Soms lijkt De Buysser zoveel te willen zeggen, soms wordt alles zo dik aangezet, dat je de beelden niet anders dan met een vette ironische knipoog kan bekijken. De beelden zijn oververzadigd aan betekenaars, zodat de betekenissen tot groot plezier van de toeschouwer met elkaar beginnen te spelen in een kortfilm die met afgestreken ernst “een stadsfabel over het geweld van de weldaad, over prinselijk gedrag, cadeaus en mateloze gebaren” wordt genoemd.
Benjamin Verdonck is ronduit vertederend als hoofdpersonage, te paard, in een rode plunje en met strak over zijn borst het wapenschild van de Ferrari -renstal. Hij is een leeg blad dat zich gewillig laat intekenen als een cartoonfiguur, als een koene ridder, als de Heiland, als Zijne Absolute Goedheid, allemaal in één persoon.Dit extreme en utopische personage wordt geplaatst in situaties en tegenover personages die overlopen van het cynisme en fatalisme, het donkere wereldbeeld dat Pieter De Buysser blijft tormenteren. De sombere inschatting van de maatschappij ontleent de belezen De Buysser aan het filosofische en artistieke erfgoed. Zo schertst de burgemeester:
“Erst kommt das Fressen, dan die Moral”. Kent ge dat ? Bertolt Brecht, toneelschrijver, man dat is pas cultuur, ge kunt daar vanalles mee, ik heb dat nu gesubsidieerd in onze stadsschouwburg, die wist het jong! Mensen moeten uw vrijheid en uw schoonheid en uw heiligheid niet. Mensen willen kortingsbonnen voor de IKEA en bredere parkings. Als gij het hier voor het zeggen krijgt, na een week staan de mensen onder mijn balkon te roepen, “kom terug meneer de burgemeester kom terug, want van die zuivere knaap kunnen wij niet leven, wij willen vergunningen om pittas met look en frieten te verhandelen.” Het allegorische Brussel dat uit De Buysser’s brein ontspruit, wordt dan ook van fijne vleeswaren voorzien door Beenhouwerij “Verkest”, waar het bloed van de vitrine druipt. Wanneer Werther, zo heet het hoofdpersonage in het scenario, zijn paard afstand, komt in de volgende scène onvermijdelijk frontaal een plas bloed in beeld.
Een andere scène die het kapitalistische marktsysteem veroordeelt, is ook met verve gefilmd. Robbie Cleiren, op de trappen van de Beurs, moedigt Werther eerst aan geld te vragen voor zijn paard, nadien bedreigt hij hem met een proces voor concurrentievervalsing omdat hij gratis paarden weggeeft. “Vrijgevigheid - kameraadschap- dat wil ik u gratis leren, dat is niet goed voor economie”. De bureaucratische types die hen omringen geven het beeld de allures van een Kafka-verfilming. Net daar ligt “De Intrede” dan ook dicht tegenaan. Het kapitalisme is tegenwoordig nog altijd een ondoorgrondelijk en onredelijk systeem, waaraan het individu niet kan ontsnappen. Zowel Kafka als De Buysser brengen fatalistische visioenen met een flinke scheut religieuze beeldspraak, waarvan je op momenten denkt “Ja, goed zo, nu leg je de vinger op de wonde.” Wanneer je even niet meegaat met de maatschappelijke analyse, blijft er het genot over van de poëtische schriftuur met een rijk geheel aan uitgewerkte details of de agitatie van een wrange spotprent.
Beschermd door een Ferrari- schild, en op de juiste Adidassen verricht Werther, na terloops nog gemolesteerd te zijn, nog werken van Barmachtigheid. Hij likt de wonden op de kont van een clochard. Het is een grotesk, maar sterk eindbeeld, zo tast De Buysser de toeschouwer nog even dieper in zijn kleinburgerlijk gat, nog net iets dieper in de wonde.
Om na al de viezigheid te eindigen met het idyllische beeld van een kussend koppeltje, zo krijgt Werther’s volgzame liefje toch nog iets functioneel, als de aardbei op de slagroom.






