Onder die naam is nu een vierde plaat verschenen, waarop hij zijn vertrouwde how-lo-fi-can-you-go-sound combineert met een strijkerssectie, pedalsteel, enkele blazers en een dronkemanskoor. Opener ‘The Big Picture’ begint met een sample van een koppel dat ruzie maakt in hun auto, begeleid door een dreigende soundscape die zo weggelopen lijkt uit een Godspeed You Black Emperor! nummer. Het eigenlijke nummer zou ingespeeld kunnen zijn op een bandrecorder en ademt een samen-onderweg-sfeertje, ook door de achtergrondgeluiden van voorbijrijdende auto’s en de op het randje van valse meeneurieënde vrouw. De hele verdere plaat staat vol met ijzersterke melodieën, meestal erg ongepolijst van klank, dromerig, intens en nooit het risico schuwend. Af en toe bezondigt Oberst zich aan regelrechte tearjerkers, maar de manier waarop ze gebracht worden, doen een weerzin tegen dit soort van slijmerigheid onmiddellijk vergeten. Zijn breekbare stem, die soms doet denken aan The Cure’s Robert Smith, is daar niet vreemd aan. Absolute uitschieters zijn ‘Lover I Don’t Have To Love’ dat tegelijk erg catchy en beklijvend emotioneel klinkt en ‘Don’t Know When But A Day Is Gonna Come’, een dreigende saga waarvan de sfeer wat heeft van ‘Buenas Tardes Amigo’ van Ween.
Hier en daar zijn de teksten aan de melige kant en de nummers te dramatisch, maar dat stoort zelden. Afsluiter ‘Let’s Not Shit Ourselves’ is een country- en westerntune over hoe het met de wereld gesteld is, en wat de tweeëntwintigjarige Oberst daarvan vindt. Een beetje hoogdravend, maar het zijn die naïeve schoonheidsfoutjes en uitschuivertjes die vreemd genoeg de plaat sympathiek maken.






