Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Jan Devries:
Weer een illusie armer
Huilen met Jan met de Pet op
Yankee go home!
AMERIKA IN OORLOG(SFILMS)
datum 13.02.2003
auteur Jan Devries
rubriek Film + TV
Naar aloude, zowat tienjaarlijks weerkerende traditie trekt Amerika nog eens ten oorlog, de wapendindustrie, zowat de belangrijkste in het land, moet blijven draaien newaar. Zowat elk conflict waar Amerika in betrokken geraakte leverde niet alleen bergen lijken op, maar ook sterke films, die keer op de keer de complete absurditeit van die oorlogen lekker in de verf zetten. Uit films kan men veel leren, zeg ik nogal eens graag, maar dat slaat blijkbaar niet op de Amerikanen zelf, ook de boutade van de ezel en de steen lijkt amper bekendheid te genieten in het land van de Yankee.

Over WERELDOORLOG I kon ik gek genoeg niet echt bijster veel Amerikaanse voorbeeldfilms vinden, ook al scoort dat enorme conflict zeer flink op de schaal van Totale Absurditeit. Toch een mooi voorbeeld is Paths of Glory (1957) van Stanley Kubrick, een der sterkere pacifistische pamfletten van de meester. Ook al speelt deze prent zich af binnen het Franse leger van weleer, het had evenzogoed het Amerikaanse kunnen zijn. De film toont op zeer schrijnende wijze het lange proces dat drie arme soldaten doorstaan, hun weg naar het executiepeloton, waartoe ze veroordeeld werden wegens lafheid, dat wil zeggen, hun hele afdeling zag het niet zitten om aan flarden geschoten te worden om een oninneembare mierenhoop, die al duizenden levens kostte, nog maar eens aan te vallen. Paths of Glory is een prachtvoorbeeld van hoe verschillend de inschatting van de waarde van een mensenleven kan zijn tussen de top en de basis.

Over WERELDOORLOG II valt daarentegen genoeg voorbeeldmateriaal te vinden, de Amerikaanse inmenging was er dan ook veel groter, en naar het schijnt moeten we hen daar nu nog steeds op onze blote, nederige knietjes voor danken (iets wat je de Russen trouwens niet snel zal horen zeggen). Ik beperk me tot drie geweldige voorbeelden, om te beginnen het verbijsterende Patton (Franklin Schaffner, 1970), naar een scenario van Francis Ford Coppola. George G. Scott speelt op onnavolgbare wijze de rol van de beruchte Amerikaanse generaal Patton, die z’n troepen doorheen Sicilië leidde en zo de baan openbrak voor de volledige bevrijding van Europa, maar die vooral bekendstond als een regelrechte gek, die geloofde in reïncarnatie en andere mystieke shit en die er niet voor terugdeinsde een zwaar aan ‘shell shock’ leidende soldaat een fekse lel rond z’n oren te geven en hem uit te schelden voor een pussy. Patton is vooral een film die aantoont hoe geweldig geschift die top daarvanboven wel niet kan zijn, en dat het net die gekken zijn die beslissen over het leven van duizenden stukken kanonnenvlees onder hen. Heden ten dage zijn de Amerikaanse troepen al niet veel beter af, met reactionaire, in middeleeuwse termen denken wacko’s als Powell en Rumsfeld.
Een tweede voorbeeld is Catch 22 (Mike Nichols, 1970), naar het boek van Joseph Heller, is als film niet zo geslaagd, wat te verwarrend in beeld gebracht allemaal, maar het bevat wel enkele prachtige voorbeelden van de absurditeit van oorlogsvoering, vooral op het vlak van de commercialisering van de oorlog, en de onwil van de legerleiding om te begrijpen dat een soldaat het soms helemaal niet ziet zitten om zichzelf te offeren. De titel zelf is een prachtig staaltje van oorlogslogica, ondertussen gemeengoed geworden. De term Catch 22 verwijst naar een manier van redeneren die enkel tot een patstelling kan leiden, een situatie die je onmogelijk kan winnen. Het hoofdpersonage, Yossarian, is een bombardementspiloot bij de Amerikaanse troepen in de Middellandse zee, die krankzinnigheid veinst om niet meer te hoeven vliegen. Maar helaas, hij wordt door een commandant op paragraaf 22 in het soldatenreglement verwezen: "je kan als soldaat wel vragen om ontheven te worden van gevechtsvluchten omdat je gek bent, maar wie verstandig genoeg is om dat te vragen kan onmogelijk gek zijn en moet dus blijven vliegen". En daar sta je dan.

Over Amerika’s gevechten in het Aziatische deel van de Wereldoorlog werd nog recentelijk een dijk van een film gemaakt, alhoewel door velen verguisd, wegens te filosofisch, of te soft, toch sta ik als één man (want wat meer ben ik ?) achter The Thin Red Line (Terrence Mallick, 1999). In deze met grote sterren volgepropte film volgen we de landing van een troep mariniers in het Japanse Guadalkanaal. We kunnen ons perfect inleven in de enorme angsten die ze moesten doorstaan in de onberekenbare jungle. De film krijgt vaak het label ‘etherisch’ aangemeten, waar wel iets van aan is, door de overweldigende natuur een cruciale rol te laten spelen linkt de film op zeer efficiënte wijze de oorlog aan z’n directe omgeving, de natuur is de enige die ongeschonden en trots zal blijven rechtstaan als de strijd al lang gedaan is. De natuur is tegelijk de vijand, de enige overwinnaar en het ultieme symbool van de drang naar absolute vrijheid in deze film.

De KOUDE OORLOG dan, niet zozeer een oorlog in de echte zin van het woord, maar wel potentieel gevaarlijker dan alle vorige en volgende tesamen. Opnieuw kunnen we bij Kubrick terecht met zijn Dr. Strangelove : or how I stopped worrying and learned to love the bomb (Stanley Kubrick, 1964). Los van het feit dat dit misschien wel de beste komedie aller tijden is, zwarter dan pek en tegelijk intens griezelig, heeft deze film mij doen beseffen hoe briljant de atoombom wel niet is. Stel je voor! De mens bouwt eeuwenlang en aan een intens tempo zijn eigen intelligentie uit, technologie wordt steeds vernuftiger en slimmer en preciezer, en al die kennis, al die wetenschap wordt allemaal gestopt in één instrument dat de volledige beschaving van de aardbol kan vegen, al was het maar omdat iemand z’n kop koffie per ongeluk op ‘De Knop’ heeft gezet, wat leidt tot Eeuwenlange Duisternis. Werkelijk geniaal noem ik dat, de ultieme ironie, waarvan ik nog steeds hoop dat ze op een dag zal uitkomen. Het zal ze leren.
Dat de Koude Oorlog wel meer mensen tot humor aanzette bewijst ook One, Two, Three (1961) van Billy Wilder, recent met schandalig weinig ruchtbaarheid begraven, een man die zo zwart door z’n ogen zag dat hij nooit een zonnebril moest opzetten. Met Stalag 17 (1953) maakte hij al een heerlijke komedie over Amerikaanse krijgsgevangen tijdens Wereldoorlog II, in One, Two, Three lacht hij dan weer met Amerika’s onstopbare Internationale Kapitalisme, door een Coca Cola-vertegenwoordiger in het Koude Berlijn achter z’n dochter te laten jagen, die het aangepapt heeft met een communist. De ouwbolligheid dat dit thema nu siert bewijst alleen maar de absurditeit van dit lang aanslepende conflict tussen Oost en West.

Maar het conflict dat toch wel de meeste titels op z’n naam heeft staan, en dat niet toevallig de tot dan toe meest in ‘real life’ gefilmde oorlog was, is toch dat van VIETNAM. Ik zou het kunnen hebben over Platoon (1986, Oliver Stone), of Casualties of War (Brian de Palma, 1989), beiden mooie voorbeelden van de gruwel van die stompzinnige oorlog, of over MASH (1970), Robert Altman’s heerlijke komedie over de cynische dokters te velden, maar het volstaat om hier slechts één film aan te halen, om volslagen andere redenen. Apocalypse Now (Francis Ford Coppola, 1979) toonde aan dat oorlog ook mooi kan zijn, op een psychedelisch vlak. Deze geweldige trip haalt alles uit de cinematografische kast om de kijker omver te blazen en te doen snakken naar adem bij het zien van al die kleurige schoonheid, een beetje zoals de CNN-beelden van Golfoorlog I, die prachtige, fluoriserend groene vuursstralen boven het volledige verduisterde Bagdad, met de juiste drugs bij de hand was dat wel lekker flippen geblazen.
Apocalyse Now is ook de film die als een van de eersten het druggebruik tijdens de Vietnamoorlog aankaartte. Eén op de tien GI’s zat in Vietnam aan de heroïne, zowat iedereen blowde zich suf, en de CIA zelf pompte nietsvermoedende soldaten vol LSD, waarna ze zichzelf begonnen af te knallen, en de overlevenden sukkelden nog jaren met ‘bad flashbacks’, wat dan weer een beetje overdreven wordt geïllustreerd Jacob’s ladder (1990, Adrian Lyne). Geen wonder dat zovele veteranen als hippies terugkeerden: de legerleiding liet druggebruik oogluikend toe om de hel voor de mannen wat draaglijker te maken, niet wetende dat diezelfde mannen druk bezig waren en masse hun geest te verruimen.

En zo zouden we nog een tijdje door kunnen gaan, oorlog is altijd al een degelijk onderwerp gebleken voor films, en aan inspiratiemateriaal geen gebrek. Maar wat zou de toekomst inhouden? Wel, als we er de science fiction films op naslaan, niet veel goeds, met name, meer van het zelfde, of gaat het te ver om naar Star Wars te kijken en in de Emperor een verschrompelde versie van Bush te zien, al even maniakaal Evil, en Dart Vader te vergelijken met Colin Powell? Misschien wel.
Feit is dat de Amerikanen nooit eens iets zullen leren, niet uit hun geschiedenis, en blijkbaar ook niet uit hun favoriet exportprodukt, de film. Het dwingt een mens tot cynisme, en tot een uitspraak als "OK, als ze dan toch zonodig nog eens de cowboy willen gaan uithangen aan de andere kant van de wereld, laat ze dat dan maar doen, en laat Saddam dan maar tonnen chemische produkten over de gebrainwashte soldaten uitgieten en laat boeings volstouwen met lijkzakken en laat die boeings op hun weg naar Amerika gekaapt worden en laat ze allemaal crashen op het Witte Huis, misschien, heel misschien, veranderen ze dan wel eens van mening".
Ach ja, wie niet leren wil…
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie