Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Stoffel Debuysere:
interview met Phill Nilock, 'The Forgotten Minimalist'
Christian Fennesz op zoek naar de perfecte popsong.
interview met de Australische componist Oren Ambarchi
Kleuters met trommels en blokjes
MON CHERRIES: ASA-CHANG & JUN RAY, UN CADDIE RENVERSÉ DANS L’HERBE, DORINE_MURAILLE
datum 08.12.2002
rubriek Muziek
De elektronische muziek neigt tegenwoordig steeds meer naar noise en industrial, in een blinde drift naar abstractie en deconstructie. Toch lijken sommige muzikanten nog kinderlijk en impulsief te spelen met de blokjes op hun computerscherm, importeren simpele akoestische geluiden in een digitale context –of omgekeerd- en vermengen exotische klanken en naïeve melodieën tot smeuïge potpourri’s. Die komen ons uit alle delen van de wereld toegewaaid: De Japanse componist Asa-Chang heeft met Jun Ray Sung Chang een niet te categoriseren maar uitermate boeiend werk afgeleverd en ook de recente platen van Dídac Lagarriga en Julien Locquet, respectievelijk uit Brazilië en Frankrijk kunnen ons bekoren.

The micro-geography of daily life provides a way of pluralising the self that a concentration on "identity" in the singular would miss. But it also continually finds evidence for the way that identity categories animate such a geography. To make claims for everyday life being in one place rather than another will avoid attending to the "movement of the daily", and it might be this movement, this continual drift of the daily, that is most difficult and most productive to register."
Ben Highmore, Introduction: Questioning everyday life


Een van de opmerkelijkste platen die we de laatste tijd te horen kregen is ongetwijfeld Jun Ray Sung Chang van Asa Chang & Junray. We proberen er nu al enkele maanden vat op te krijgen, aanvankelijk zonder al te veel succes: de muziek klinkt zo excentriek en exotisch dat we eigenlijk niet wisten of we het nu aandoenlijk of potsierlijk moesten vinden. Nu houden we ervan: de ongerijmdheid heeft een zweem van romantiek gekregen, de vreemde figuurtjes en bizarre arabesken die het muzikale spel doorkruisen blijken beminnelijk en drommels aanstekelijk te zijn.
Asa-Chang (°1963) is een autodidactische tabla-guru die het grootste deel van zijn professioneel leven doorbracht als producer, arrangeur en live-muzikant bij allerlei obscure Japanse popbands en als bandleader van het tien-koppige Tokyo Ska Paradise Orchestra, naar het schijnt de “allereerste Japanse skaband” – stel u voor. In de loop van de jaren negentig verdween hij een hele tijd uit de muziekscène van Tokyo, alvorens in 1998 verrassend uit te pakken met zijn eerste solo-ep Tabla Magma Bongo op Tattoria sound, het label van pop-noise savant Cornelius. Dit hebbedingetje is nu, samen met het vorig jaar verschenen minialbum Hana door het Britse kwaliteitslabel Leaf gecompileerd op Jun Ray Sung Chang. Het is een al even uniek als ongrijpbaar samengaan van sonische gekheid en muziektechnische finesse. De muziek, zo stelt Asa-Chang, is opgenomen in de geest van ‘kidoairaku’, een Japans woord die het hele emotionele spectrum van de mensheid omvat, wat impliceert dat de muziek kan opgebouwd worden uit de meest uiteenlopende klanken en structuren: simpele akoestische gitaarakkoorden of psychotische beats zijn al even waarschijnlijk als, bijvoorbeeld, het geluid van een stofzuiger of een sitar. De composities zijn ontstaan uit de muzikale fricties tussen Asa-Chang zelf en Junray, een groep met een tweetal los-vaste muzikanten: U-Zhaan is een traditioneel opgeleide tablameester, gitarist Hidehiko Urayama produceert ook elektronische klanken en effecten, onder andere op de ‘Junray-tronics’, een zelfgebouwd instrument dat de vreemdste geluiden spuwt. Asa-Chang bespeelt een Indonesische 'Dandud' bongo, een simpele en goedkope soort tabla: "The bongo played in the style of a tabla looked cheap and even foolish, which is a style I like.", vertelt hij in een interview. Met behulp van wat elektronische manipulaties wordt de bongo in zijn handen een speels instrument, dat afwisselend cartoonesk en venijnig klinkt. De muziek is merkelijk ingebed in de Oosterse tradities, maar incorporeert heel wat meer invloeden: “We respect the Indian tradition but wanted to offer something back, something different, something that even Indians couldn’t do”. Zo wordt in het openingsnummer ‘Hana’ een curieus vraag-en-antwoord spel gespeeld tussen ontlede spoken-word fragmenten en benevelde percussietonen, terwijl op de achtergrond majestueuze strijkerpartijen floreren. Het is een poëtisch en droefgeestige klankcollage die volgens Asa-Chang zelf heel wat wegheeft van een ballade: “The technique of layering tabla over voice, we found, could really accent emotions. So we actually think of ‘Hana’ as a love ballad”. Het overgrote deel van de composities van Asa-Chang zijn eerder doorgedreven klankexperimenten dan conventionele songs: ‘found noises’ en ad-hoc improvisaties krijgen een plaatsje tussen sobere melodieën en cut-up vocalen, ontwrichte tablaritmes worden gelaagd bovenop elektro-akoestische orkestraties. Al die divergente timbres en elementen worden vermengd tot kleurrijke potpourri’s: in ‘Preach’ (recent gecoverd door Otomo Yoshihide) zingen grillige kinderstemmetjes een sinister begrafenislied, begeleid door rouwende blazers en dolle tabla’s. Het klinkt als een Japans schoolorkest, met geweld gegijzeld door Frank Zappa. ‘Nigatsu’ is een cover van de Japanse avant-noise band Bloodthirsty Butchers, begint als een ontwrichte monoloog, tot weemoedige elektronische klanken en een gitaarriff, die wel van John Frusciante kon zijn, de stilte doorbreken en na een tijd ontaarden in een dwaalkolk van vreemde geluiden. Andere tracks als ‘Goo-Gung-Gung’ of ‘Radio-No-Youni’ kunnen zo in een psychedelisch soort Kusturica -film terecht, balancerend op een fijn koord tussen uitzinnigheid en melancholie, Balkangekte en Oosterse spiritualiteit. Melodieflarden van sitar, akoestische gitaar, trumpet en melodica worden elektronisch gemanipuleerd en geassembleerd tot vreemde bestaardmuziekjes, die ons ondanks hun (schijnbaar) artificieel karakter blijven fascineren.
De muziek op Jun Ray Sung Chang is even eclectisch en speels als die van Os Mutantes, intens en experimenteel als een John Zorn. Een denkbare soundtrack bij, zeg maar Lewis Carroll's Alice in Wonderland of Italo Calvino’s Invisible Cities, waar je als bezoeker onverwachts binnentreedt in een wereld met zonderlinge personages, wonderbaarlijke architectuur en buitenissige gebruiken. Een rijke wereld waar je niet eens alles moet begrijpen om je toch thuis te voelen.
Binnen enkele maanden verschijnt hun nieuwe mini-album Tsuginepu, waarvoor ze de hulp kregen van Rei Harakami, een van de vooraanstaande muzikanten uit de Japanse elektronicascène. Wie alvast een heel mooi voorsmaakje wil, kan hier terecht.

“File under: panafrobrazilian rhizomes meets robotica under a nenu silkworm orchestrated band”, staat er te lezen op het hoesje. Humor? Wellicht, alhoewel je tegenwoordig nooit kan weten in het avant-garde muziekwereldje, zeker niet met iemand als Didac P. Lagarriga. Deze in Barcelona residerende Braziliaan maakte tot voor enkele jaren deel uit van het jonge kunstenaarscollectief Propost, dat in hun thuisland Brazilië behoorlijk veel stof deed opwaaien met hun radicale experimenten met poëzie, muziek en nieuwe media. Lagarriga dweept met het werk van de Amerikaanse experimentele poëet E.E. Cummings en de postmoderne filosofie van Guattari en Deleuze en wendt concepten als hypertextualiteit en rhizomes aan in zijn taalexperimenten (zoals hier) en muziek. Onder het pseudoniem Un Caddie Renversé Dans l'Herbe maakt hij, zoals hij zelf beweert “a music made by hundreds of unknown influences, specific temporary places, some souvenirs sampling older souvenirs, garden practices, pastiches... a music made far from reviews, far from wires and vital pens and close to the coast. Music is always a cross-pollinated ground and the digital process is just this: a process... far from soft-wars stereotyping tired clicks... a music made by itself, un caddie was there, right, but just listening and apparently changing orders, the same sound but different...” . Allerlei akoestische en elektronische klanken worden opgenomen met een minidisk of simpele software en digitaal gereconfigureerd tot minimale mini-symfonieën, repetitieve klankstukjes waarin geïmproviseerde geluiden en at random computerfouten een even belangrijke plaats innemen als de melodieën en ritmes. Net als Andi Toma en Jan St. Werner van Mouse on Mars heeft Lagarriga een zwak voor organische lo-fi klanken, vaak met exotische tinten, zodat regelmatig traditionele Afrikaanse en Aziatische instrumenten zoals de gamelan, balaphon (Afrikaanse xylofoon) of mbira opduiken tussen basloops, turntable-trickery en spoken word. Op het Nederlandse Staalplaat en zijn eigen label, ooze.bâp, verschenen ondertussen al vijf albums, waaronder een met remixes van illustere muzikanten als Alejandra&Underwood, Erik M, Stephen Vitiello en OnCe11. Het recente Some Nenu Songs… is de eerste die we zelf te horen krijgen en we luisteren ernaar met almaar stijgende verbazing en plezier. De 22 korte tracks zijn opgemaakt als een “nenutracking diary” van een week tijd, huppelen van de ene ambiance naar de andere en omvatten onnoemlijk verschillende invloeden en klankkleuren, van musique concrète stukjes (‘Preluding the Movement..’), dadaïstische gekheden (‘reminding me’) tot dartele kinderwijsjes (‘Back there…’). Tracks als ‘she starts to Laugh’ of ‘From there, back far’ zijn speelse mélanges van grillige riedels en stemmetjes, begeleid door chaotische maar zachte rimtepatronen van op hol geslagen typmachines, uitheemse percussie of platendraaiers; in ‘With My Silkworm Orchestrated’ wordt een sensueel sambaritme volledig verknipt en gelaagd met warme microtonen; ‘Roll over a Rainy Spring’ heeft wel iets van Philip Jeck: de mixtuur van geloopte tonen, een gefragmenteerde pianomelodie en straatgeluiden krijgt de flair van pure klankpoëzie. Al die bouwsteentjes, van allerlei origine, vorm en kleur vormen samen een vreemdsoortige, maar knappe mozaïek.
Lagarriga gaat, net zoals wel meer elektronische artiesten van tegenwoordig (zoals AKi Onda, om er maar een te noemen), zelfbewust en vatbaar voor toeval op zoek naar een ontmoeting van het alledaagse en het abstracte, een klankbeeld dat vluchtige fragmenten monstert uit “the movement of the daily" en koppelt aan divergente muzikale texturen, vrij van heersende principes van logische consequentie of verticale sensitiviteit. De geest van de alomtegenwoordige John Cage waart rond in Some Nenu Songs…, maar we horen ook echo’s uit de ideeën van Pierre Schaeffer en Oval. Net als hen creërt Un Caddie Renversé dans l’herbe een uitdagende sonische context waarin muziek ontstaat van een onbestemde schoonheid.
In de Urbanmag-jukebox (binnenkort volledig online) staan twee stukjes uit deze plaat: back there.... en roll over a rainy spring

De Belgische media maakt er over het algemeen weinig of geen melding van, maar de laatste twee jaar worden er in Frankrijk aan de lopende band uitstekende platen geproduceerd met avontuurlijke, vooral elektronisch gebaseerde muziek. De meest actieve draaischijf is zonder twijfel het label Active Suspension, dat fijne acts als Hypo, Encre, Domotic, O. Lamm en Melodium onder zijn vleugels heeft genomen. De een is al wat eigenzinniger en origineler als de andere, maar allemaal versmelten ze met smaak poppy melodieën met elektronische idiomen. Voor wie meer wil weten kan terecht bij de als single geprijsde verzamelaar Variable Acces of het onlangs verschenen Active Suspension Vs. Clapping Music, het resultaat van een samenwerking met een ook al degelijke Parijse label. Ook De 25-jarige Julien Locquet zette zijn eerste stapjes op Active Suspension. Onder de naam Gel bracht hij een aantal singles en een cd uit met instrumentale, abstracte cut&paste collages van digitaal bewerkte melodieën en beats. We vonden het toen verre van onaardig, maar tussen het overaanbod van glitch helemaal niet opvallend. We zijn echter wel behoorlijk onder de indruk van zijn eerste album als dorine_muraille, dat verscheen op het gerenommeerde Britse label Fat Cat (zie ook Múm en David Grubbs). Voor de composities op Mani gebruikte Locquet een enigszins aangepaste werkwijze: in een eerste fase werden opnames gemaakt van door hemzelf geschreven akoestische songs, ingespeeld met onder andere dubbele bas, piano, gitaar en stem, daarna werden die digitaal bewerkt met allerlei software, alvorens ze in een finale mix bijna onherkenbaar gereconstrueerd werden. De nadruk ligt nog altijd op de melodieën, maar nu helemaal onthecht en gelaagd in netelige structuren - ooit helder en concreet, nu slechts abstracte schimmen getooid met kleurige ornamenten. Met dit procédé wordt al enkele jaren uitvoerig geëxperimenteerd, met name vooral door Fennesz, maar Locquet destilleert zijn initiële composities vooral uit de traditie van Franse chanson en Engelse folk en dat zorgt voor een fris elan. Het gros van de zangpartijen staat op naam van Chloe Delaume, die eerder dit jaar nog gelauwerd werd met haar tweede roman Le Cri Du Sablier. Ook de andere, onbekende stemmen op deze plaat klinken onvast en naïef, maar dat zorgt in combinatie met de fricatieve klankvormen wel voor een boeiende schizofrenie, zoals in ‘Dopées’, een wonderlijk sprookjesliedje dat ons qua sfeer doet denken aan de fantastische film The Night of the Hunter, tegelijk lieflijk en wrang: niets is wat het lijkt. Of ‘Madrague, Retour’ dat vaagweg is gebaseerd op ‘La Madrague’ van Brigitte Bardot, “Sur la plage abandonnée / Coquillage et crustacés / Qui l'eût cru déplorent la perte de l'été / Qui depuis s'en est allé” zingt Delaume, begeleid door sombere gitaar- en vioolmelodieën in een geheimzinnige waas van ongrijpbare klanken. ‘Bbraalen’is een hybride ballade waarin een beneveld dronkemanslied gepreveld wordt dat wel een broertje kon zijn van het klassieke ‘Jesus' Blood Never Failed Me Yet’. En ook elders, op ‘Se Flinguer/Picquer Une Porsche’ of '50actionexpress' ontwaren we fraaie blazerspartijen, soezende gitaarakkoorden of pianonoten, bedolven onder dikke waaiers van glijdende klanken. De opperhuid mag dan ruw en bolsterig zijn, eronder is het zacht en verleidelijk.
Niet alles op deze plaat is even geslaagd, soms hervalt Duraille wat te veel in maniërisme en weegt het idee van deconstructie te zwaar door op het esthetische oogmerk, zoals in ‘perdre’. Maar al bij al is dit een behoorlijk geslaagd experiment, dat de melancholische mijmeringen van een Mark Hollis introduceert in een digitale anarchie, zoals bijvoorbeeld het Mego-label aanhangt. Zo heeft dorine_muraille op mani ijle fantasmagorieën geweven, haast te mooi om waar te zijn, te mooi om links te laten liggen. Aan u om te ontdekken.

Homepage Asa-Chang

Asa Chang & Junray, Jun Ray Sung Chang, Leaf
Un Cadie Renversé dans l'herbe, some nenu songs..., ooze.bâp
dorine_muraille, mani, Fat Cat
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie