"At a recent concert, Phill played a tape piece of warm synthesizer-like sounds suggesting fast-moving arpeggios and distant thunder storms. I told him that the sounds were moving, what was the piece? I was embarrassed to find that it was one I had recently recorded" - Dave Soldier, hoesnota’s bij Music by Phill Niblock, 1993.
Op het eerste gehoor is ‘monotoon’ misschien een passende term om de muziek van Phill Niblock (°1933) te omschrijven, althans in zijn eerste betekenis – of de tweede betekenis er ook van op toepassing is, maak je beter zelf uit. Zeker is dat de composities van Niblock compleet bevrijd zijn van alle orthodoxe parameters waar muziek normaliter aan gebonden is: “No melodies, no harmonies, no rhythms, no bullshit” schreef recensent Tom Johnson al in 1979 . In de plaats construeert hij massieve drones uit precieus gekalibreerde tonen, die traag voortschrijden en slecht na verloop van tijd bijna onopgemerkt veranderen van frequentie, hoogte en kleur. Klankgolven vloeien in elkaar over en creëren telkens nieuwe accenten en minieme toondecalages, al zijn die slechts op microscopisch niveau te horen. De muziek evolueert constant maar geeft de impressie een tijdloos continuüm te vormen, een fysisch eerder dan een narratief gegeven. Toch zijn de composities complexer dan aangenomen: Five More Strings Quartets bijvoorbeeld bestaat uit een vijfhonderdtal frequenties die in sequentie afgespeeld worden in de koptelefoon van vier opvoerders, die een benadering spelen van die precieze toon, die op zijn beurt via multitracking simultaan vijf keer wordt vereenvoudigd. Het resultaat is een dikke waaier van klanken, die vooral boeiend wordt door de onvoorspelbare ritmepatronen en spokende geluidseffecten die ontstaan uit hun interactie. Het resultaat hangt natuurlijk onmiskenbaar af van het volume en de akoestiek van de ruimte, vandaar dat een opvoering nooit twee keer gelijk is en zelfs muzikanten, zoals de hierboven geciteerde Dave Soldier bij beluistering soms hun eigen spel niet herkennen. “Minimalism most pure”, zo omschreef Lee Ranaldo (van Sonic Youth) ooit de muziek van Niblock. Vreemd genoeg werd hij tot voor kort nooit genoemd in het rijtje van Amerikaanse componisten die de minimalistische traditie in de jaren zestig leven inbliezen: LaMonte Young, Terry Riley, Steve Reich, Philip Glass… Alhoewel hij in de New Yorkse avant-garde gemeenschap een welgekende figuur is, werd hij daarbuiten zelden of nooit erkend, wellicht een gevolg van het gebrek aan opnames. De laatste jaren worden we echter overspoeld door releases, zo verscheen op het gerenommeerde Touch label het mooie For Hurdy Gurdy And Voice en op Jim O’Rourkes Moikai label kwam enkele maanden geleden G2,44 /x2 uit, een compositie opgebouwd uit gitaarklanken. Ook op zijn eigen label, XI (Experimental Intermedia) werden een aantal werken uitgegeven, zoals Four Full Flutes en Music By Phill Niblock. En aangezien de minimalisme beweging op hernieuwde aandacht kan rekenen vanuit een generatie elektronica adepten, werd enkele jaren geleden ook een mooi overzicht gecompileerd uit zijn ouder werk, passend getiteld A Young Person's Guide To Phill Niblock.
“Ik heb nooit erg gehouden van opnames, vooral van het idee dat mijn muziek wordt afgespeeld zonder dat ik controle heb over de parameters. Ik denk dat het gewoon niet werkt als je het hoort op kleine speakers of via een koptelefoon… de live-ervaring, wanneer de muziek op een hoog volume wordt afgespeeld in een goeie ruimte is het allerbelangrijkste. Ik heb ook altijd wat schrik gehad van de klank van lp’s, maar cd’s klinken nu stukken beter: luister maar naar die heruitgaven van die oude jazz platen van de jaren 1950-’60. De lp’s klonken, op enkele uitzonderingen na, verschrikkelijk maar nu zijn ze echt fantastisch! Het probleem was dat er een hele tijd geen muziek van mij werd uitgegeven en dat er dan ook haast niemand van op de hoogte was. Het werd noodzakelijk om een soort van documentatie of archief te hebben, dat is ook een van de redenen waarom we hebben beslist om een serie uit geven op XI. ”
Niblock is ook actief is als fotograaf en filmmaker en wordt algemeen beschouwd als een van de eerste zogenaamde ‘multi-media’ artiesten. In 1968, na een carrière als jazzfotograaf bij o.a. Duke Ellington begon hij muziek te maken, vooral beïnvloed door het werk van minimalistische kunstenaars als Mark Rothko, Carl Andre of Robert Morris. Niblock is vooral gefascineerd door een zo ‘neutraal’ mogelijke perceptie van muziek: “I’m interested in making materials that people can react to without having a big repertoire of ideas about what I’m doing so that there’s less directing them and more that they can react TO and percieve as they percieve, given their set of cirumstances”, vertelde hij ooit in een interview. Specifieke tonen worden opgenomen en gesampled, geëxtraheerd en gelaagd via multitracking, vroeger met analoge tapes, sinds enkele jaren met behulp van digitale technologieën. De expressiemogelijkheden zijn erdoor groter geworden, maar toch blijft het esthetisch uitgangspunt van Niblock’s recent werk onveranderd.
“Ik ben alleen maar geïnteresseerd om dit soort muziek te maken. Ik heb nooit iets anders geprobeerd, afgezien van een of twee prille tape collages. De nieuwe technologieën hebben me het vooral gemakkelijker gemaakt, maar in feite gebruik ik nog altijd min of meer dezelfde technieken als voorheen. Mijn eerste stukken werden geproduceerd op een analoge 16-track en toen nam ik nog heel voorzichtig al de verschillende tonen op en wiste later de intervallen uit om zo een continue klankstroom te verkrijgen, maar tegenwoordig kan ik de klanken rechtstreeks en in een keer opnemen en pitchen op mijn computer. De noten zijn dus op zich eigenlijk veel minder specifiek geworden.”
Voor het inspelen van de muziek doet Niblock beroep op een kleine schare kennissen en vrienden, zoals Rafael Toral, Jim O'Rourke en Susan Strenger (van Band of Susans). Vaak worden de muziek van Niblock ook live aangevuld met muzikanten, die bovenop de opnames nog enkele lagen toevoegen. Op zijn recentste Cd G2, 44 /x2 staan twee versies van het stuk ‘Guitar too, for four’, een originele 24-track mix van gitaarsamples waarboven Toral nog 6 extra sporen heeft ingespeeld en een live versie met illustere muzikanten als Kevin Drumm, Lee Ranaldo, Thurston Moore en Alan Licht. Alhoewel deze muziek simpel lijkt, is toch een intense concentratie gevergd: de klanken worden opgewekt met een E-bow (een klein toestelletje dat de gitaarsnaren magnetisch doet vibreren), terwijl het volume en de klankkleur subtiel moet worden gemanipuleerd met de tremelo-arm. Met een minimum aan middelen wordt telkens een diepe drone opgewekt, die constant resoneert en oscilleert. ”Voor de meeste van mijn stukken gebruik ik dezelfde werkwijze: ik kies enkele noten, de instrumenten en de muzikanten en dan neem ik enkele herhalingen van die noten op in mij studio. Daarna deel ik die opnames op in samples en laag die in verschillende sporen. Omdat er gewoonlijk ook muzikanten meespelen tijdens de performances, vroeg ik deze keer Rafael Toral om enkele stukken toe te voegen, wat hij heel subtiel deed. Ik vroeg hetzelfde aan Jim O’Rourke, maar hij liet dat werk over aan vijf andere gasten - niet dat ik mag klagen, hoor…”
“Live spelen er bij dit stuk telkens een aantal gitaristen mee terwijl ik de opname afspeel. Meestal zit ik gewoon op de achtergrond van het podium, te doen alsof ik druk bezig ben – maar veel activiteit is er eigenlijk niet te zien (lacht).”
De impact van een performance van Niblock is in grote mate afhankelijk van de architecturale eigenschappen van de ruimte en van het volume. In de hoesnota’s van G2, 44 /x2 schrijft hij “if the neighbours don’t complain before the piece ends it’s probably not loud enough”. Beide variabelen komen in ieder geval goed tot zijn recht in Niblock’s eigen loft in New York, waar hij sinds de jaren zestig regelmatig concerten organiseert, recent nog van onder ander Ryoji Ikeda, Zbigniew Karkowski en Jim O'Rourke.
”Normaal gezien bereikt mijn muziek een consistent volume van 110db. Voor veel mensen is dat blijkbaar te luid: laatst speelden we een concert in Tulsa, Oklahama voor een publiek van gemiddeld 50 jaar oud. Voor hen was dat echt heel vreemde muziek, iedereen is dan ook binnen de kortste keren weggelopen. Na het concert kwam er een man naar toe die me luidkeels begon uit te kafferen omdat ik te luid had gespeeld en het publiek had genegeerd (lacht).”
”De ruimte waarin het concert wordt gespeeld is in grote mate bepalend. Mijn muziek is in feite opgebouwd rond een architecturaal idee, het draait rond evenredige verhoudingen en de manier waarop ze gevormd worden in een ruimte. De muziek werkt niet in open lucht en als je ze afspeelt in een ruimte die te eng is, waar je enkel de speakers hoort, gaat er ook niks gebeuren.”
Meestal worden tijdens concerten ook de films van Niblock geprojecteerd. Het grootste deel van zijn filmisch werk bestaat uit lange, traag voortschrijdende beelden van werkende mensen, zonder commentaar en met een minimum aan montage. Ook op visueel vlak lijkt Niblock te zoeken naar een minimalistische vorm van ‘puurheid’.
” Mijn grootste project liep over een termijn van twintig jaar, het zijn beelden die de beweging volgen van mensen die werken, gewoon bezig zijn met hun dagdagelijkse karweien. Momenteel ben ik bezig aan een werk met 35 millimeter slides, daarbij gebruik makend van zwart-wit materiaal met een hoog contrast. Ze tonen vooral traag veranderende patronen, het zwart is immers zo intens dat je niet eens de randen van het scherm ziet, maar er komen wel kleine witte spikkels en pixels doorheen, die lijken op te lossen in allerlei vreemde vormen.”
Niblock is ook de curator van Experimental Intermedia, een in 1968 opgerichte organisatie die internationale artiesten ondersteunt die werken aan intermediale kunstvormen. Er is ook een gelijknamig label, dat naast werk van Niblock zelf ook platen van artiesten als David Behrman en Malcolm Goldsein uitgeeft. Sinds begin de jaren negentig heeft XI naast New York een tweede basis in Gent, waar Niblock samenwerkt met multi-media artiesten als Lieve D'hondt, Peter Morrens en Maria Blondeel en componisten zoals Guy de Bièvre en Eric De Visscher.
“Dat is vooral dankzij Logos. In 1978 vroegen ze me voor een van hun producties in het Paleis van Schone Kunsten. Voor mij leek dat toen een gemakkelijke gig die genoeg betaald werd (lacht) en toen heb ik die mensen voor het eerst ontmoet… en ben ik blijven komen. Het was vooral Maria Blondeel die geïnteresseerd was om samen te werken, zij had reeds een organisatie en we hoefden alleen maar de naam te veranderen. In 1991 heb ik hier ook een huis gekocht en daar na verloop van tijd een kleine galerij geïnstalleerd, waar ook doorlopend installaties te zien zijn. In Gent wordt vooral gefocust op de visuele kunsten, maar we hebben ook al enkele geslaagde performance evenementen achter de rug. Vorig jaar was er nog IM, een heel weekend met installaties en concerten in de koolmijnen van Genk. Die gebouwen waren een perfecte locatie: volledig verlaten, maar ongelooflijk mooi!”
“Het idee achter het XI label was om het werk uit te brengen van artiesten waar ik zelf geïnteresseerd in ben en om zeker niet teveel cd’s uit te brengen –daar hebben we het geld niet voor - maar wel om ze zo lang mogelijk te blijven publiceren en een soort van vaste catalogus op te bouwen. Momenteel zijn we aan het werken aan een reeks nieuwe releases, onder andere van Alan Licht en Richard Lainhart. Eindelijk wat jongere mensen (lacht): de andere mensen op het label, zoals ikzelf, Phil Corner en Tom Johnson moeten gemiddeld zowat 63 jaar oud zijn..”
Niblock wordt tegenwoordig op handen gedragen door een jongere generatie muzikanten, die onafhankelijk van de academische muziekwereld experimenteren met elektronische microklanken en structuren. Op het ‘Fricties’ festival in de Gentse Vooruit concerteert hij naast artiesten zoals Fennesz en Hazard. Heeft hij nog voeling met de huidige tendensen?
“Het is interessant dat tegenwoordig zoveel mensen dingen maken die het grootste deel van het muzikale spectrum negeren en structuren weven rond noise en abstracte klanken. Vroeger was elektronische muziek vooral een academische aangelegenheid en daarnaast was er ook instrumentale muziek die vooral door ensembles gespeeld werd. Die paradox merk je wel nog altijd in New York: downtown wordt er vooral muziek met computers gemaakt, terwijl er uptown allerlei gezelschappen fusies spelen van allerlei stijlen en invloeden.”
“Zelf volg ik niet echt de nieuwe trends, ik ga bijvoorbeeld helemaal nooit naar disco’s en zo, er wordt dus heel wat muziek gemaakt die ik simpelweg nooit te horen krijg. Ik ga wel naar concerten in New York en ook als ik op tournee ben, maar meestal ben ik gewoon met mijn eigen ding bezig.”
www.experimentalintermedia.org
www.experimentalintermedia.be
MP3(met toestemming van Touch, All tracks published by Touch Music)
Hurdy Hurry (sample) (excerpt from Touch Works: For Hurdy Gurdy and Voice)
Essentieel werk:
Nothin' To Look At Just A Record, India Navigation LP
Niblock for Celli , India Navigation LP.
Four Full Flutes, 1991, XI.
Music by Phill Niblock, 1993, XI.
A Young Person's Guide to Phill Niblock, 1995, Blast First (reissue XI).
Touch Works: For Hurdy Gurdy and Voice, 2000, Touch.
G2, 44 /x2, 2002, Moikai
Terrace of Unintelligibility Video by Niblock, music by Arthur Russell
Film and Music by Phill Niblock, Two hour film and music by Niblock
noot: enkele van de passages zijn vertaald uit de hoesnota's van G2, 44 /x2.






