in ieder geval een schot in de roos. De wisselwerking hedendaagse dans-middeleeuwse muziek kwam helemaal niet gekunsteld over. Benieuwd wat Cherkaoui de volgende keer onder handen zal nemen!
Wie Foi nog wil zien, zal zich moeten haasten. Het speelt nog tot en met 22 maart in de Vooruit.






