Deze week, in theaterhuis Victoria. De Amerikaanse pornolegende Annie Sprinkle spreidt in het kader van de lezingenreeks Histories haar carrière, en tegelijk haar geslachtsdelen ten toon. Men valt niet achterover. De zaal zit halfvol, voor een legende, die ondanks haar oppervlakkige en smakeloze missie het bekijken waard zou kunnen zijn. Misschien trekt deze dame in Kunstencentrum nOna meer kijklustigen. Porno zeiden ze toch. Op de televisie. In het laatavondnieuws.
En dan ook nog, in de krant De Morgen. Eerst een weg-en-weer-geschrijf over het Gentse Forum. Een waardeloze discussie in feite, over een instituut dat er zàl komen, tot spijt van wie het benijdt, op de manier zoals Gerard het gedroomd heeft (of wat dacht je?). Is het werkelijk zo schaars gesteld met het cultureel wezen heden ten dage dat men zich onledig moet houden met gepalaver over een project dat er binnen zes jaar komt, en dat bovendien moedwillig wazig wordt gehouden? Overigens: waar zijn de jonge mensen gebleven die met vuur de sociaal-culturele pijler van het project verdedigden? Opgelost in de mist? Vuur gedoofd?
En ten slotte, als klap op de vuurpijl: het trieste verhaal over de desinteresse voor het Vlaamse theater in Nederland. Men krijgt het niet meer ‘verkocht’. Ook in Nederland loopt het niet meer storm voor fijn theater. Lekker entertainment, daar kun je onze Noorderburen nog mee bekoren, maar Vlaamse rariteiten, ho maar…
Het kan niet anders, een welwillende trendwatcher moét zich de vraag stellen: wat is hier aan de hand? Hebben we te maken met een banale herfstmoeheid of met de herfst van een theatertijdperk? Fabre, De Volder en Sierens werken naarstig verder, maar ze zijn van een vorige generatie. De aarzelende conjunctuur blijkt zich ook in het theater te hebben geïnstalleerd. Het publiek ontbeert verfrissing, er zijn geen hypes meer, geen voorstellingen ‘die je moét gezien hebben’. En de theatermakers borduren verder op verworvenheden uit het verleden; de jonge generatie mist bravoure, mist strijdvaardigheid. Maar dit is niet verwonderlijk, want waarvoor moet er gevochten worden? De subsidies vloeien rijkelijk, in vergelijking met vroeger. Elke kunstenaar van enig niveau weet met wat intelligentie hier of daar wel een beurs te versieren. En op het vlak van accommodatie kunnen we ook al niet echt klagen. Alleen al in Gent is rijtje indrukwekkend: de Bijlokesite wordt vernieuwd, de prachtige Handelsbeurs is geopend, de Centrale is opgeknapt, Nieuwpoorttheater heeft een extra plek, de Capitole heeft het landschap vervoegd, ga zo maar door… Wie zei ooit dat rijkdom niet tot creativiteit aanzet?
Wat zich vandaag op algemeen maatschappelijk vlak afspeelt, weerspiegelt zich ook in de kunst: er is een overschot aan kinderen uit de betere middenklasse die het aan een lastig verleden ontbreekt om nu ‘moeilijk’ te gaan doen. Via kunst, bijvoorbeeld. Maar de vraag is: is geestelijke armoede het lot van dit tijdsgewricht? Moeten we ons neerleggen bij het Hegeliaanse principe en geduldig wachten tot de pendel weer de andere kant uitzwaait? Of is het iets anders: kunnen we de vernieuwing in dit theatertijdperk gewoon niet bemerken omdat we er midden in staan? Ik hoop het, want misschien is er écht niks te zien…






