Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Jan Devries:
Yankee go home!
Weer een illusie armer
Huilen met Jan met de Pet op
City by the sea/24 Hour Party People/Stones/Four Feathers/Autumn Spring/A Chronicle of corpses/The T
FILMFESTIVALFLASHEN: SLOT
datum 21.10.2002
auteur Jan Devries
rubriek Film + TV
Dinsdag 15 oktober
Hoe minder gezegd over City by the sea hoe beter. Dit Robert De Niro-vehikel is een cliché van begin tot einde en bovendien overgoten met een akelig conservatieve saus. De Niro speelt de zoveelste variatie van zichzelf als een oude inspecteur bij de New Yorkse moordbrigade die op een dag merkt dat de moordenaar waar hij op jaagt z’n eigen vervreemde zoon is. Wat volgt is een eindeloos vervelende toenadering tussen vader en zoon en de boodschap dat de familieband en alle andere oude waarden ten allen tijde moet geërbiedigd worden. Het enige interessante aan deze film is z’n locatie, opnieuw New York, opnieuw mét de twee torens, wat dan weer wil zeggen dat de echte post-9/11 films nog moeten komen en er ons dus nog een ellendige stroom aan oerconservatieve, Republikeinse films te wachten staat. Beware!
Daarna geprobeerd deze snertfilm te verteren middels een selectie Europese kortfilms, maar opnieuw viel hier bijster weinig interessants te rapen, vreemd genoeg waren de kortfilms die ik soms voor filmvertoningen zag stukken beter dan wat het 10-koppige publiek voorgeschoteld kreeg. Aan het gezucht van de jury achter mij, en Robbe De Hert’s eindeloze getandenknars te horen vonden ook zij het niet veel soeps.

Woensdag 16 oktober
Na een volledig geflopte dinsdag werd het tijd voor wat beterschap, en daar was dan net op tijd 24 hour party people, een heerlijke trip naar lang vergeten maar ooit zo gekoesterde muziekjes. Deze wervelend vormgegeven film vertelt het ruige verhaal van Factory records, de nachtclub Haçienda en ‘rise and fall’ van de ‘Madchester music scene’, en dat allemaal door de ogen van labelbaas, clubeigenaar, tv-maker en halve gek Tony Wilson. Vele van de verhalen rond dit figuur, en zijn manier van zaken doen, zijn al lang muzieklegendes geworden, hoe hij geen enkele van zijn artiesten ooit een contract liet tekenen zodat hij, wanneer zijn label over de kop ging, geen cent kreeg van het overnamegeld, of hoe hij de eerste single van New Order, Blue Monday, in zo’n dure en ingewikkelde hoes liet verpakken dat het label 5 penny’s moest opleggen per verkocht exemplaar, Wilson redeneerde dat de plaat toch voor geen meter zou verkopen. Blue Monday werd de meest verkochte 12" single ooit in Engeland, en Factory records verloor er miljoenen aan. De film zit vol met van die hilarische feitjes en biedt zo een prachtig tijdsbeeld van hoe een handvol muziekfreaks domweg hun ding deden, wars van alle trends, en zo onbewust zelf enkele hardnekkige trends zouden lanceren. De film valt uiteen in een drietal periodes: in de eerste staat de lancering van de club en het label centraal, met vooral veel aandacht voor Joy Division. Het eerste deel eindigt natuurlijk met de zelfmoord van zanger Ian Curtis, naar mijn mening wat oneerbiedig weergegeven, maar de daaropvolgende wake bevat het enige echt emotionele moment van de film, Curtis opgebaard in z’n kist, vermengd met beelden van een postume Joy Division videoclip en de songtekst "don’t walk away, too soon…". De tweede periode begint als de broertjes Shaun en Paul Ryder, later The Happy Mondays, bij wijze van grap vergiftigd brood rondstrooien en bijgevolg honderden dode duiven uit de hemel komen gevallen. Even later loopt een slungelige, stonede knul door de straten, ziet een UFO en beseft plots dat hij Bez is en het zijn lot zal zijn om danser te worden bij The Happy Mondays. En de rest… is een wilde geschiedenis vol xtc, wiet, coke, heroïne, smack en beestig goeie platen. De Mondays bezorgden Factory z’n grootste succes ooit, maar zouden ook z’n ondergang betekenen. De explosie van het druggebruik in het nachtleven, open oorlogen tussen dealers en slecht management vullen de derde akte van deze heerlijke melancholietrip. Ik zou zeggen "een aanrader", maar zover ik weet komt de film helaas niet in roulatie.

Niet veel later nog eens een competitiefilm gezien, het Spaanse Stones, maar die is door het overaanbod van de laatste week volledig aan mij voorbij gegaan. Ik denk dat ie wel goed was, maar waarom weet ik echt niet. Diepkritische verslaggeving, daarvoor leest u allen Urbanmag!

Donderdag 17 oktober
En af en toe eens een ronduit razende kritiek mag ook wel eens. Het moet van Moulin Rouge geleden zijn dat ik nog eens zo kwaad ben geweest op een film zoals bij The Four Feathers, een prent die berecht zou moeten worden als een oorlogsmisdaad. Deze megalomane Amerikaanse productie speelt zich af in 1898 maar bevat griezelig veel linken met de hedendaagse oorlogssfeer. Het Britse leger moet zijn enorme rijk weer eens gaan verdedigen als blijkt dat er rellen zijn uitgebroken in Soedan, een van z’n kolonies. Een jonge officier weigert z’n leven in gevaar te brengen in een vreemd land en neemt ontslag uit het leger. Meteen daarna ontvangt hij van drie van z’n legervriendjes en van zijn kersverse verloofde vier veren, teken van lafheid. Meteen reist de ex-officier z’n maten achterna om samen met hen die vuile moslims in stukken te gaan hakken. Op geen enkel ogenblik in de film wordt kritiek gegeven op het feit dat de Britten daar absoluut niets te zoeken hadden, de moslimstrijders worden allemaal voorgesteld als gewetenloze monsters en op het einde krijgen we nog de boodschap mee dat het ieder zijn plicht is om z’n leven te geven voor zijn land en broeders. Tegen die tijd zat ik al met de middelvinger in de lucht tegen het scherm aan te vloeken, razend om deze reactionaire, oorlogsverheerlijkende propagandafilm, die mooi past in Bush’s War against terrorism, het Brits imperium van toen is het Amerikaanse Rijk van nu en de slechterikken zijn nog altijd dezelfde vuile moslims. Het ergste van al is dat deze prent veel succes gaat hebben, en ongetwijfeld Oscars zal winnen, het is per slot van rekening een peperduur spectakel met mooie beelden, met een romance erbij gesleept en een sterke gelijkenis met die andere succesvolle flutfilm, The English Patient. Als het moet zal ik ervoor zorgen dat er in elke zaal waar ze dit durven spelen een bommelding binnenkomt.

Nee, geef mij dan maar een eenvoudige, complexloze film als Autumn Spring, een Tjechische zwarte komedie over twee bejaarde vrienden die weigeren oud te worden en nog alle dagen kattekwaad gaan uithalen. Als ik niet zo’n hekel had aan het woord zou ik dit een ‘hartverwarmende’ film noemen, een film die meer goed doet aan het imago van bejaarden dan elk lullig initiatief van Mieke Vogels, zoals haar Zilveren Surfers website, waar bejaarden hun belegen wijsheid interactief kunnen delen met de jeugd, en waar ik regelmatig de chatbox bezoek, onder de naam van Bompa Eugène, een 80-jarige racist die constant zit te kakken op die ellendige jeugd van tegenwoordig. Da’s ook wel lachen geblazen.

En ‘s avonds volgde dan ook nog als toetje de meest absurde film van het festival, ik wist echt niet wat ik zag tijdens A Chronicle of Corpses, een film zo slecht dat ik hem geniaal begon te vinden. Het is een extreem amateuristische slasher-horrorfilm, waarbij een huis vol adelijke mensen wordt afgeslacht door een kaalhoofdig meisje met enkel een volgekakt wit hemd aan. De naam van de 22-jarige regisseur zal niet meteen op ieders lippen gaan branden, ook al omdat Andrew Repasky McElhinney niet zo lekker bekt. Ik weet echt niet wat McElhinney probeerde te bereiken met een film waarin de personages heel de tijd als wassen beelden voor zich uit staren en holle praat verkopen, in scènes die soms de pijngrens qua lengte moeiteloos overschrijden. Hij wekte er alleszins ernorme ergenis mee op bij het alles behalve begripvolle publiek, dat collectief een enorme zucht van verlichting slaakte bij het zien van de woorden ‘The End’. Tegen die tijd had Andrew Repasky McElhinney in mij al een nieuwe fan gevonden. Je moet het maar kunnen om zo’n ijzersterke slechte film te maken.

Vrijdag 18 oktober
De laatste competitiefilm die aan bod kwam was The Tracker, een best wel goed meevallende Australische western waarin drie agenten de wilde natuur intrekken om een aboriginal op te pakken die een blanke vrouw zou vermoord hebben. De drie worden geholpen door een andere aboriginal, die het spoor van de gevluchte man moet zien bij te houden. The Tracker is een lekker voorbijkabbelend filmpje, met mooie natuurbeelden, het originele procédé om scharniermomenten in de film enkel te tonen in de vorm van een aboriginalmuurtekening, alleen die overvloedig aanwezige flutmuziek had er wel uit gemogen. De vier hoofdrolspelers, allen zonder naam, zijn sterk afgelijnd, de leider is de bruut, de jonge politieman is de begripvolle nieuweling, er is de veteraan, een wat zwijgzame man van wie je meteen weet dat ie er als eerste aan zal gaan, en de aboriginal is het mysterieuze personage, van wie je al snel weet dat hij de agenten van in het begin al bij de neus aan het nemen is. The Tracker is een voor deze tijden uitzonderlijk rustige film, die daarom wat ouderwets overkomt, maar toch geen moment verveelt, een kunst op zich.

De tegenvaller van het festival moet wel Hotel geweest zijn, de nieuwe van Mike Figgis, die mij eerder dit jaar het meest geslaagde filmexperiment in tijden deed ondergaan met Timecode, een film waarbij het scherm continu uit vier delen bestaat, een dubbele splitscreen dus, wat hij in Hotel opnieuw enkele keren gebruikt maar deze keer kwam het lang niet zo goed over. Het probleem is het enorm rommelige verhaal en Figgis’ totale devotie voor de vorm van zijn werk. Het eerste half uur viel nog heel erg mee, we zien een filmploeg (met alle stereotypes erbij gesleurd) zich voorbereiden op de opnames van The Duchess of Malfi in Venetië, in Dogmastijl, wat een boel grapjes oplevert over Dogma 95, waar drie kwart van het publiek geen bal van begrijpt dus. Er lopen massa’s vreemde figuren rond in het hotel waar de filmploeg verblijft, zoals een extreem irritante tv-maakster, een sinistere stadsgids en enkele aristocratisch ogende mensen die meestal in de kelder vertoeven en het vlees van de hotelgasten opeten. Maar eenmaal al die verschillende personages voorgesteld begint het verhaal te slippen en lijkt Figgis definitief de controle over zijn film kwijt te zijn, al zijn gegochel met het beeld begint op de zenuwen te werken en wat er gebeurt interesseert eigenlijk niemand nog. Een spijtige mislukking.

Zaterdag 19 oktober
Eindelijk, de laatste dag, de laatste film, het begon stilaan m’n strot uit te komen, heelder dagen niets anders dan kijken naar, praten, lezen en schrijven over filmfilmfilm. Moe werd ik er van, heel moe. De laatste film in het rijtje van 33 (jezus!) was nog een verrassende meevaller. Van Christopher Nolan’s Insomnia had ik niets verwacht, zijn vorige sufgehypte prent Memento was nu ook weer niet zo geweldig, gewoon achterstevoren, niets nieuws onder de zon voor de rest. Met Insomnia laat hij het vormelijke getover achterwege en maakt een degelijke thriller over een oude topflik (Al Pacino kan niets anders meer spelen) die in Alaska gaat speuren naar de moordenaar van een 17-jarig meisje. Het begin van het verhaal is een dermate getrouwe kopie van het verhaal van Twin Peaks dat het griezelig wordt, en niet veel goeds doet vermoeden, maar de film neemt toch wel een originele wending als de flik en de moordenaar onder één hoedje gaan spelen, omdat ze beiden over bezwaarlijk feitenmateriaal beschikken en zo elkaar dus kunnen vernietigen. De moordenaar wordt lekker sinister vertolkt door Robin Williams, de tweede slechterik al die hij dit jaar neerzet, na One Hour Photo, meneer Williams zal zijn eigen onozele smoel nu eindelijk zelf ook beu zijn.

En toen was het echt wel gedaan, de pellicule op, de prijzen uitgeraakt, onze Aki pakt met The man without a past de grote pot, en dat meer dan verdiend, de prijs voor beste Belgische kortfilm wordt bij gebrek aan inspiratie gewoonweg niet uitgereikt (volgende jaar zouden ze beter alleen nog de prijs voor slechtste kortfilm uitreiken, dat zou nogal eens een straffe competitie worden) en Juliette Binoche is al lang weer thuis. Ik had al mijn geld gezet op Bloody Sunday als winnaar en sta nu dus op straat. Het zal me leren.

Toch nog even m’n persoonlijke hoogtepunten op een rijtje zetten:
1.Bloody Sunday
2.Spider
3.The Man without a past
4.Carnages
5.Bowling for Columbine
Russian Ark (waarover later meer)
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie