Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Sarah Késenne:
Over wat er gebeurt als je een windhond in een kennel rottweilers stuurt...
De sterallures vd actualiteit- de diplomatieke camerabewegingen van Joodse en Palestijnse regisseurs
FESTIVAL CINEMA MEDITERRANEEN, BRUSSEL, VAN 28 NOVEMBER TOT 7 DECEMBER
datum 04.12.2002
rubriek Film + TV
De Botanique in Brussel huisvest al voor de zevende keer het festival du Cinéma Méditerranéen dat nog loopt tot volgende zaterdag 7 december. Het filmfestival toont om en bij de 80 films die in theorie enkel afkomstig zijn uit de landen die aan de middellandse zee grenzen. De vele West -Europese co –producties en films over migratie tonen echter verhalen die niet verder van uw bed verwijderd zijn dan zeg maar de Marokkaanse bakker op de hoek.
Dat de Arabische wereld zich al sinds de jaren zestig niet meer beperkt tot Noord –Afrika maar ondertussen al een hele poos van onze Belgische grootsteden een gezellige chaos maakt, wisten wij natuurlijk al langer dan vorige week. De organisatoren nodigden dan ook terecht Mourad Boucif, regisseur van Au dela de Gibraltar uit als jurylid. Brussel en zeker de bloedmooie culturele habitat van de Franse Gemeenschap le Botanique dient bijgevolg uitstekend om een legertje Mediterraanse regisseurs aan het ‘woord’ te laten. Over het waarom van een dergelijk festival in the centre of Europe Brussel, gaat volgende zaterdag 7 september het seminarie ‘Cinéma Méditerrannéen et dialogue interculturel’ door. Zowel fictie -als documentaire films blijken brandend actuele maatschappelijke thema aan te kaarten. Dit resulteert in een sterk politiek gekleurde en humane cinema. Het hoge aantal documentaires (20) is dan ook geen verassing. Ook niet dat het grootste deel van deze afkomstig is uit de Maghreblanden. De burgeroorlog in Algerije, emancipatie van de vrouw binnen de Islam en migratie zijn terugkomende thema in de programmatie. Ook de Belgische documentaire Carnet de notes à deux voix (2002) (woe. 4/12, 21h30) zou hoge ogen moeten gooien. Het onderzoek naar het verband tussen delinquentie, criminaliteit en etnische origine dat er kwam op vraag van het ministerie van justitie wordt hierin (terecht) in vraag gesteld. Israël/ Palestina is koploper en levert de meeste films.

Rêves d’Exil (2001): No future generation
Net zoals de hippe Israëlitische publiciteitspotjes op MTV me herinneren aan de realiteit van het Palestijns conflict, lijkt het haast onmogelijk een film over Israël te bekijken zonder de politieke context te vergeten. Zo fungeren de horror televisiejournaals en duidingsprogramma’s over de Palestijnse kwestie haast als trailer voor de bioscoopfilm. Het conflict blijft een dwingende constante, ook al is het slechts impliciet aanwezig in het hoofd van de kijker. Op het Brusselse filmfestival worden naast documentaires ook fictiefilms uit de regio getoond. Ook deze laatste kunnen niet om de naturalistische actualiteit heen en bevatten bijgevolg een hoog documentair gehalte. In de documentaire van de Palestijnse regisseur Maï Masri Rêves d’Exil (2001), worden net als in Promises (2001) kinderen aan het woord gelaten die geboren en getogen zijn in een explosieve omgeving als Israël. In Promises wordt het conflict niet gemeden door de Palestijnse kinderen met Joodse kinderen te confronteren. In Rêves d’Exil blijft de camera enkel aan de Palestijnse kant van het front.
Tussen de kampen van Shatila te Beyrouth en Dheisheh te Bethlehem op de West Bank zoeken Palestijnse pubers contact met elkaar via internet en briefwisseling als enige mogelijke vorm van communicatie. Giechelende meiden en stoere jongens bestoken elkaar met melige brieven en bouwen hechte vriendschappen op. Zullen ze elkaar ooit kunnen ontmoeten? Met de tweede Intifada is de toekomst er voor hen niet bepaald rooskleurig op geworden. Al snel blijken deze kinderen veel te bewust en volwassen voor hun leeftijd. Een aantal kinderen hebben hun vader verloren. Ze zijn vluchtelingen, verbannen in een uitzichtloze statische oorlogsrealiteit. Toch worden er nog steeds veel vragen gesteld over de toekomst. Mona bezoekt het geboortedorp van haar pennenvriendin Manar. De Palestijnse bevolking is er verdreven, de huizen verwoest en tussen de overgebleven ruïnes heeft het Israëlitische leger nieuwe bomen geplant: absurd hoe men elk spoor van Palestijnse aanwezigheid probeert uit te wissen. Als de streng bewaakte grenslijn gereduceerd wordt tot een meter prikkeldraad wordt er uiteindelijk een ontmoeting georganiseerd tussen de kinderen uit beide kampen. Dit levert surrealistische, maar bikkelharde cinema op: er wordt gekust, gezongen en gedanst, elk aan de eigen kant van de prikkeldraad… Aangrijpend ook de emotionele verbondenheid van deze jongeren met hun land: door de jongeren van het Libanese kamp wordt ‘Palestijns’ zand in flessen verzameld en gekoesterd als een relikwie. Hier wordt ook ‘De Andere’ getoond in haar meest vijandige gedaante: de Israëlitische soldaat, de bezetter.

Rana’s Wedding (2001): de routine van de oorlog
Ook in de Palestijnse langspeelfilm Rana’s Wedding (2001) komt de Joods –Israëlitische bevolking slechts in legeruniform, als bulldozer of tankwagen in beeld. De première van de film vond plaats tijdens de International Critics' Week in Cannes 2002. Regisseur Hany Abu –Assad schetst hierin een belangrijke dag uit het leven van de jonge Palestijnse Rana tegen deze achtergrond. De film werd gedraaid op locaties in Oost-Jeruzalem en Ramallah. Rana heeft de keuze: of wel met haar vader meegaan naar Egypte of in Jerusalem blijven en trouwen vóór haar vader om 16 h vertrekt. De camera volgt Rana door Jerusalem op zoek naar haar geliefde Khalil. Net zoals de dagelijkse gang van het Palestijnse (economische) leven door de controles aan de check –points tot stilstand gebracht wordt, wordt de luchtige toon van deze romantische komedie doorbroken door de (semi –)documentaire beelden van identiteitscontroles, bulldozers, veiligheidscamera’s, zwaarbewapende militairen en ontmijningsdiensten in het straatbeeld van Jerusalem. Door de personages wordt echter geen woord gerept over de bezetting. Deze ‘stille documentaire’ geeft deze voor de rest eerder middelmatige film dan ook de voldoende zwaartekracht om de kijker te boeien (lees: verontwaardigen). De regisseur toont hiermee aan dat de dagelijkse dreiging in de door Israël bezette gebieden vaak gewoner is dan normale dingen als liefde en huwelijk.

Kedma (2002): Oud en Nieuw
is de derde film van de Israëlitische regisseur Amos Gitaï. Deze oogstte eerder al een redelijk internationaal succes met zijn controversiële film Kadosh over Joods –Orthodoxe vrouwen in Israël. Met Kedma gaat de Joodse regisseur verder op het maatschappijkritische pad.
Hierbij gaat hij terug naar het begin van de oprichting van de staat Israël. De schoorstenen van de tweede wereldoorlog smeulen nog als de Zionist Ben Goerion zijn eerste kibboetsen sticht op Palestijnse grond. We volgen een aantal joden die de holocaust nachtmerrie in Europa ontvlucht en hopen op een nieuw begin in ‘the promised land’ Israël. Getraumatiseerd en uitgeblust worden ze onder de hoede genomen van een groep zionisten van het geheime Joodse leger die hen naar Jerusalem wil brengen. Het zal echter nog veel voeten in de aarde hebben voordat de staat Israël in 1948 werkelijk erkend zal worden, onder meer als gevolg van het internationaal heersende schuldgevoel ten opzichte van de Joden. Zo worden de Joodse personages van die ene oorlog in een nieuwe strijd overgeheveld samen te vatten als ‘die tegen de Palestijnen’. Door anno 2002 terug te grijpen naar het verhaal van de oprichting van de staat Israël, refereert Gitaï naar de wortels van de hedendaagse problemen in Israël. De ontwrichte Holocaust overlevenden worden door de Zionisten onmiddellijk ingezet in de strijd tegen de Palestijnen. Zo toont Gitaï eigenlijk aan dat de tweede wereldoorlog nog steeds een rol speelt in de tegenwoordige conflictsituatie. Zonder de Holocaust zou de oprichting van de Joodse staat Israël in sé nooit een internationale consensus en morele rechtvaardiging verkregen hebben. Dat er eigenlijk al een Palestijnse bevolking aanwezig was op het grondgebied werd voor de goede vrede maar even vergeten. Na de verovering van een Palestijns dorp (waarbij de helft van de net aangekomen Joden het leven laat), schreeuwt een Palestijnse oude man hen de profetische woorden na: “We zullen hier blijven als een muur! ”. Amos Gitaï behandelt dit controversiële thema op een intimistische en filosofische manier. Dit maakt er niet bepaald een opbeurende film van. Kedma werd geselecteerd voor de competitie van het festival du cinéma Mediterrannéen en maakt dus ook kans op de Grand Prix of de Prix Spécial du Jury. De winnende film krijgt een distributiepremie zodat die nadien ook in het gewone zalencircuit kan verspreid worden. Dat dergelijke distributiepremies geen luxe zijn, wordt nog eens benadrukt door de recentelijke sluiting van het distributiehuis Progrès Films. Het blijkt steeds moeilijker te worden voor de kleine verdeler om filmproducten te laten renderen die niet uit Noord -Amerika afkomstig zijn. Filmfestivals profileren zich hierbij steeds meer als een alternatieve manier om deze kleinoden toch tenminste een paar maal in België te projecteren. De Palestijnse -Israëlitische cinema blijkt echter in blakende gezondheid te zijn. Er wordt harde kritiek geleverd op de slopende oorlogssituatie. Het festival komt daarbij ook tegemoet aan de grote solidariteit die er bij de Brusselse migrantengemeenschap leeft ten aanzien van de Palestijnen.

www.cinemamed.be
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie