Het eerste probleem waar een doorsnee festivalganger mee te kampen krijgt is de vraag wat nu in godsnaam moet aangevangen worden met die berg nobele onbekende films die elk jaar weer de programmabrochure vullen. Het eerste wat ik persoonlijk altijd doe is die films selecteren die gemaakt zijn door een regisseur die eerder al goeie dingen deed en die dat nu eventueel nog eens zou kunnen doen, op die manier kom je toch al snel aan een aardig lijstje films.
De dag voor alle festiviteiten losbarsten kan je al gaan kijken naar de film waar waarschijnlijk weinig bezoekers gaan zijn omdat niemand de titel ervan kan uitspreken zonder een kaakbeenbreuk op te lopen, namelijk Naqoyqatsi, een woordeloze, verhaalloze en personageloze film van ex-kloosterklant Godfrey Reggio, die zichzelf eind jaren zeventig onsterfelijk maakte met de al even lekker bekkende klassieker Koyanisqatsi, een filosofische documentaire over het grote thema Mens vs. Natuur, vooral belangrijk voor z’n perfecte symbiose van de intrigerende beelden en de hypnotiserende muziek van Philip Glass. Koyanisqatsi is een woord van de Hopi-indianen en betekent onder andere ‘de wereld uit balans’, Naqoyqatsi betekent voor diezelfde indianen ‘beschaving van geweld’ en handelt vooral over de menselijke fascinatie voor oorlog. De muziek is opnieuw van Philip Glass dus dat belooft. Voorafgaandelijke geestesverruiming valt zwaar aan te bevelen.
Steven Soderbergh, de meest bezige bij in het grote Hollywoodnest heeft (na Traffic en Ocean’s eleven vorig jaar) wéér een nieuwe film klaar, Full Frontal eindelijk nog eens een low budget, op 18 dagen gedraaide prent, maar dan wel met grote sterren als Julia Roberts, Blair Underwood en David Duchovny.
Iets minder productief maar daarom niet minder interessant is David Cronenberg, de kampioen van de fysische horrorfilms, of de gruwel van het menselijke lichaam (zie Existenz, The Fly en Naked Lunch). De Canadees keert terug met Spider, en zoals steeds met 'smans films, hoe minder je op voorhand weet over de inhoud hoe beter, dat het weer griezelen en wenkbrauwen fronsen wordt staat nu al vast.
Ook potentieel interessant (meer evenzogoed strontvervelend) is de nieuwe, lichtjes gewaagde film van Gus Van Sant (Drugstore Cowboy, My own private Idaho, To die for). Z’n nieuwe heet Gerry en gaat over twee mannen, die alletwee Gerry heeten en verloren lopen in de woestijn, that’s it. Benieuwd hoe ie er in slaagt om een volledige film te vullen met enkel twee personages en een hele hoop zand.
We blijven bij de bekende regisseurs die zich al eens graag aan het experiment wagen, zoals Mike Figgis, die eerst zakken vol geld verdiende met Mr. Jonesen Leaving Las Vegas en die sindsdien z’n volledig eigenwijze weg is ingeslagen, maar dit leidde tot nu toe wel tot nog maar één zeer unieke cinema-ervaring, namelijk Timecode, de film met vier schermen (zie artikel). Zijn nieuwe heet Hotel, is opnieuw volledig digitaal opgenomen, en het verhaal klinkt op het eerste gehoor zeer vermoeiend: een film over het filmen van een film in een film waarbij de crew die die film over het filmen van een film in een film ook nog eens gefilmd wordt. Krijgt u nu al geeuwneigingen, blijf dan asjeblieft weg, dan ben ik tenminste zeker dat ik binnengeraak.
Shit, tot nu toe alleen nog maar Amerikaanse en Canadese films dus, tijd om daar wat aan te doen. Uit Engeland dan maar eentje: 24 Hour Party People van Michael Winterbottom, een film over een boeiende periode uit de Britse filmgeschiedenis, die van Mad-chester, Joy Division, de Stone(d) Roses, Happy Mondays, de waanzinnige nachtclub de Haçienda en van de opkomst van xtc. Pills, thrills & Bez dus.
En waarom niet nog een filmpje uit het koude Noorden, van mijn favoriete Fin Aki Kaurismäki, The man without a past, eerder al gelauwerd in Cannes en ongetwijfeld opnieuw een gortdroge, diepzwart humoristische film over die allesomvattende leegte die soms ook het Leven wordt genoemd.
Steeds meer lijkt het filmfestival nu ook de kaart van de documentaire te trekken, dat steeds populairder wordende genre dat gelukkig ook steeds meer z’n weg naar de bioscoop vindt. Ook dit jaar zijn er een aantal zeer aan te raden werkjes bij, en dan vooral in de eerste plaats Lost in La Mancha, de tragische un-making of van Terry Gilliam’s Don Quichot. Twee jaar terug begon Gilliam aan dit enorme project maar na amper zes draaidagen moest hij al de hele productie stilleggen, tegen dan had hij zowat alle mogelijke filmplagen over zich heen gekregen (storm, ziekte, verzekeringsmakelaars, Babylonische spraakverwarring en dieren die beginnen te improviseren). Net zoals vele groten uit de filmgeschiedenis, waaronder Orson Welles, reed ook Gilliam zich hopeloos te pletter tegen Don Quichote’s meedogenloze windmolens, zonder meer de sterkste metafoor uit de literatuurgeschiedenis. Hij had beter moeten weten.
Ook niet te missen is de nieuwe documentaire van Michael Moore, zowat de laatste Amerikaan met een gezond verstand, die deze keer zijn immer effeciënte sarcasme laat neerdalen over de Amerikaanse wapenwetgeving. In Bowling for Columbine laat hij interviews met fervente wapenliefhebbers kletterend botsen met nooit eerder geziene videobeelden van de slachting in de middelbare school van Littleton, waar twee geflipte tieners enkele uren lang Matrixje kwamen spelen. En als toemaatje maakt hij ook Charlton Heston, beroemd acteur en voorzitter van de wapenlobby, onsterfelijk belachelijk.
Nog eentje om het af te leren: trek je broek tot op kniehoogte, spreek iedereen aan als "duuuude" en rol naar Dogtown and Z-Boys, een unieke documentaire over het ontstaan van het skateboarden, in de verre jaren zeventig in Amerika.
En voorts zijn er natuurlijk zoals elk jaar ook weer de oudere films die nog eens vanonder het stof gehaald worden, voor de ouderen om hun dementerende verstand een oppoetsbeurt te geven, of voor die vermaledijde jeugd om eindelijk eens iets aan dat enorme gat in hun cultuur te doen. Voor beide leeftijdsgroepen heb ik op dit vlak slechts één woord te vermelden: TATI! Jawel, het festival biedt een retrospectieve van het werk van de destijds nog zwaar onderschatte Franse komiek Jacques Tati. Z’n wonderlijke films hebben me als kind meermaals over het tapijt doen rollen, vooral Jour de fête en mijn favoriete komedie ever Les Vacances de monsieur Hulot(tevens de favoriete film van monsieur Eddy Wally). Tati vertolkt daarin de lange slungel Hulot met z’n onafscheidelijke regenjas en pijp, die een heel ordinair vakantieoord onwetend in de chaos stort, onderwijl enkel onverstaanbaar mompelend. Het is een film die lacht met het bekakte en uiterst voorspelbare gedrag van de modale zon-, zee- en strandganger. In twee andere films van Tati, Mon oncle en Playtime bindt Hulot, opnieuw onbewust en mompelend, de strijd aan met die ergerlijke drang van de mens om z’n leven op technologische wijze steeds eenvoudiger te maken, zonder te beseffen dat zoiets alleen maar leidt tot een kille, emotieloze wereld vol hoogtechnologische prullaria, die geen van allen bestand zijn tegen de nonchalance van monsieur Hulot. Breng het kind in uzelve naar boven en schaterlach nog eens mee met Tati.
Zo, genoeg tips, voor de rest trekt u zelf maar uw plan.
Voor meer informatie over deze en alle andere films kan u altijd terecht bij de overal te vinden programmabrochure of op de website www.filmfestival.be






