Otomo Yoshihide, curator van de Japanse delegatie, zette de toon met noise die de trommelvliezen onder druk zette. Van een heel andere orde was Michiyo Yagi, die op haar koto, een dertiensnarig instrument, een klassiek oriëntaals stuk speelde. De warme klank van de koto contrasteerde dan weer fel met de hoge tonen die Toshimaru Nakamaru met zijn no-input mixing desk produceerde. Het leek alsof je in een tandartsstoel zat. Het geluid drong de oren binnen, als het boortje een tand. Van gepiep naar gekriep. Een kwintet met Yoshihide, Yagi, Nakamaru, Sugimoto en Furuta improviseerde met strijkstokken en snaarinstrumenten. Het resultaat was een zacht maar kietelend klanktapijt. Heel mooi.
Het honorabele publiek had tot dusver al enthousiast gereageerd, maar ging helemaal uit de bol voor Haco. Haco deed denken aan Björk door haar stem en haar kinderlijk enthousiasme aan de knoppen. Lollypop à la Pizzicato Five, als u aandringt. Haco bracht twee nummers solo en mocht daarna met een theepot, paperclips, micro’s en versterkers improviseren. Dit hoor- en schouwspel werd haast onopvallend begeleid door Yagi op koto en Sugimoto op gitaar. Nadat Haco nog een kort en vrolijk lied had gezongen, mocht ze wild tekeer gaan met een soort van banjo terwijl Yoshihide achter zijn draaitafel zat te scratchen, Sugimoto aan de gitaar plukte en Yagi loos ging op de koto. Een hoogtepunt.
Na de pauze was het minder boeiend, want minder gevarieerd. Sachiko M bracht na de pauze vrijwel hetzelfde als Nakamaru voor de pauze: hoge tonen, maar deze keer luider en zonder enige variatie. Het trio Yoshihide, Sugimoto en Nakamura improviseerde vervolgens met gitaren. Er werd door elkaar aan de snaren geplukt en de verkregen klank mocht rustig uitdijen. Mooi, maar ook een tikkie vervelend. Dan was het de beurt aan de in Japan erg populaire folkzanger Oshima Yasukatsu. Yasukatsu toverde met een sanshin, driesnarige luit, en een prachtige stem weidse steppes voor het geestesoog. Yasukatsu is geboren in Yaeyama, een eiland waar mensen leefden van de landbouw, en dat hoor je ook. Hij bracht oosterse plattelandsmuziek die tegelijkertijd gelaten en kosmisch klinkt.
De folkzanger nam vijf nummers voor zijn rekening en dat waren er misschien twee te veel, ook al werd hij in één lied erg subtiel begeleid door een scratchende Yoshihide en in een ander door Mari Furuti met haar xylofoon. De rest van het publiek kreeg er blijkbaar geen genoeg van en juichte Yasukatsu terecht toe. Het geheel werd afgerond met een prachtige improvisatie. Yoshihide verruilde af en toe zijn platendraaier voor de gitaar, Yagi bespeelde haar koto, Sugimoto pielde met zijn gitaar en Sachiko M en Nakamaru deden mooie dingen met hun geluidsapparatuur. De glansrol tijdens deze improvisatie was echter weggelegd voor percussioniste Mari Furuti. Dit was improviseren met de adjectieven zacht en sereen als enige bakens.
Het publiek gaf de muzikanten na afloop nog een warm applaus. En de Japanners? Die waren zeer vereerd.






