Paul Greengrass is bij de filmfanaat bekend van zijn manipulatief melodramaatje The Theory of Flight met Helena Bonham Carter en Kenneth Branagh. Maar het is aan zijn verleden als televisiejournalist te danken dat hij deze keer een huiveringwekkend hyperrealisme kan creëren die de kijker bij zijn nekvel grijpt en hem – soms letterlijk – met de neus op de feiten drukt. Hoewel het conflict ‘slechts’ 24 uur duurt, en er ‘slechts’ 14 doden vallen, is Bloody Sunday een ware oorlogsfilm geworden, in zijn zuiverste vorm.
In tegenstelling tot recente oorlogsfilms als Black Hawk Down en We Were Soldiers (die verdomd hypocriet lijken vergeleken bij deze parel) is Bloody Sunday geïnteresseerd in de politieke en persoonlijke dimensies van het conflict, in niet in patriottische heldendaden of mooie beeldjes.
Greengrass filmt alles alsof zijn filmploeg toevallig aanwezig is en alles met de camera op de schouder op pelicule vastlegt. Het resultaat is een hallucinante cinéma-vérité, die de herinnering aan het vergeten meesterwerk La Battaglia di Algeri terug doet opwaaien. We luren om de hoek, we bespioneren voorbijgangers, we luisteren geheimzinnige gesprekken af. Soms lijkt de camera zelf wanhopig op zoek: waar komt dat lawaai vandaan? Wie schiet er? Wie wordt er beschoten? Dit geeft de film een sterke authenticiteit, die nog verstevigd wordt door de honderden ex-soldaten en bewoners van Derry die vrijwillig meewerkten als figuranten.
De vertelstructuur van Bloody Sunday is even eenvoudig als geniaal. Onophoudelijk wordt er heen en weer ‘gecut’ tussen de katholieke betogers en het Britse leger. Een structuur die vanaf het prille begin wordt ingezet.

De openingsscène is een persconferentie waarin parlementslid Ivan Cooper (een prachtvertolking van James Nesbitt) oproept om vreedzaam te betogen. Dit wordt onmiddellijk gevolgd door een persconferentie waarin het Britse leger waarschuwt dat elke betoging verboden is, en dat zij die dat verbod negeren zullen opgepakt worden. “Any responsibility for violence must rest on their shoulders.” En terwijl Cooper voorbijgangers motiveert om te betogen, zien we het Britse leger zich voorbereiden om die ‘hooligans’ een lesje te leren.
De kracht van deze structuur is dat ze de kijker het gevoel geeft dat een broedende catastrofe niet meer te verhinderen is. Bovendien is meteen duidelijk dat niemand onschuldig is. Ook Cooper niet, hoe idealistisch en vreedzaam zijn bedoelingen ook waren (steeds weer laat hij de naam Martin Luther King vallen, om te bewijzen dat hij aan de goede kant staat.)
Greengrass toont zowel de angst bij de jonge Britse soldaten om weer stenen naar hun hoofd te krijgen, als de hoop van het IRA dat de betoging bloedig uit de hand loopt. Nooit krijgen we het zwart-witte beeld van de armzalige Ierse schaapjes die worden afgeslacht door de Britse wolven. (Al moet gezegd dat Greengrass er geen twijfel over laat bestaan wie de goeden en de slechten zijn – de Britten schieten eerst, soms zelfs in de rug van weghinkende gewonden.)
De film is gemaakt voor de Britse en Ierse televisie, die uitzonden als herdenking voor de dertigste verjaardag van de sombere dag. Maar in plaats van tussen alle andere eenmalige projecten verloren te raken, is deze ‘televisiefilm’ overal ter wereld in de zalen uitgebracht en op luid applaus onthaald. Terecht, want dit is een film die het Britse-Ierse conflict overstijgt, en een politiek statement maakt over conflict in het algemeen. Greengrass laat zien wat Derry gemeen heeft met Beiroet, Sarajevo, Mogadishu en Ramallah. De oorzaken zijn misschien verschillend, maar de aard van het conflict blijft dezelfde. Een absolute aanrader!
Bloody Sunday - official site






