Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Lokerse Feesten, Patersholfeesten (Gent), Halfoogstfeesten (Opwijk), Stubnitz (Brugge)
OSCAR FESTIVALT, PART IV
datum 10.09.2002
auteur Oscar Gonzo
rubriek Curiosa
Ik heb het geprobeerd. Lord knows I tried. Totale drooglegging. Isolatie. Het ascetische leven. De monnik achterna. Alles om die verdomde Gentse Feesten te verwerken. Wie zal het nog verbazen dat het mij niet gelukt is? Niemand. Dat dacht ik al. Het probleem is: als je eenmaal Dour en de Gentse Feesten achter de rug hebt is er geen weg meer terug, zolang er iets te doen is, en het is bereik- en betaalbaar, dan sta je er gewoon wéér, te zuipen, want ook dat laatste is moeilijker van je af te kloppen dan je denkt. Het vocht moet vloeien, een mens moet bezig blijven. En dus trokken we weer met een hele bende feestgraag tuig op vrijdag 9 augustus richting Lokeren, om te checken wat zij precies verstaan onder het concept ‘feesten’. Dat bleek bijzonder weinig te zijn. Meer dan een uit de hand gelopen pensenkermis waar toevallig ook een podium staat zijn de Lokerse Feesten eigenlijk nooit geweest, wat een tam volkje daar! Toegegeven, The Orb en Buscemi swingden nu ook weer niet gelijk de beesten, maar aan het volk te zien zou je denken dat ze allemaal toondoof zijn daar in Lokeren, er was geen enkel beetje beweging uit die meute te krijgen, ze stonden daar allemaal over de muziek heen te lullen dat het geen naam had, saaie boel dus. Nog een geluk dat Guido Belcanto er stond, maar dan wel op een plein dat ze ergens vanachter in de stad verstopt hadden, alwaar de ‘Fonnefeesten’ plaatsvonden. Deze postmoderne charmezangers wist met tijdloze, in haargel en muffe patchouli gemarineerde levensliederen als ‘Plastic rozen verwelken niet’ elke gevoelige mens op het plein te pakken bij zijn of haar spreekwoordelijke kloten. De mens mag dan wel depressief zijn zo nu en dan, mij stuurde ie alleszins met een goed gemoed naar huis, naar het als dood en verlaten gewaande Gent.
We arriveerden rond 4 uur ‘s nachts aan een gesloten Damberd, wat dus de weken na de Feesten zowat de enige geopende uitvalsbasis voor ons nachtraven heette te zijn. Met de moed der wanhoop sloften we dan maar naar de iets verder gelegen Patersholfeesten, er van uitgaande dat het vet daar ook al wel van de soep zou zijn gehaald. Blijkbaar kennen we de wils- en feestkracht van dat wondere Gentse nachtvolk nog niet goed genoeg, want om 4 uur ‘s nachts stond daar in die ene straat waar nog iets te beleven viel nog een bonte meute ex-Vlasmarkters, opnieuw in opperbeste stemming, de lever een nieuwe doodssteek te geven en lulkoek uitkramen van een niveau dat je maar zelden tegenkomt buiten de stadsgrenzen. Helaas waren die Lokerse pinten een open gevecht aangegaan met mijn inwendige en moest ik noodgedwongen vroegtijdig de aftocht blazen. De tweede dag van de Patersholfeesten maakte veel goed. Ik was nog maar een uur op of ik kuierde al goedgemutst tussen de kraampjes van buurtbewoners die hun waanzinnig nutteloze rommel aan de straatstenen probeerden te leuren, om daarna af te zakken naar het terras van Het Huis van Alijn, voor ne goeie Grimbergen in het zonneke, terwijl een lekker rammelende fanfare van jetje gaf, gevolgd door een dronken, gepensioneerde operazanger die O Sole Mio in m’n oor kwam brullen, mooi was dat, ludiek heet zoiets geloof ik, eens lekker verbroederen met de ouderen van dagen en merken dat ze eigenlijk net hetzelfde doen als jij, op een godverdomd vroeg uur van de dag al streekbieren hijsen en vervolgens schunnige liederen beginnen zingen, zoals een paar uur later op een klein pleintje pal in het hol van de pater, waar country- en ragtimeconcerten werden gegeven voor de derde leeftijd, en waar als slot een hele zatte vent, met z’n hemd achterstevoren aan, vunzige, plat-Gentse volksliederen begon te zingen en het halve plein meteen meebrulde, zo van "moanen hoend deine hij draa kluuten, moa ij kan ze nie gebruuken!", of dat leidde ik er toch uit af. Bijzonder kostelijk allemaal, het moet niet altijd Vlasmarkthumor zijn, alhoewel de zaterdag er wel mee afgerond werd, door weer met z’n allen in een straat opeengestapeld te staan, terwijl overal champagnekurken in het rond vlogen en iedereen weer tegen iedereen stond te lullen. Op dat moment heb ik mezelf wel weer eventjes teveel laten gaan, maar ik kon er eigenlijk niets aan doen, ik had urenlang een champagneglas in de hand dat nooit leeggeraakte, steeds doken er nieuwe flessen op, ik was gewoon nooit snel genoeg om er zelf een te kopen, en dan duwde iemand een knalgroen stuk space cake in m’n handen, en zelfs al weet ik beter, toch heb ik het achterovergegooid en toen…tja, wie zal het zeggen? Wat ik aan de rest van de avond overgehouden heb is enkel af te leiden uit enkele harde bewijzen: het feit dat ik maar 5 euro opgedaan heb en ladderzat naar huis ging, en die diepe snijwonde in mijn rechterbeen, het gevolg van een woeste val over een rugzak die een of andere klojo tussen al dat volk op de grond had gelegd, en die ik dus niet zag liggen en dus KWAK tegen de puntige kasseien aan, pijnlijk genoeg om me daverend op m’n benen naar huis te doen sukkelen. Afgezien van dat laatste heb ik me zondermeer beestig geamusseerd op de Patersholfeesten. Zo zie je maar, om in Gent een zwaar feest te geven heb je niet meer nodig dan 1 straat, een paar honderd mensen en massa’s sterke drank en/of champagne. De rest komt vanzelf wel.

Vijf dagen later. Ik keer terug naar mijn plattelandelijk roots. Niet om mijn ouders een plezier te doen en drie machines vol vuile was te laten draaien (maar dat ook wel een beetje), wel om naar jaarlijkse traditie nog eens af te zakken naar het nabijgelegen Opwijk en haar jeugdhuis Nijdrop, een klein feestkot waar we in onze jonge jaren al onze weekenden sleten, bij gebrek aan iets beters. Half augustus vinden alhier steeds de begrijpelijk benaamde Halfoogstfeesten plaats, een ode aan het streekbieren drinken en het goedkope amusement, zoals vrouwen met ontblote en vol slagroom gespoten borsten en mannen die zingend van tafels donderen. Je moet er voor zijn, zoveel is zeker. Vanaf tien uur ‘s morgens kan je er terecht voor een grootse rommelmarkt, terwijl in een aanpalende bosje commercanten op ambachtelijke wijze klompen staan te kloppen, en vanaf ‘s middags zijn er dan optredens voor zowel jong als oud. Nu goed, van de optredens heb ik zowat alles gemist, wegens een spetterende barbeque en aansluitend woest watergevecht bij subtropische temperaturen chez Sativo, maar de topact, die ouwe lul van een Will Tura konden we toch niet aan ons voorbij laten gaan, meejoelend tussen al die ouwe wijven, een glas Grimbergen ten hemel gericht, al moet ik toegeven lichtjes teleurgesteld te zijn geweest in de performance van deze ouwe rot in het vak, onverslijtbare klassiekers als Arme Joe en El Bandido haspelde hij af als ware het voedingswaren op de lopende band van de supermarkt. Tura’s gebrek aan eerbied ten aanzien van zijn eigen œuvre bleek het massaal aanwezige publiek nauwelijks te deeren, ze joelden er op los en eventjes dacht ik dat enkele tot euforie gedreven ouwe dames hun corsetten richting podium zouden flikkeren, maar gelukkig werd dit net op tijd vermeden. Slotconclusie: ik was al geen al te grote fan van Will, maar desalnietemin was ik wel teleurgesteld.

Zoals dat gaat op de buiten werden zo rond één uur ‘s avonds de klapstoeltjes al vanonder onze reten gesleurd zodat we noodgedwongen ons heil binnen in de broeierige Nijdrop moesten gaan zoeken, waar Johnny’s en Marina’s (jawel, bij ons bestaan ze nog) stonden te hakken op hoempetoempehousemuziek, terwijl de oudere lichting doorzakkers, waarvan velen al jaren uitgeweken zijn naar Gent en omstreken, de toog onveilig maakten met hun eindeloze drang naar nog meer laaggeprijsde streekbieren. Enfin soit, tegen halfzes ‘s morgens werden we daar toch wel onder lichte dwang naar buiten gerold door bazige, bloednuchtere minderjarigen met een overontwikkeld verantwoordelijkheidsgevoel. Of toch niet zo overontwikkeld want voor hun ogen rolde iedereen vrolijk z’n wagen in om zigzaggend door de dode dorpskern andere oorden op te zoeken. Voor Flippe, Rukke en mezelf werd dit de gigantische ouderlijke woonst van ons aller Elly, wiens ouders gelukkig andere oorden hadden opgezocht. Na vakkundig de frigo te hebben leeggegeten hebben Rukke en ik ons tot besluit van de avond eens volledig laten gaan op de schommelstoelen in de eveneens riante tuin. Het is daar dat ik enkele uren later wakker werd, onder een piepklein boompje, die mij beschermde tegen de opnieuw verschroeiende zonnestralen, terwijl een ouwe dikke hond, die luistert naar de naam Doom, mij constant probeerde omver te duwen en voortdurend op m’n blote rug zat te niezen, tot ik het vuile beest nog eens een aai gaf. Ondanks dat beest toch wel genoten van een hazeslaapje in de niet al te vrije natuur.

En toen had ik eventjes genoeg van al dat boerse, primaire gefeest, altijd maar staan zuipen en zeveren, zonder ook maar enigszins het gevoel te hebben dat je nog eens iets verheffends hebt mogen meemaken. Een aangename afwisseling van al dat lage gedoe was onze trip naar Brugge, om er aan boord te klimmen van de legendarische Stubnitz, een ex-vissersboot uit het ex-Oostduitse Rostock die elke zomer uitvaart om z’n missie wereldwijd te verspreiden: dat jongeren beste wel creatief kunnen zijn, en dat op vele domeinen, muziek, visuals, beeldende kunst en multimedia. Een zeer lovenswaardig initiatief, waar ik best wel eens voor naar het anders serieus te mijden Brugge wou afzakken, met dank aan Stoffer’s miniwagen (waarvoor ik m’n benen op twee plaatsen moest breken vooraleer op de achterbank te geraken).
Het interieur van de Stubnitz is zonder meer fantastisch te noemen, een knap ingerichte zaal met twee verdiepen en een geluidsinstallatie waar menig jeugdhuis alleen maar van kan dromen. Hoe ze heel die handel betalen mag Joost weten, aan die 100 aanwezigen, waarvan er misschien tien niet op de guestlist stonden, zal het alleszins niet gelegen hebben. Het was die avond dan ook wel weer een Gents onderonsje, aangezien het lokale Kraak-label de avond van muziek voorzag en alle ‘vrienden van’ natuurlijk hunder smoel eens moesten laten zien aldaar. Niet dat dit leidde tot een vervelend ‘ons kent ons’ avondje, verrevan, op muzikaal vlak was dit de meest avontuurlijke en geslaagde avond van de laatste maanden. De klemtoon lag op ‘noise’, of meerbepaald het opwekken van ‘drones’, zo van die golvende, melodie- en ritmeloze geluidslagen en toestanden, die meermaals de hele boot deden vibreren, een onwerkelijk heerlijke luisterervaring, zeker als je ergens languit op een zacht verhoogje ligt, met je kop tegen een enorme box aangedrukt en een straffe joint bij de hand. Werkelijk onvergetelijk waren de concerten van enkele van onze grote nationale helden op het vlak van electronica, Benjamin Franklin (wiens nog te verschijnen debuutplaat op ieders verlanglijstje voor Kerstmis zou moeten staan) en Ovil Bianca, die in tegenstelling tot bijvoorbeeld zijn angstaanjagend ontoegankelijke concert op een van Urban’s Page3 evenementen in de Minard, deze keer wel enkele gevoelige noten loste en de luisteraars op een aangename trip doorheen noiseland loodste.
Maar, hetgeen waar iedereen die avond het meest van al over te spreken was, was toch wel de zigeuneresk ogende barvrouw, een waar prikkelend feest voor het oog, alleen die Duitse tongval waarmee ze "ein Pinktje?" zei werkte redelijk afknappend. Hoedanook, iedereen was er weg van, ik hoor het Stoffer nog zo zeggen tijdens de terugrit, met jongesachtige trots in z’n stem, "ze heeft m’n vingers gestreeld toen ze mijn wisselgeld teruggaf", ik kreeg het nauwelijks over m’n hart om te zeggen dat ze dat bij mij en bij Jan en alleman ook gedaan had. Laat mensen hun illusies houden. Geen wonder dat dat rare bier uit Rostock dat ze daar tapten zo veel succes kende en dat er meestal meer volk aan de bar dan voor het podium stond. En zo draait elke poging tot echte cultuurbeleving weer maar eens uit op hetzelfde: met open bek en uitpuilende ogen staren naar de barvrouw en ervan dromen om met een wilde zigeunerin in het bootje te stappen, al dan niet de Stubnitz.
Ik het het dus allemaal geprobeerd de laatste weken: niet uitgaan en iets nuttigs doen, ofwel uitgaan en iets nuttigs doen, geen van beide plannen bleken haalbaar, dus voor de volgende weken, de laatste van het festivalseizoen, staat weer ouwe getrouwe kost op het menu: zwaar uitgaan en daar absoluut niets wezenlijks of zinvols mee bereiken. En zo hoort het.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie