Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Els Van Steenberghe:
Over uitgeslapen multimediale theatervoorstellingen
Pascale Platel verovert de grote Theaterfestivalprijs
Zeilend tussen Cultuur en Onderwijs. Een verslag.
“Balmoral”, coördinatie: de Kopergietery, regie: de Kinderrechtenorganisatie…
BAL MET MORAL
datum 25.10.2002
rubriek Podium
De Kinderrechtenorganisatie had een droom. De stem van het kind in het gezin accentueren mét kinderstemmen. Mooi idee. Dat vond Eva Bal ook. Ziezo, het recept was gevonden, de ingrediënten eveneens en nu: roeren, roeren, roeren. Men vergat één ding, denk ik.
Eva Bal is een theatermaakster, een kunstenares die vanuit geraaktheid en bevlogenheid, vanuit een onwaarschijnlijke nood om te creëren theater maakt. Ze is geen machine die, na de ingrediënten toegevoegd te hebben en op het knopje te drukken, zomaar hop een snijdende en intrigerende kinderproductie uitwerpt. Zo’n een creatie heeft “muzische inspiratie”, tijd en ruimte nodig om beelden te laten groeien, om kinderen minimaal te laten spelen met een maximum aan overtuigingskracht. Laat dit nu zijn wat dit project mankeerde. Met een minimum aan tijd het maximale uit de makers en hun spelers persen. Een krachttoer die een lovenswaardig en begrijpelijk engagement uitstraalt maar een ontzettend jammerlijke artistieke fragiliteit bezit.

Is dat dan zo erg? Was het engagement van Bal en co niet prioritair? Het feit dat ze vanuit haar passie voor kinderen zichzelf, haar huis open stelt voor de creatieopdracht van de Kinderrechtenorganisatie? Natuurlijk is het een pracht van een geëngageerdheid maar waarom blokkeert men de uitmonding in een krachtige theatrale creatie? Een theaterhuis, een kinderkunstencentrum, streeft er toch net naar geëngageerd te zijn door stevige artistieke stellingnamen die deze bekommernis uitstralen? Waarom laten theatermakers zich voor een kar spannen waarvan ze weten dat die hen als kunstenaar zal belemmeren voluit te gaan? Misschien omdat de doelstelling van de organisatie hen zo nauw aan het hart ligt, dat weigeren welhaast gelijkstaat aan zelfkwetsing? Van dilemma’s gesproken.

Het blijft desalniettemin ontzettend spijtig dat Bal deze halve kans greep in de plaats van tijd (en geld?) te eisen om intensief sleutelend tot één krachtig en kunstzinnig statement te komen waarin ze haar taal lonk aan, zou verrijken met, de choreografische zinnen van Ives Thuwis, de tedere gekte van Johan De Smet en de subtiele theatertaal van Wim De Winne. Het mocht niet baten. Het statement vervloog in schuchtere aanzetten die nog te zeer die herkenbare prilheid van de eerste ideeën bezaten. Tussen de huppeldansjes, holletjes en soms onverstaanbare kinderstemmen door kon je een glimp van Bals droom opvangen. Die glimp was daarom des te pijnlijker.

Bal componeert met en vanuit kinderen zonder hen strak te dirigeren. Zoals een kat haar jongen vindt, zo heeft Bal een vlijmscherpe neus voor trefzekere beelden die ze tot een innemende voorstelling kan smeden. Kan. In deze voorstelling blijven enige bloedmooie beelden verwezen achter in de onsamenhangende brij.

Het fragiele kindpopje dat de toeschouwers toe piepte, de jongens die al fietsend hun flikkerlichten willen doen branden, de weekendmonoloog van een onzekere knaap, de majestueuze wandelende bontjas met twee kleine dametjes erin, … ze doken op en verdronken weer in het geheel.

De voorstelling werd eerder een illustratie van de bezorgdheid van de Kinderrechtenorganisatie dan een theatervoorstelling waarin deze bezorgdheid ingebed ligt, waarin het hunkeren naar hoop en troost als ruggengraat werd gehanteerd.

Aan de helderheid van het theatrale kader lag het niet. Terwijl de ouders en wetenschappers op een congres omtrent opvoeden “palaveren”, amuseren de kinderen zich in de achterruimte met , dansen, als radioreporter speuren naar de stem van het kind, dagboeken volschrijven en voordragen, …om als afsluiter van het congres met een eigen statement op de proppen te komen. Ze hijsen een bord met lichtletters “Balmoral” omhoog op de tonen van Presleys Suspicious Minds. Met muziek probeerde Bal alsnog een krachtig en ontroerende eindnoot te zetten. Het lukt, vooral door een ongewenst neveneffect: je raakt als toeschouwer vooral gegrepen door de machteloosheid van de regisseuse in haar veel te strak aangesnoerde korset van tijd en middelen.

Met Villamour bewees de Kopergietery op dezelfde avond, gelukkig, dat die prettige en indringende koperen gekte nog wel bestaat. De tentoonstelling gaf kinderen een stem zonder die te vervormen in (artistieke) krapheid. Dezelfde groep kinderen die zich op scène trachtten uit te leven, mochten zich eveneens in letters verliezen. Op grote en kleine frommelbriefjes, op strontpapiertjes, op een krijtbord, in de douchespuit, tussen de planten of de matrasknopen kriebelden ze eerlijke en ongekunstelde gedachten neer: over soep met een rietje, biefstuk met frietjes, alleen wonen, super gestresste mama’s, plassen op bevel, dode vogeltjes en ooms, … Al deze stemmen vonden onderdak in een ontzettend warm huis. Een interactieve tentoonstelling waar je als toeschouwer zelf je “voorstelling” bij elkaar zoekt. Met een theemuts op het hoofd en pantoffel in de hand door Villamourland. Je moet het beleefd hebben. Het was niet alleen speuren naar de naam van het personage dat men “speelde” (afhankelijk van het attribuut waarmee men het huis in dook), tezelfdertijd kon men in de koelkast kruipen, het lievelingsmenu zoeken, wegzinken in de knuffelzetel, gezinnen terug samenvoegen met televisiedraden, babbelen met de douche, op de WC-troon intieme onthullingen neerschrijven of vervelende gedachten neerpennen en doorsassen, in een hemels bed kruipen of de ondergrondse gangen “molsgewijs” doorwoelen, in de kleine tuin wegkruipen, bladeren aaien, … Kortom je ging op ontdekkingsreis en kwam de kinderen die in de voorstelling iets te houterig aandeden als gevoelige en trefzekere auteurs tegen, je botste op publieksmakkers die op handen en voeten op zoek waren naar hun poezenhart, anderen zaten met een voetbal op hun hoofd naar televisie te kijken, nog anderen namen een bad in piepschuim en ondertussen begluurden anderen zichzelf (en hun medemens) in Adam en Evakostuum. Wat er in het hemelbed allemaal kan gebeuren, is niet verwoordbaar…

De voorstelling werd flink aangevuld door de tentoonstelling. In deze uitgelaten (maar niet overladen) vormgegeven installatie zorgen de letters ervoor dat die warmte ook een realistische, herkenbare pijn en kwetsbaarheid met zich meedraagt. Die gedirigeerde uitgelatenheid op scène, krijgt een overtuigende en spontane tegenhanger in het huis. De spelers crossen en vliegen door de kamers, het zijn dezelfde auteurs die zich vertwijfeld afvragen wat morgen, het weekend, hun leven zal brengen. Hier botst men op een authenticiteit zonder dat de kinderen in een onnatuurlijk gareel worden gespannen. Met deze tentoonstelling schrijft Kopergietery zich succesvol in de trend in om via vormgeving het publiek te prikkelen en tot denken aan te zetten, zonder opdringerig uit de hoek te komen. Beeldende vormgeving verleent aan kinderwoorden een open kracht waardoor de woorden aan sterkte winnen zonder aan oprechtheid in te boeten.

Het feit dat men de uitdaging aanging, beseffend in welke leeuwenkooi men zich waagde, getuigt van de gedrevenheid en experimenteerlust, de avonturierslust van die koperen bende. Maar de machtige tekst in de programmabrochure vertelt over de dubbelheid van feesten. Hij balanceert subtiel op het touw tussen vrolijkheid en triestheid. Hij verraadt waar de theatermakers eigenlijk wilden uitkomen. Dan is het pijnlijk om te zien hoe Balmoral in het valnet tuimelt.

Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie